Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6890

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
05-029897-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen en plegen van dealen en opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en softdrugs met als bijzondere voorwaarden: ambulante behandeling, middelencontrole, beschermd wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05/029897-20 en 05/008907-20 (gevoegd t.t.z.)

Datum uitspraak : 11 december 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [appellanten] .

Raadsman: mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting

van 27 november 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 05/029897-20 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 februari 2020, te Winterswijk, althans in Nederland, tezamen en vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine, te weten:

- 3,18 gram,

- 1,90 gram,

- 2,60 gram,

- 2 gram,

- 0,78 gram,

- 1,01 gram,

- 2,06 gram,

- 0,82 gram,

- 1,07 gram en/of

- 1,70 gram en/of

een hoeveelheid Amfetamine, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, te weten:

- 55 gram en/of

- 7,83 gram

zijnde MDMA en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine en/of Amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 3 februari 2020, te Winterswijk, althans in Nederland, tezamen en vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 25 gram,

- 17,65 gram,

- 4,24 gram en/of

- 1,85 gram hennep en/of hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en/of meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 november 2018 tot en met 3 februari 2020,

te Winterswijk en/of te Doetinchem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

3,4 methyleendioxymethamfetamine, Zijnde amfetamine, MDMA en/of en/of 3,4-

Methyleendioxymethamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 november 2018 tot en met 3 februari 2020,

te Winterswijk en/of te Doetinchem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle vier ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 en 2 is de officier van justitie van mening dat verdachte moet worden aangemerkt als medepleger van het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs die de politie heeft aangetroffen in de woning van [medeverdachte] . Ten aanzien van de drugs die de politie heeft aangetroffen bij aanhouding van verdachte, is volgens de officier geen sprake van medeplegen, maar van plegen. Bij feit 3 en 4 is de officier van justitie uitgegaan van een pleegperiode van 1 jaar, in ieder geval van februari 2019 tot en met 3 februari 2020, waarbij verdachte de laatste paar maanden tezamen en in verenging met [medeverdachte] heeft gedeald.

Het standpunt van de verdediging

Ter zake van feit 1 en 2 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van feit 3 en 4 heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte langer dan de door hem (verdachte) bekende periode heeft gedeald in harddrugs en softdrugs en dat in ieder geval niet kan worden bewezen dat verdachte vóór november 2019 heeft gedeald. Volgens de raadsman kunnen de verklaringen van [naam 3] en [naam 2] die spreken over een nog langere dealperiode niet voor het bewijs worden gebruikt.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op de onderlinge samenhang zal de rechtbank de feiten 1 tot en met 4 gezamenlijk bespreken. Daarbij geldt dat elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen - wordt gebruikt voor het feit waarop het gezien de inhoud kennelijk betrekking heeft.

Bewijsmiddelen

Op 3 februari 2020 heeft de politie bij verdachte op straat, nabij de [adres 1] in Winterswijk en vervolgens bij fouillering op het politiebureau, gripzakjes met pillen en kristalvormige korrels en een plastic zak waar volgens verdachte speed in zat, aangetroffen. Ook werden bij hem gripzakjes aangetroffen met een groenbruine vaste stof, qua geur, kleur en overige uiterlijke verschijningsvormen sterk gelijkend op gedroogde vrouwelijke bloemtoppen van de hennepplant, in totaal (12,9 gram, 3,2 gram, 3,3 gram, 2 x 1,9 gram en 1,8 gram =) 25 gram hennep (inclusief verpakking).

Later die dag heeft de politie in de woning aan de [adres 1] in Winterswijk gripzakjes met een natte substantie in de vriezer aangetroffen. In een keukenla vond de politie gripzakjes met plantendelen, die qua grootte en uiterlijke kenmerken geheel overeenkwamen met de gripzakjes met plantendelen die daarvoor onder verdachte waren aangetroffen.2

Onderzoek van de Forensische Opsporing Politie waarbij gebruik is gemaakt van de Marquis test, wijst uit dat de aangetroffen netto-hoeveelheden pillen, te weten 3,18 gram, 1,90 gram, 2,60 gram, 2 gram, 0,78 gram, 1,01 gram en 2,06 gram, 0,82 en 1,70 gram, MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) bevatten, evenals de aangetroffen kristalvormige korrels met een nettogewicht van 2,06 gram en 1,07 gram. Bovengenoemde plastic zak, die een nettogewicht van 55 gram heeft, bevat blijkens de resultaten verkregen met de Marquis test, amfetamine, evenals de zakjes met de natte substantie met een totaalgewicht van 7,83 gram (inclusief verpakking). De grotere zak en kleine zakjes met plantendelen met een nettogewicht van 17,56 gram, 4,24 gram en 1,85 gram zijn met gebruikmaking van de MMC Cannabis methode positief getest op cannabis.3

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting van 27 november 2020 bekend dat de drugs die de politie op 3 februari 2020 bij hem heeft aangetroffen, van hem zijn. Ook heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij in de periode van 23 januari 2020 tot en met zijn aanhouding op

3 februari 2020 heeft gedeald in Xtc-pillen, speed, hasj en hennep en dat hij daarvoor wel eens drugs heeft afgeleverd bij anderen. Hij is in januari 2020 ingetrokken bij medeverdachte [medeverdachte] , woonachtig aan de [adres 1] in Winterswijk. Hij en [medeverdachte] verbleven samen in de woning. Verdachte kende de cijfercombinatie van de kluis die in de woning van [medeverdachte] stond en waarin geld lag. Verdachte heeft als bijnaam [verdachte] .4

In de in beslag genomen iPhone van medeverdachte [medeverdachte] , zag de politie onder de naam ‘owner’ het telefoonnummer [telefoonnummer 1] staan. Verdachte kwam in deze telefoon onder vijf verschillende telefoonnummers naar voren, onder meer onder [telefoonnummer 2] [whatsapp naam 2] en [telefoonnummer 3] [whatsapp naam 1] . Daarnaast heeft de politie onder verdachte 3 telefoons in beslag genomen. Daarin heeft de politie onder meer onderstaand WhatsApp-verkeer aangetroffen.

25-11-2019

[telefoonnummer 1] : Yo [medeverdachte] hier

[telefoonnummer 2] : [verdachte] hier

26-11-2019

[telefoonnummer 2] : Groene Donald Duckjes, 240 mg, Heb geen X, meer

[telefoonnummer 1] : Voor otje maar kan ik overmaken

8-12-2019

[telefoonnummer 2] : Maar heb geen wiet meer, alleen snoep, snelle, Mdma,

[telefoonnummer 1] : Kom je niet toevallig ergens langs voor ot?

8-1-2020

[telefoonnummer 1] : Samen maar is uitbreiden

[telefoonnummer 1] : Zoals jij zij

[telefoonnummer 1] : Met zn 2e staan we toch sterker

[telefoonnummer 1] : Maar ik heb je gezegd wat ik NIET word en dat is een lopertje of wat dan ook (...)

[telefoonnummer 1] : Wil partners niet gezeik. Moneeey

(…)

[telefoonnummer 3] : We praten komt goed

9-1-2020

[telefoonnummer 3] : Ik heb een klantje voor je, Als je wilt

[telefoonnummer 1] : tuulk (…)

[telefoonnummer 3] : Deze haalt iedere keer, weer, is gewoon een dagelijkse roker

[telefoonnummer 1] : Komtgoed, Klaar

10-1-2020

[telefoonnummer 1] : Werken samen dus beter krijg je ook sleutel stel dr is wat (…)

[telefoonnummer 1] : Jvd is van ons man5

Verder is uit naam van [verdachte] Privé op 14 januari 2020 een bericht verstuurd naar de telefoon van [medeverdachte] , inhoudende dat [naam 1] die avond wat komt halen. Met de telefoon van [medeverdachte] is hierop het bericht gestuurd: is goed man, Samsung ligt op tafel, maybe wil je shiften.

Uit naam van [verdachte] Privé is hierop het bericht gestuurd: zal ik gelijk ff pakken ok.6

Vanuit de telefoon met nummer [telefoonnummer 4] , met gebruikersnaam ‘-D. Zakelijk’, die onder verdachte in beslag is genomen,7 zijn op 23 januari 2020 onderstaande berichten verzonden aan [telefoonnummer 1] :

Kan je 2gr snelle

Maken

En me ff aan geven bij de brandtrap 8

Geconfronteerd met bovenstaande WhatsApp-berichten, heeft verdachte bij de politie verklaard dat [medeverdachte] met hem wilde samenwerken om de inkoop van drugs te doen en dat hij met het bericht van 14 januari 2020 bedoelt dat hij de telefoon van [medeverdachte] in de gaten zou houden. Het gaat om de (Samsung) telefoon J3 die de politie onder hem in beslag heeft genomen en die hij had geleend van [medeverdachte] . Met ‘snelle’ bedoelt verdachte speed, met ‘Donald Duckjes’ en ‘snoep’ bedoelt hij XTC, met “ot” wiet en met 240 ‘mg’ bedoelt hij MDMA.9 Het klopt dat hij van [medeverdachte] een huissleutel had gekregen. Ook kende hij de code van het kluisje van [medeverdachte] .10

Getuige [getuige] heeft op 4 februari 2020 verklaard dat hij sinds 2 tot 3 maanden zo’n twee maal in de week wiet koopt bij verdachte en [medeverdachte] . Hij had een telefoonnummer van hen en appte als hij drugs wilde bestellen. Hij kreeg de wiet vervolgens geleverd van verdachte of [medeverdachte] . Zij moeten wel samen hebben gewerkt, want zij reageerden beiden op hetzelfde telefoonnummer, aldus getuige.11

Bewijsoverwegingen feit 1 en 2

Vaststaat dat de politie op 3 februari 2020 de ten laste gelegde hoeveelheden harddrugs en softdrugs heeft aangetroffen bij verdachte op straat en in zijn fouillering en ook in de woning van de medeverdachte waar hij sinds januari 2020 ook zelf verbleef. Uit de verklaringen van verdachte komt verder naar voren dat hij zelf al dealde in harddrugs en softdrugs toen [medeverdachte] met hem wilde samenwerken voor de inkoop van drugs. Uit bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank eveneens af dat zij al een paar maanden samen dezelfde telefoon gebruikten voor het verstrekken van softdrugs en er ook al eerder onderling contact was over het verstrekken van harddrugs. De drugs werden onder meer bewaard in de woning van [medeverdachte] , waarvan ook verdachte een sleutel had. Ook kende verdachte de code van de kluis in de woning, waarin onder meer geld werd bewaard. Gelet op het bovenstaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle drugs die de politie op 3 februari 2020 bij hem en in de woning heeft aangetroffen, in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals onder feit 1 en 2 ten laste is gelegd.

Overige bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3 en 4

Ter zitting van 27 november 2020 heeft verdachte verklaard dat hij vóór 23 januari 2020 wel eens drugs heeft afgeleverd bij anderen.12 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij vanaf november 2019 wel eens drugs ophaalde en naar de afnemers bracht. Geconfronteerd met de namen van de personen die tijdens hun verhoor bij de politie hebben verklaard dat zij bij verdachte harddrugs en/of softdrugs, hebben gekocht, heeft verdachte verklaard dat het klopt dat hij onder meer met [naam 2] en [naam 3] drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd en aan hen drugs heeft verkocht. Ook heeft hij in november 2019 Xtc-pillen aan [naam 4] verstrekt. Hij is de afgelopen tijd regelmatig van telefoonnummer veranderd.13

Op de telefoon van [naam 5] , verdachte in een andere – drugsgerelateerde - strafzaak, heeft de politie onderstaande WhatsApp-verkeer met [verdachte] , daterend van 13 januari 2019 aangetroffen:

[verdachte] : hoe snel kan je me 1 brengen dan

[verdachte] : zoals aktijd zeg maar

Mike: 1 k of 1 ons

[verdachte] : ons14

Geconfronteerd met bovenstaande berichten, heeft verdachte ter zitting van 27 november 2020 verklaard dat hij in januari 2019 via WhatsApp een grotere hoeveelheid speed bij [naam 5] heeft gekocht.15

Getuige [naam 2] heeft op 12 februari 2020 bij de politie verklaard dat zij speed, XTC en 3MMC (miauw) kocht bij verdachte in Winterswijk. Over de periode waarin zij deze drugs bij verdachte heef gekocht, heeft zij verklaard dat dit vorig jaar of twee jaar geleden was en dat zij in 2018 al eens drugs bij hem heeft gehaald. Zij kocht wekelijks speed bij verdachte, vaak op de pof. Meestal kwam verdachte de drugs zelf brengen. Verdachte had wel 5 telefoonnummers.16

Getuige [naam 3] , zelf ook woonachtig in de [adres 1] , heeft op

8 februari 2020 bij de politie verklaard dat hij 3MMC, speed en wiet bij verdachte heeft gekocht. Hij kende verdachte vanuit de flat in zijn straat. Sinds ruim een jaar koopt hij een maal in de twee weken 3MMC of speed bij verdachte.17

Bij de rechter-commissaris heeft [naam 3] verklaard dat hij in september 2018 in Winterswijk is gaan wonen en dat hij een paar maanden later, eind 2018/begin 2019 voor het eerst wiet, speed en 3MMC bij verdachte heeft gekocht. Hij kocht in ieder geval een maal in de maand speed of 3MMC bij verdachte. Getuige denkt dat hij december 2019 voor het laatst speed heeft gekocht bij verdachte.18

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 en 4

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gedeald in hard- en softdrugs en dat hij dat heeft gedaan op tijdstippen vanaf eind 2018. Uit de verklaringen van [naam 3] komt naar het oordeel van de rechtbank consequent en voldoende specifiek naar voren dat getuige in de door hem genoemde periode geregeld harddrugs heeft besteld bij verdachte. Dat verdachte de bestelde drugs blijkens de verklaringen van [naam 3] niet altijd zelf bezorgde, maakt dit niet anders. De verklaring van verdachte, dat de speed die hij op 13 januari 2019 bij [naam 5] heeft gekocht, alleen voor eigen gebruik was, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gezien de vaststelling dat verdachte in die periode al (onder meer) speed verkocht aan [naam 3] en gezien de vraag van [naam 5] of verdachte 1 kilo of 1 ons wilde hebben.

Gelet op al het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode vanaf eind 2018 tot aan zijn aanhouding op 3 februari 2020 op meerdere momenten schuldig heeft gemaakt aan het dealen in harddrugs en softdrugs, zoals onder feit 3 en 4 ten laste is gelegd en dat hij dit vanaf november 2019 ook tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gedaan.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05/029897-20 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 3 februari 2020, te Winterswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine, te weten:

- 3,18 gram,

- 1,90 gram,

- 2,60 gram,

- 2 gram,

- 0,78 gram,

- 1,01 gram,

- 2,06 gram,

- 0,82 gram,

- 1,07 gram en/of

- 1,70 gram en/of

een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, te weten:

- 55 gram en/of

- 7,83 gram

zijnde MDMA en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 3 februari 2020, te Winterswijk, althans in Neder land, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 25 gram,

- 17,65 gram,

- 4,24 gram en/of

- 1,85 gram hennep en/of hasjiesj, althanseen hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en/of meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 november 2018 tot en met 3 februari 2020,

te Winterswijk en/of te Doetinchem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

3,4 methyleendioxymethamfetamine, zijnde amfetamine, MDMA en/of en/of 3,4-

Methyleendioxymethamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 november 2018 tot en met 3 februari 2020, te Winterswijk en/of te Doetinchem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 05/029897-20 levert op:

feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

en

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 4:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

en

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5 De inhoud van de tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 05/008907-20 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 januari 2020 te Doetinchem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar, te weten,

[naam 7] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een onderzoek

uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 55e lid 1 strafvordering, hieraan geen gevolg te geven;

2.

hij op of omstreeks 9 januari 2020 te Winterswijk [naam 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 6] dreigend de woorden toe te voegen "ik steek je dood en/of ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 9 januari 2020 te Winterswijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een toegangsdeur van een flatgebouw aan de [adres 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Woonplaats toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

6. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 19

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle 3 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman primair aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaringen [naam 6] , dat verdachte haar zou hebben bedreigd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een reële bedreiging zodat ook om die reden vrijspraak moet volgen. Ter zake van feit 3 heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte geen opzet had op het vernielen van de ruit zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Voor feit 1 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van gebruik middelen bij geweldsdelicten p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van voorgeleiding p. 26;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2020.

Feit 2

Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat verdachte en aangeefster elkaar op 9 januari 2020 al langere tijd kenden en die avond een flinke ruzie hadden, waarbij is gescholden. Verdachte ontkent dat hij aangeefster daarbij heeft bedreigd. Overtuigend steunbewijs dat verdachte aangeefster met de dood heeft bedreigd, zoals zij heeft verklaard, ontbreekt. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld wat er precies is voorgevallen zodat zij verdachte zal vrijspreken.

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte p. 21-22;

- het proces-verbaal van bevindingen p. 23;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2020.

Bewijsoverweging

Het verweer van de verdediging, dat verdachte niet de intentie had om de ruit te vernielen, slaagt niet. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat een man, verdachte, voor de dichte toegangsdeur van het pand staat, bukt en met de onderkant van zijn schoen achterwaarts hard tegen het glas van de deur schopt. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij op dat moment boos was en de sleutel niet kon vinden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door boos met geschoeide voet hard achteruit tegen de ruit van de deur te trappen, minst genomen voorwaardelijk opzet had op het vernielen van de ruit.

7 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05/008907-20 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 9 januari 2020 te Doetinchem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar, te weten,

[naam 7] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een onderzoek

uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 55e lid 1 strafvordering, hieraan geen gevolg te geven;

3.

hij op of omstreeks 9 januari 2020 te Winterswijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een toegangsdeur van een flatgebouw aan de [adres 2] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Woonplaats toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

8 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde zaak met parketnummer 05/008907-20 levert op:

feit 1:

Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten.

feit 3:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

9 De strafbaarheid van de feiten

De feiten in de zaken van beide parketnummers zijn strafbaar.

10 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

11 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten in de beide zaken zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Ook heeft de officier geëist om aan verdachte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur gelijk aan het voorarrest bepleit en daarnaast een voorwaardelijk strafdeel en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte slechts kleine hoeveelheden verkocht, dat het gaat om partydrugs en dat verdachte niet steeds heeft gedeald omdat hij ook een tijd vast heeft gezeten. Verder is naar voren gebracht dat verdachte ondanks zijn uitgebreide strafblad voor het eerst onder reclasseringstoezicht staat en dat het nu eindelijk weer de goede kant opgaat met hem. Verdachte stelt zich begeleidbaar op en is intrinsiek gemotiveerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van zo’n 14 maanden op verschillende momenten gedeald in XTC, speed, amfetamine, wiet en hasj, deels samen met zijn medeverdachte, bij wie hij in die tijd verbleef. De drugs werden onder meer opgeslagen in de woning van de medeverdachte. Bij verdachte en in de woning heeft de politie onder meer ruim 70 Xtc-pillen, 50 gram speed en zo’n 50 gram hasj in beslag genomen. Gelet op het contactenbestand aangetroffen op de dealtelefoons die onder verdachte in beslag zijn genomen, heeft hij een groot aantal drugsgebruikers bediend. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs en softdrugs schadelijk is voor de volksgezondheid en om deze reden door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijsten I en II zijn geplaatst. Drugsverslavingen gaan gepaard met grote sociale, mentale en fysieke problemen.

Daarnaast leidt de handel in drugs vaak tot ernstige nevencriminaliteit, die niet zelden gepaard gaat met geweldsdelicten. Ook werkt het criminele geld dat ermee wordt verdiend ondermijnend in de samenleving. Hierdoor ondervinden anderen (ernstige) overlast van dit soort feiten en wordt de samenleving als geheel ernstige schade toegebracht.

Door zijn handelen heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van verslavingen en het criminele drugscircuit.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling door een ruit in de deur van een flatgebouw in te trappen en heeft hij niet voldaan aan een ambtelijk bevel door niet mee te werken aan een verplicht ademonderzoek. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor andermans eigendom en ambtelijk gezag.

Gelet op de ernst van de drugsfeiten en de relatief lange dealperiode, is een forse gevangenisstraf op zijn plaats. Dat er binnen de bewezen periode ook momenten zijn geweest dat verdachte wegens tussentijdse detentie niet heeft kunnen dealen, doet daar niet aan af.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een uitgebreid strafblad. Nog niet zo lang geleden heeft hij een lange gevangenisstraf uitgezeten. Kennelijk heeft deze straf hem er niet van weerhouden opnieuw ernstige strafbare feiten te plegen.

Uit het reclasseringsadvies van 1 mei 2020 volgt dat bij verdachte sprake is van een ernstige alcoholverslaving, daarnaast gebruikt hij speed als zelfmedicatie; Hij heeft geen huisvesting en geen werk. Het recidiverisico wordt inschat als hoog. Eerder heeft verdachte een klinische opname met goed gevolg afgerond, maar door onvoldoende copingvaardigheden heeft hij daarna een terugval gehad. De reclassering adviseert om die reden een ambulante behandeling gericht op het aanleren van adequate coping en het omgaan met verslaving. Ook wordt beschermd wonen geadviseerd. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis staat verdachte sinds een aantal maanden onder toezicht van Tactus reclassering. Uit informatie van Tactus van november 2020 komt naar voren dat zij mogelijkheden ziet om verdachte te begeleiden. Verdachte toont zich gemotiveerd in de al plaatsgevonden behandelgesprekken. Geadviseerd wordt om aan verdachte een deels voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole en overige voorwaarden betreffende het gedrag, te weten begeleiding bij zijn financiën en meewerken aan een dagbesteding. Ter zitting heeft verdachte zich bereid verklaard aan bovenstaande voorwaarden mee te werken en aangegeven dat hij hulp nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen.

Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met de toepasselijke LOVS-oriëntatiepunten.

Alles afwegend, acht de rechtbank gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan

4 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. Met name vanwege de relatief langere duur van het dealen kan niet met een kortere straf volstaan worden, ook al betekent dit dat verdachte ondanks een schorsing van de voorlopige hechtenis terug zal moeten naar detentie. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur. Om het recidivegevaar te verminderen, zal de rechtbank hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, zoals hierboven beschreven, inclusief beschermd wonen, indien de reclassering dat nodig vindt.

12 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [naam 6] heeft in verband met feit 2 in de zaak met parketnummer 05/008907-20 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert

€ 150,- aan smartengeld met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde, gelet op de aard van het feit, niet voor smartengeld in aanmerking komt en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

De raadsman heeft eveneens gepleit voor niet-ontvankelijkheid.

Overweging van de rechtbank

Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 2 in de zaak met parketnummer 05/008907-20, zal zij de benadeelde reeds hierom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

13 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 47, 57, 184 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

14 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van feit 2 in de zaak met parketnummer 05/008907-20;

 verklaart bewezen dat verdachte de feiten in de zaak met parketnummer 05/02897-20 en de overige ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 05/008907-20, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’ (punt 3 en punt 7), heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’ (punt 4 en punt 8);

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde in bovengenoemde zaken tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, zijn daaronder begrepen;

- zich zal laten behandelen en begeleiden door Tactus Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- indien de reclassering dat nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en harddrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urinecontrole en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Hij werkt indien de reclassering dat nodig vindt me aan interventies gericht op het stabiliseren van de financiële situatie en het verkrijgen en behouden van dagbesteding.

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verklaart de benadeelde partij [naam 6] ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 05/008907-20 niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei, voorzitter, mr. P.J.C. Cremers en

mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020007184, gesloten op 26 maart 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen p. 180-181, proces-verbaal van bevindingen p. 572 met bijlagen p. 573-581, proces-verbaal van bevindingen p. 195 en proces-verbaal van bevindingen p. 232.

3 Rapport NFiDENT van 25 maart 2020, zaaknummer 2020.03.25.106 (aanvraag 009, 010, 011 en 012) p. 4-7 (niet doorgenummerd), proces-verbaal verdovende middelen p. 248-249, rapport NFiDENT van 25 maart 2020, zaaknummer 2020.03.25.106 (aanvraag 001) p. 5-12 (niet doorgenummerd), proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen p. 198-200.

4 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 27 november 2020 en proces-verbaal van verhoor verdachte p. 48.

5 Proces-verbaal van bevindingen p. 262-264, 268-269, 272-278, 280-281.

6 Proces-verbaal van bevindingen p. 264.

7 Proces-verbaal van bevindingen p. 254.

8 Proces-verbaal van bevindingen p. 264, p. 305-306.

9 Processen-verbaal verhoor verdachte [verdachte] p. 62-64.

10 Processen-verbaal verhoor verdachte [verdachte] p. 63-64.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 519-520.

12 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 27 november 2020.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 62, 65-66.

14 Proces-verbaal van bevindingen p. 468.

15 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 27 november 2020.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 546-547.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 538-539.

18 Proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van 20 juli 2020 p. 2-3.

19 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020015630, gesloten op 11 januari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.