Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:678

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
05-02-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting winkel voor de duur van twee maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om schorsing van het besluit af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 20/494

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2020

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. V. Poelmeijer),

en

de burgemeester van de gemeente Elburg te Elburg, verweerder.

(gemachtigden: mr. V. Textor en M.A. Walta)


Als belanghebbende partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats]

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2020 (het primaire besluit) heeft de burgemeester gelast het bedrijfspand aan de [locatie] in [woonplaats] met ingang van 6 februari 2020 om 11:00 uur te sluiten en gesloten te houden voor de duur van twee maanden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Voor de bestuurlijke rapportages van 14 juni 2019 en 9 oktober 2019 van de politie heeft verweerder verzocht om geheimhouding toe te passen. Op 31 januari 2019 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming zoals door verweerder is verzocht niet gerechtvaardigd is. Verweerder heeft daarop geanonimiseerde versies van de bestuurlijke rapportages toegestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [belanghebbende].

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waar gaat deze uitspraak over?
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het besluit tot sluiting van het bedrijfspand aan de [locatie] in [woonplaats]. De voorzieningenrechter beoordeelt hierbij of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daarbij is het allereerst de vraag of de burgemeester bevoegd is om sluiting van het pand te gelasten. Zo ja, dan is de vraag of de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot sluiting van het pand mag overgaan.


Wat is de aanleiding voor de sluiting?

2.1.

Verzoekster exploiteert de winkel [winkel], sinds 1 juli 2019 in de vorm van een eenmanszaak, in het bedrijfspand dat zij huurt aan de [locatie] in [woonplaats]. Eerder exploiteerde zij deze onderneming en huurde zij het pand samen met haar ex-echtgenoot als een vennootschap onder firma.

2.2.

Uit de bestuurlijke rapportages blijkt dat op 9 april 2019 in de garage bij de echtelijke woning 14 kilogram MDMA, 3 kilogram speed, een weegschaal en diverse verpakkingsmaterialen zijn aangetroffen. De ex-echtgenoot van verzoekster is aangehouden en als verdachte aangemerkt. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is vast komen te staan dat de 17 kilogram harddrugs enkele dagen eerder bij de [winkel] zijn afgeleverd.

2.3.

De burgemeester heeft op 11 juli 2019 het voornemen geuit om sluiting van het bedrijfspand voor de duur van 12 maanden te bevelen en voor de woning een waarschuwing te bevelen.

2.4.

De burgemeester heeft uiteindelijk bij het primaire besluit besloten om verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet per 6 februari 2020 te gelasten het bedrijfspand voor de duur van twee maanden te sluiten.

Waarom is verzoekster het niet eens met de sluiting?

3. Verzoekster stelt dat zij geen enkele wetenschap had van de drugshandel waarvan haar ex-echtgenoot wordt verdacht. Verzoekster wijst erop dat zij na de arrestatie alles in het werk gesteld heeft om de banden met hem te verbreken. Zo is de echtscheiding per 3 juli 2019 uitgesproken en is de vennootschap ontbonden. Verzoekster voert aan dat de medeverdachte het brein van de drugshandel was en zij stelt dat de [winkel] niet de spil vormde. Volgens verzoekster is slechts eenmaal een doos afgeleverd in de nabijheid van de winkel. Verzoekster stelt dat de sluiting van het pand geen doel dient, nu er geen enkel risico op herhaling is, er geen aanwijzingen zijn van recente loop, de overtreding al geruime tijd beëindigd is en los staat van de winkel. Het toch sluiten van het pand is volgens verzoekster een criminal charge. Ook wijst zij erop dat sluiting zal leiden tot ernstige financiële schade en dat het voortbestaan van de winkel in gevaar is.

Bestaat een bevoegdheid tot sluiting van het pand?

4.1.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een lokaal een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd, of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.2.

De bij de inval aangetroffen MDMA en speed staan op lijst I. Niet in geschil is deze drugs via de [winkel] bij verzoekster thuis zijn afgeleverd. Nu een handelshoeveelheid van deze drugs aanwezig zijn geweest in de [winkel] staat de formele bevoegdheid vast. De burgemeester is dus bevoegd tot sluiting van het bedrijfspand over te gaan.

Past de sluiting in het beleid van de burgemeester?

5.1.

De bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet biedt de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid gebruik te maken. Het is aan de bestuursrechter in een (eventueel) bodemgeding om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

5.2.

De burgemeester heeft beleid vastgesteld.1 Volgens dit beleid wordt bij een eerste constatering van drugshandel ten aanzien van harddrugs in voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals winkels) het pand gesloten voor de duur van minimaal 12 maanden. In de beleidsregels wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van drugs in een pand en de daarbij behorende erven.

5.3.

De burgemeester beslist volgens de beleidsregels. Hij kan echter op basis van feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de maatregelen zoals deze zijn vastgesteld in het beleid. Dat heeft de burgemeester in dit geval ook gedaan, door ervoor te kiezen het pand niet voor 12, maar voor twee maanden te sluiten. De sluiting past op zichzelf dus binnen het beleid.

Had de burgemeester reden moeten zien om (verder) van dit beleid af te wijken?

6.1.

De burgemeester moet bij het nemen van een besluit een nadere beoordeling maken. Daarbij moet hij alle omstandigheden van het geval betrekken en bezien of er bijzondere omstandigheden zijn als gevolg waarvan de sluiting van het pand onevenredig is in verhouding tot de belangen die het beleid moet dienen.

6.2.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester terecht gesteld dat de sluiting van het pand noodzakelijk is. Daarbij zijn de aard, ernst en omvang van hetgeen aan de sluiting ten grondslag is gelegd van belang. De voorzieningenrechter stelt ten eerste vast dat het vaker is voorgekomen dat er harddrugs aanwezig zijn geweest in de [winkel]. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt immers dat de ex-echtgenoot van verzoekster tegenover de politie heeft verklaard dat er vaker drugs zijn afgeleverd via de [winkel]. De ex-echtgenoot heeft het volgende verklaard: “U houdt me voor dat de laatste grote levering bij de [winkel] is afgegeven en vraagt me hoe dat eerdere keren is gedaan. Die werden ook bij de [winkel] afgegeven.” Uit deze verklaring, in samenhang met de verklaring van de ex-echtgenoot dat hij in drugs handelt sinds de cryptokaart actief was (vanaf 12 november 2016), blijkt dat de [winkel] al langere tijd een schakel was in een drugsketen waarbij de ex-echtgenoot van verzoekster betrokken was.

6.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de aard en de ernst van de verweten gedragingen zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van verzoekster. Er was geen sprake van een eenmalige gebeurtenis maar van handel in harddrugs tijdens een langere periode, waarbij de [winkel] gebruikt werd als dekmantel in de keten van distributie en handel in harddrugs. Het belang van de sluiting is gelegen in het geven van een signaal aan alle betrokken personen dat er een einde moet komen aan de drugshandel via de [winkel]. Van zwaarwegend belang is daarbij dat de [winkel] een openbare functie heeft, als officieel afleverpunt van pakketten en brieven geldt, en gelegen is in de buurt van winkels, een school en een kinderdagverblijf.

6.4.

Weliswaar is veel tijd verstreken tussen de vondst van de drugs en het besluit van de burgemeester, maar dit betekent niet dat de sluiting niet meer noodzakelijk is. De burgemeester heeft hierover toegelicht dat nader onderzoek nodig was en dat hij zich nader heeft moeten laten informeren over de te nemen stappen. Gelet op de aard, ernst en omvang van de overtreding acht de voorzieningenrechter het tijdsverloop niet zodanig dat de burgemeester van handhavend optreden had moeten afzien.

6.5.

De sluiting van het pand moet niet alleen noodzakelijk zijn, maar ook evenredig. Daarbij is van belang dat de burgemeester, gelet op de omstandigheden en de situatie van verzoekster, al besloten heeft om het pand niet voor 12, maar voor twee maanden te sluiten en voor de woning te volstaan met een waarschuwing.

6.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een sluiting van het pand voor de duur van twee maanden niet onevenredig is. Voor zover verzoekster heeft verklaard dat zij van niets wist en dat zij alle banden met haar echtgenoot heeft verbroken geldt dat ter zitting is gebleken dat hij nog altijd bij verzoekster en hun kinderen in de woning woont, dat hij verzoekster ook helpt met de omzetcijfers en dat hij een dag voor de zitting een toelichting heeft gegeven aan de gemachtigde van verzoekster. Voor de beoordeling van de evenredigheid is bovendien niet doorslaggevend of verzoekster heeft geweten van de drugshandel. Het gaat er immers om dat de [winkel] hiermee in verband is gebracht. Het door verzoekster gestelde financiële nadeel is ook niet zodanig dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Verzoekster heeft immers niet met stukken onderbouwd en niet is gebleken dat faillissement dreigt of dat haar verhuurder of [winkel] het contract met haar zullen opzeggen.

Is sprake van een criminal charge?

7. Een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel wordt naar nationaal recht gekwalificeerd als een bestuurlijke maatregel en niet als een punitieve sanctie. De toepassing van bestuursdwang is in het algemeen bedoeld om een overtreding te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. In dit geval gaat het er dan om de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs in de [winkel] een halt toe te roepen en de negatieve effecten van drugshandel, onder meer bezien vanuit het perspectief van de openbare orde, tegen te gaan. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel van sluiting voor de duur van twee maanden – terwijl uitgangspunt in het beleid 12 maanden is – zodanig zwaar is dat deze daardoor gericht is op het toevoegen van leed. Van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is dan ook geen sprake.

Conclusie

8. Het besluit zal naar verwachting in bezwaar in stand blijven. Dit betekent dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening en dat het verzoek om schorsing van het besluit wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 4 februari 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeenten basisteam Veluwe Noord.