Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6654

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
05.142550.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 28 mei 2020 is er in een loods in Ermelo een partij van 205 kilo hennep aangetroffen. Verdachte was één van de personen die bezig waren om de hennep in dozen te stoppen.

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat de hennep naar het buitenland vervoerd zou gaan worden en heeft daarom een gevangenisstraf van 24 maanden gevorderd.

De rechtbank acht niet bewezen dat de hennep naar het buitenland vervoerd zou gaan worden. Daarover is tijdens het onderzoek geen duidelijkheid verkregen. Om die reden is aan verdachte een lagere gevangenisstraf opgelegd dan de officier van justitie heeft gevorderd, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.142550.20

Datum uitspraak : 17 december 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [detentieadres] .

Raadsman: mr. R.P. Eefting, advocaat in Assen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op 10 september 2020 en 3 december 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en/of lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van (ongeveer) 205 kilo (gedroogde) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben hij, verdachte(n), opzettelijk

- vorengenoemde hoeveelheid hennep verpakt/geseald en/of (vervolgens) in kartonnen dozen heeft/hebben ingepakt en/of

- een voertuig (voorzien van een Spaans kenteken) gereed gemaakt om de hennep in te laden en/of (vervolgens) naar het buitenland (vermoedelijk naar Spanje) te brengen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad een groot een hoeveelheid van (ongeveer) 205 kilo (gedroogde) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat algehele vrijspraak dient te volgen.

Er is geen bewijs dat de aangetroffen hennep bestemd was voor uitvoer naar het buitenland, zoals primair ten laste is gelegd. Verder ontkent verdachte iedere vorm van wetenschap dat er hennep in de loods aanwezig was, zodat niet bewezen kan worden dat hij de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Op 28 mei 2020 om 17.00 uur is verdachte aangehouden in een loods op het adres [adres 2] te Ermelo. In de loods waren op dat moment vier personen aanwezig en lag een groot aantal sealbags met een groene substantie, die voor de verbalisant herkenbaar was als hennep. Deze sealbags werden verpakt in kartonnen dozen. De taakaccenthouder hennep van het politieteam Veluwe-West heeft de inhoud van de sealbags herkend als de henneptoppen van vrouwelijke hennepplanten, die staan op lijst II van de Opiumwet.2 In totaal zijn 205 zakken met henneptoppen aangetroffen. Per aangetroffen zak bleek er 1.000 gram te zijn verpakt en het totaal bleek 205 kilo gedroogde henneptoppen te zijn.3

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij door een zekere [naam 1] , die hij kent vanuit een café in Hoogezand, is gevraagd om dozen te kopen, die naar Ermelo te brengen en daar in elkaar te vouwen. Hij heeft van die [naam 1] een bedrag van € 1.000,-- gekregen om een busje te huren en dozen te kopen. Voor het vouwen van de dozen zou hij € 300,-- krijgen. Hij heeft van [naam 1] een adres in Ermelo doorgekregen waar hij moest wachten om opgehaald te worden. Dat adres was in de buurt van de loods. Hij is opgehaald door iemand die hij niet kende en is achter die persoon aangereden naar de loods waar hij de dozen heeft gevouwen. Dat waren veel dozen. De gevouwen dozen werden van hem aangepakt. In de loods heeft hij in totaal vijf personen gezien, dat is inclusief de man die uiteindelijk is gevlucht voor de politie en de twee Spanjaarden die met de vrachtauto daar kwamen.4

[naam 2] heeft verklaard dat hij, toen hij en zijn collega [naam 3] in de loods kwamen, drie mensen bezig zag met dozen. Zij waren plastic verpakkingen in de kartonnen dozen aan het stoppen. Dat voelde niet goed en hij zei tegen zijn collega dat zij beter weg konden gaan.5

Uit de verkregen track en trace gegevens blijkt dat de bestelbus waar verdachte die dag mee reed om 15.17 uur arriveerde op het adres [adres 2] .6

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte van een kennis met de naam [naam 1] opdracht heeft gekregen om vanuit Hoogezand naar Ermelo te gaan om daar in een loods dozen te gaan vouwen. Verdachte heeft een adres in Ermelo gekregen, is daar opgehaald en is naar de loods gereden. Verdachte is daar langere tijd werkzaam geweest, namelijk vanaf kort na 15.17 uur tot het moment van zijn aanhouding, bijna twee uur later. Verdachte heeft verklaard dat er ook andere mannen bezig waren. [naam 2] heeft verklaard dat hij bij binnenkomst in de loods heeft gezien dat de mannen bezig waren plastic verpakkingen in dozen te stoppen. Diezelfde bezigheden beschrijft ook verbalisant [naam 4] in zijn proces-verbaal van bevindingen.7 De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte zich die middag langere tijd heeft bezig gehouden met het vouwen van dozen en het in dozen stoppen van gesealde verpakkingen en dat het ook voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat daar hennep in zat.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 28 mei 2020 in Ermelo samen met een of meer anderen bezig is geweest om een partij gesealde hennep van in totaal 205 kilo in dozen te stoppen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat het de bedoeling was de hennep naar het buitenland uit te voeren, zoals primair aan verdachte ten laste is gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat hiervoor geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is. Dat er op 28 mei 2020 een Spaanse vrachtwagen en uit Spanje afkomstige chauffeurs bij de loods aanwezig waren maakt dit niet anders. Uit niets blijkt dat de hennep met die vrachtwagen en door die personen naar het buitenland vervoerd zou gaan worden. Integendeel, tijdens het politieonderzoek is aan de hand van op meerdere dozen aangebrachte letters juist het vermoeden ontstaan dat de hennep naar locaties in Nederland vervoerd zou gaan worden.

Over de daadwerkelijke eindbestemming van de hennep is tijdens het onderzoek geen duidelijkheid verkregen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk het door verdachte samen met een of meer anderen opzettelijk aanwezig hebben van de hennep, wel bewezen. Gelet op de grote hoeveelheid hennep die is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van het opzettelijk aanwezig hebben in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad een groot een hoeveelheid van (ongeveer) 205 kilo (gedroogde) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.”

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij een veroordeling volgens de oriëntatiepunten van het LOVS dient te worden volstaan met oplegging van maximaal een gevangenisstraf van 12 maanden. Verdachte dient als first offender aangemerkt te worden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een enorm grote partij hennep. Deze partij werd ingepakt om elders afgeleverd te gaan worden. Een dergelijk feit speelt zich af in de wereld van criminaliteit die gekenmerkt wordt door criminele organisaties, intimidatie en geweld. Bovendien vormt het gebruik van hennep een gevaar voor de volksgezondheid. De rechtbank is van oordeel dat, met name gelet op de ernst van het feit en de hoeveelheid hennep, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De oriëntatiepunten van het LOVS noemen als uitgangspunt voor het aanwezig hebben van een dergelijke hoeveelheid en gewicht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. De rechtbank ziet geen reden van dat uitgangspunt af te wijken.

8 De beoordeling van het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd om het in beslaggenomen geldbedrag van € 522,60 verbeurd te verklaren.

De verdediging heeft zich hier niet over uitgelaten.

De rechtbank zal beslissen dat het geldbedrag dat aan verdachte toebehoort verbeurd wordt verklaard.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verklaart verbeurd het geldbedrag van € 522,60.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker, voorzitter, mr. D.S.M. Bak en mr. R.W.H. van Brandenburg, rechters, in tegenwoordigheid van A.B.M. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 december 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020317857 z, gesloten op 9 juli 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 146

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 147

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 december 2020

5 Proces-verbaal van verhoor van [naam 2] , p. 237

6 Verstrekte historische gegevens, p. 105

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 57