Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6652

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
8182133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieverplichtingen en (on)eerlijke bedingen; afwijzing restwaarde van in bruikleen verstrekte apparatuur en afwijzing afsluitkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8182133 \ CV EXPL 19-14401 \ 858

uitspraak van

verstekvonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap Ziggo Services B.V.

gevestigd te Utrecht

eisende partij

gemachtigde LAVG Groningen

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

Het procesverloop

De zaak is aanhangig gemaakt bij de aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende (kopie) dagvaarding met het hiervoor genoemde zaaknummer.

De eisende partij heeft veroordeling gevorderd van de gedaagde partij overeenkomstig het gestelde in de dagvaarding. De gedaagde partij is niet verschenen.

Bij tussenvonnis is de eisende partij bevolen om stellingen in de dagvaarding nader toe te lichten, zodat de kantonrechter in staat is om te beoordelen of de vordering onrechtmatig of ongegrond is en daarbij te beslissen of er aanleiding is om het Europees consumentenrecht ambtshalve toe te passen. De eisende partij heeft vervolgens bij akte op het tussenvonnis gereageerd.

Daarna is vonnis bepaald.

Beoordeling en beslissing

Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen de gedaagde partij verstek verleend.

Ambtshalve toetsing

Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding en de akte is de vordering (ambtshalve) getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

(Pre)contractuele informatieverplichtingen (algemeen)

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand dan wel buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Die overeenkomst betreft de levering van diensten door de handelaar aan de consument. Het betreft een duurovereenkomst. De looptijd van de overeenkomst is niet gesteld. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument worden voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m en 6:230t (voor overeenkomsten buiten de verkoopruimte) respectievelijk art. 6:230m en art. 6:230v (voor overeenkomsten op afstand) Burgerlijk Wetboek (BW). Kort gezegd bepaalt art. 6:230m BW welke informatie moet worden verstrekt en art. 6:230t respectievelijk art. 6:230v BW de wijze waarop die informatie moet worden gegeven. Eén en ander kan verschillen naar gelang de aard en de inhoud van de overeenkomst. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er op dat punt geen verweer is gevoerd.

Inhoud van de informatie

Volgens genoemde bepalingen moet de handelaar de consument voordat deze gebonden is aan de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over onder meer de voornaamste kenmerken van de zaak of dienst, de identiteit van de handelaar, waar en hoe de handelaar kan worden bereikt, de totale prijs en eventuele bijkomende kosten, de mogelijkheid van herroeping en de kosten van retournering. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat dit slechts een samenvatting is van de kern van deze bepalingen en dat handelaren gehouden zijn om de toepasselijke bepalingen steeds volledig na te leven. Verwezen wordt naar hetgeen in de genoemde bepalingen verder is vermeld. Afhankelijk van de aard van de overeenkomst wordt meer of minder informatie verlangd, maar in het algemeen kan worden gezegd dat ter zake de onderhavige overeenkomsten in ieder geval de informatie als bedoeld in art. 6:230m lid 1 sub a, b, c (met dien verstande dat ten minste (ook) het e-mailadres en/of telefoonnummer van de handelaar zijn verstrekt), e, h, i, o, p en – indien de aard van de overeenkomst daartoe aanleiding geeft – r en s essentiële (dat wil zeggen: cruciaal voor de wils- en besluitvorming van de consument) informatie betreft en dat die informatie dus zonder meer moet worden verstrekt.

Wijze van informeren

Wat de wijze van verstrekking van de informatie betreft kan de handelaar naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met het opnemen van die informatie in algemene voorwaarden. Tijdens het verkoopproces moet de consument stap voor stap langs deze informatie worden geleid, zodat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de gemiddelde consument deze informatie bewust onder ogen heeft gekregen. Het gebruik van ‘kleine lettertjes’, zo blijkt uit de Kamerstukken, is in dat verband niet aanvaardbaar.

In art. 6:230t respectievelijk art. 6:230v BW is (kort weergegeven - verwezen wordt nogmaals naar de inhoud van de bepalingen) bepaald dat de handelaar een afschrift of bevestiging van de overeenkomst (waaronder – indien van toepassing – de uitdrukkelijke, voorafgaande toestemming en de verklaring van de consument als bedoeld in art. 6:230p sub g BW), alsmede alle verlangde (pre)contractuele informatie op een duurzame gegevensdrager aan de consument moet verstrekken. Dit moet gebeuren voor of bij het sluiten van de overeenkomst of binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst, maar in ieder geval voordat de dienst wordt uitgevoerd. Een duurzame gegevensdrager kan een brief zijn, een e-mailbericht, een pdf-bestand of zelfs een factuur, op voorwaarde dat daarin alle informatie is opgenomen. Opname in algemene voorwaarden volstaat daarbij niet. Een persoonlijk account op de website van de handelaar valt daar in beginsel evenmin onder, omdat dat (behoudens andersluidende gemotiveerde stellingen) de mogelijkheid openlaat voor de handelaar om de informatie eenzijdig te wijzigen.

Overige verplichtingen van de handelaar

In aanvulling op het vorenstaande geldt op grond van art. 6:230s lid 5 BW (kort weergegeven) nog het volgende. De consument die een beroep op het herroepingsrecht heeft gedaan is geen kosten verschuldigd voor de uitvoering of levering tijdens de ontbindingstermijn als art. 6:230m lid 1 sub h of j BW jegens hem niet is nageleefd of als hij er niet uitdrukkelijk om heeft verzocht om al tijdens de ontbindingstermijn te beginnen met de levering van de diensten. Dit klemt te meer als moet worden geconcludeerd dat een verlenging van de ontbindingstermijn op grond van art. 6:230o BW aan de orde is. Ook dit punt moet de kantonrechter ambtshalve toetsen, zodat de voor die toetsing relevante gegevens voor hem beschikbaar moeten zijn als sprake is (geweest) van een herroeping door de consument.
Voorts geldt op grond van art. 6:230v lid 3 BW dat de handelaar zijn elektronisch bestelproces zodanig moet inrichten dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze (al dan niet via een bestelknop of –button) duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt, zulks op straffe van vernietigbaarheid van de overeenkomst. Ook over de voor de toetsing van dit punt relevante gegevens moet de kantonrechter beschikken.

Eisende partij moet stellen en onderbouwen

In geval van een gerechtelijke procedure moet de eisende partij stellen dat en hoe aan alle hiervoor genoemde verplichtingen is voldaan, zulks in ieder geval ten aanzien van de hiervoor besproken essentiële informatie en de onder het vorige kopje genoemde overige verplichtingen van de handelaar (indien van toepassing). Dat geldt niet alleen als de eisende partij zelf de dienstverlenende partij is, maar ook als de eisende partij via een cessie of anderszins in de rechten van de dienstverlenende partij is getreden.

Deze stellingen moeten bovendien worden gesubstantieerd en onderbouwende stukken moeten worden overgelegd. Kort gezegd, de eisende partij moet inzichtelijk maken wat de consument onder ogen heeft gekregen en heeft verklaard en dat daarmee aan de genoemde wettelijke verplichtingen is voldaan. Daartoe zijn in ieder geval van belang:

  • -

    een al dan niet in printscreens of uitdraai van een belscript vastgelegde (voorbeeld)weergave van het bestelproces dat de consument doorloopt, waarin overzichtelijk en duidelijk is aangegeven (zo nodig - zeker waar het omvangrijke stukken betreft - met behulp van arceringen of een nadere toelichting in de stellingen) hoe en waar de betreffende informatie is verstrekt en aan de eis van art. 6:230v lid 3 BW is voldaan. Als de bedoelde informatieverstrekking niet volgt uit de printscreens of het belscript, dan moet nader worden toegelicht en waar mogelijk met andere stukken worden onderbouwd dat en hoe de betreffende precontractuele verplichtingen dan wel zijn nageleefd;

  • -

    een kopie of afschrift van de in het concrete geval aan de gedaagde partij verstrekte duurzame gegevensdrager (een model of voorbeeld volstaat dus niet), waarin overzichtelijk en duidelijk is aangegeven (zo nodig - zeker waar het omvangrijke stukken betreft - met behulp van arceringen of een nadere toelichting in de stellingen) hoe en waar de betreffende informatie is verstrekt dan wel bevestigd. Een persoonlijk account op de website van de handelaar volstaat niet als niet ten minste is gesteld en onderbouwd dat geen eenzijdige wijziging door de handelaar van de daar vermelde gegevens kan plaatsvinden;

  • -

    de overeenkomst of (order)bevestiging;

  • -

    de volledige set toepasselijke algemene voorwaarden;

  • -

    (als sprake is (geweest) van een herroeping door de consument:) het uitdrukkelijke verzoek van de consument als bedoeld in art. 6:230t lid 3 en art. 6:230v lid 8 jo art. 6:230s lid 5 BW.

Als toereikende stellingen en/of onderbouwing ontbreken, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat niet aan de hiervoor genoemde verplichtingen is voldaan. Dat kan (verstrekkende) gevolgen hebben voor de toewijsbaarheid van de vordering.

(Pre)contractuele informatieverplichtingen (in deze procedure)

Op basis van wat de eisende partij in deze procedure heeft gesteld en onderbouwd, moet worden vastgesteld dat ten aanzien van in ieder geval de essentiële informatie niet (volledig) is voldaan aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen. Zo is niet, althans niet voldoende gesteld en onderbouwd dat (en hoe) gedaagde partij is gewezen op zijn herroepingsrecht ex artikel 6:230m lid 1 sub h BW. Dat de consument met betrekking tot dit herroepingsrecht informatie zelf kan vinden op de website van de eisende partij (onder ‘Klantenservice’ en vervolgens onder ‘bestelling’) is daarvoor onvoldoende. Voorts heeft de eisende partij geen kopie of afschrift van de in het concrete geval aan de gedaagde partij te verstrekken duurzame gegevensdrager overgelegd; de eisende partij heeft wel facturen overgelegd, maar daarin is niet alle in artikel 6:230m BW bedoelde informatie opgenomen. Ook geldt dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat en hoe de gedaagde partij voor het sluiten van de overeenkomst erop is gewezen dat ten aanzien van de aan hem verstrekte apparatuur (een mediabox en een modem) sprake zou zijn van bruikleen (welke bruikleen door de eisende partij is gesteld en door de gedaagde partij niet is weersproken). Vermelding van dergelijke essentialia in algemene voorwaarden volstaat niet. Daarmee is ten aanzien van dit (bruikleen-)deel van de overeenkomst niet voldaan aan artikel 6:230m lid 1 sub a BW. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de (pre)contractuele informatieverplichtingen op deze onderdelen niet zijn nageleefd.

De vraag is welke gevolgen dit voor de vordering moet hebben. Er is veel discussie, ook binnen de rechtspraak, over de vraag of en op welke wijze de naleving van de informatieverplichtingen moet worden getoetst en (bij niet naleving) moet worden gesanctioneerd. De wet geeft immers niet steeds een duidelijke sanctie op een schending van de diverse informatieverplichtingen. Dat heeft ertoe geleid dat het voor partijen en hun gemachtigden niet steeds voldoende helder was wat in een procedure van hen verlangd wordt met betrekking tot het stellen en substantiëren ten aanzien van de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daarom wordt aan eventuele tekortkomingen in deze zaak op dit moment geen sanctie verbonden.

Toekomstige procedures

Op basis van het bovenstaande moet nu voldoende duidelijk zijn wat in het kader van de wettelijke informatieverplichtingen ten aanzien van duurovereenkomsten en/of overeenkomsten tot dienstverlening wordt verwacht, zowel ten aanzien van het bestelproces als ten aanzien van de manier waarop een vordering op basis van koop op afstand of buiten de verkoopruimte moet worden onderbouwd. Zowel handelaren als hun rechtsopvolgers en gemachtigden mogen aldus in staat worden geacht om hun werk(proces) daarop in te richten. De kantonrechter gaat ervan uit dat de daarvoor eventueel benodigde aanpassingen voor het eind van dit jaar gerealiseerd zullen zijn.

Het niet voldoen aan de hierboven besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen zal bij dagvaardingen die op of na 1 april 2021 nieuw worden aangebracht volledig worden gesanctioneerd. In tegenstelling tot het onderhavige vonnis zullen in dagvaardingen die op of na 1 april 2021 nieuw worden aangebracht dus wel sancties worden verbonden aan het niet voldoen aan de genoemde verplichtingen. Afgezien van de specifieke sancties die de wet op enkele van de informatieverplichtingen stelt, zal de (al dan niet partiële) vernietiging van de overeenkomst het uitgangspunt zijn bij schending van de informatieverplichtingen ten aanzien van informatie die hiervoor als essentieel is aangemerkt. Deze informatie is immers cruciaal voor de wils- en besluitvorming van de consument en zeker bij overeenkomsten als de onderhavige, die een langere looptijd kennen, is het van belang dat de consument zowel voor het sluiten van de overeenkomst als tijdens (en na) de looptijd over de betreffende informatie beschikt.

Het is aan de eisende partijen en hun gemachtigden om te bepalen of en hoe zij na 1 april 2021 procedures aanhangig wensen te maken. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het hen waar nodig uiteraard vrij staat om in toekomstige procedures de (al dan niet voorwaardelijke) vorderingen en grondslagen te wijzigen of aan te vullen en daarbij op voorhand rekening te houden met een eventuele vernietiging en de terugwerkende kracht en verdere gevolgen daarvan.

Verdere beoordeling van de vordering

Geen aanleiding bestaat te vermoeden dat de vordering ten aanzien van de gevorderde abonnementsgelden onrechtmatig of ongegrond is. Daarbij is van belang de omstandigheid dat de gedaagde partij de diensten kennelijk zonder commentaar heeft aanvaard dan wel genoten. De vordering op dit punt wordt daarom toegewezen.

Ten aanzien van één of meer onderdelen van haar vordering beroept de eisende partij zich op haar toepasselijke algemene voorwaarden. Nu deze procedure als gezegd een overeenkomst tussen een handelaar en een consument betreft, moet de kantonrechter op grond van vaste rechtspraak zo nodig ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt dat een beding als oneerlijk wordt beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter moet deze toets (onder andere) verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval. Artikel 5 van de richtlijn bepaalt voorts: “In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. (...)”.

De eisende partij heeft zich, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de betreffende bedingen.

De eisende partij beroept zich ten aanzien van de restwaarde van de aan de gedaagde partij in bruikleen verstrekte apparatuur op artikel 10 lid 4 van de algemene voorwaarden, maar de kantonrechter begrijpt dat artikel 4 lid 10 is bedoeld. Of dit beding (on)eerlijk is kan echter in het midden blijven. Uit het beding zelf volgt immers niet de omvang van het gevorderde bedrag aan restwaarde en het bedrag is ook anderszins onvoldoende onderbouwd. Het gevorderde bedrag aan restwaarde wordt reeds om die reden afgewezen.

Ten aanzien van de mede gevorderde afsluitkosten beroept de eisende partij zich op artikel 5.2 uit haar algemene voorwaarden.

In dat artikel staat onder meer:

“Komt u een verplichting uit de overeenkomst niet na? Dan kan Ziggo (…)

 extra kosten bij u in rekening brengen; (…)”


Uit dit beding volgt niet duidelijk of en in welke gevallen de consument kosten in rekening worden gebracht, terwijl bovendien niet duidelijk is dat met de in het beding genoemde kosten (ook) afsluitkosten zijn bedoeld. Het beding is daarmee niet duidelijk en begrijpelijk opgesteld, zoals vereist volgens art. 5 Richtlijn 93/13 EG. Gelet hierop wordt het beding als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd voor zover het ziet op de gevorderde afsluitkosten. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde afsluitkosten. Omdat geen andere grondslag voor de afsluitkosten is gesteld of gebleken, worden de afsluitkosten ad € 20,00 afgewezen.

Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter als volgt.

De eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat de gedaagde is aangemaand overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 40,00, die lager zijn dan de gebruikelijke en redelijke tarieven – zijn daarom in beginsel toewijsbaar.

De eisende partij heeft tweemaal € 25,00 aan incassokosten in rekening gebracht (factuurdatum 14 november 2018 en 14 februari 2019) en zij heeft eenmaal € 25,00 gecrediteerd. De eisende partij stelt dat de (credit)factuur van 14 november 2018 reeds is voldaan en daarom geen deel uitmaakt van de vordering, maar dat doet er niet aan af dat de daarop vermelde incassokosten, die worden geacht te zijn begrepen in de toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten, alsnog gecrediteerd hadden moeten worden. Dit heeft de eisende partij niet gedaan. Daarom wordt aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen een bedrag van € 15,00.

Gelet op de uitkomst van de procedure, compenseert de kantonrechter de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De kantonrechter verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op