Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6549

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
376511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Internationale rechtsmacht. Zekerheid stellen voor proceskosten. Art. 224 Rv. Vordering afgewezen, want directe betaling geldsom is geen zekerheid ex art. 6:51 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/376511 / HA ZA 20-528 546 / 1496

Vonnis in incident van 2 december 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PINARCI PORT EQUIPMENT B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A. Kara te Maastricht,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

AL-DAR INTERNATIONAL FZE.,

gevestigd te Sharjah, Verenigde Arabische Emiraten,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.M. Wolfs te Maastricht.

Partijen zullen hierna Pinarci en Al-Dar genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van Al-Dar van 2 juni 2020,

  • -

    de verzetdagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot zekerheidstelling ex art. 224 Rv en voorwaardelijke eis in reconventie van 7 september 2020, van Pinarci,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van Al-Dar.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

De hoofdzaak betreft een vordering van Al-Dar tot terugbetaling van een door Al-Dar verrichte aanbetaling aan Pinarci van € 77.000,00 voor de levering door Pinarci, ingevolge een daartoe tussen partijen gesloten overeenkomst, van twee kranen voor het laden en lossen van vrachtschepen. Levering heeft niet plaatsgevonden en ook in andere zin is aan de overeenkomst geen gevolg gegeven. Tussen partijen is in geschil wat en wie tot de beëindiging van de overeenkomst – door wederzijds goedvinden dan wel ontbinding – aanleiding heeft gegeven en wat de gevolgen daarvan zijn voor wat betreft de hiervoor vermelde aanbetaling en voor de door ieder van partijen gestelde aansprakelijkheid voor schade in dat verband. Daarbij voert Pinarci als eerste het verweer dat de overeenkomst niet is gesloten met Al-Dar, maar met een aan haar gelieerde, in Irak gevestigde vennootschap.

2.2.

Voordat de rechtbank een oordeel kan geven in dit incident, dient zij te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak. In het internationaal privaatrecht wordt aangeknoopt bij de woonplaats van de gedaagde om te bepalen of de rechter rechtsmacht heeft. De rechtbank dient te bepalen wie gedaagde in deze procedure is. Pinarci is in verzet gekomen tegen het vonnis van 15 juli 2020 van de rechtbank Gelderland met zaak- en rolnummer C/05/371691 / HA ZA 20-344. Wat het gevolg is van dit verzet dient te worden bepaald met toepassing van Nederlands recht, nu dit betrekking heeft op de wijze van procederen voor de Nederlandse rechter (art. 10:3 BW). Artikel 147 Rv bepaalt dat verzet de instantie heropent en dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. Dat betekent dat in deze procedure Pinarci gedaagde is, nu zij als eerste is opgeroepen bij dagvaarding van 2 juni 2020 door Al-Dar. Omdat Pinarci woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat van de EU, namelijk Nederland, is van toepassing Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: EEX-vo). In art. 4 lid 1 EEX-vo is bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Omdat Pinarci in Nederland is gevestigd dient zij dus te worden opgeroepen voor een gerecht in Nederland zoals in de verstekzaak ook is gebeurd. De rechtbank heeft dus rechtsmacht in deze zaak.

2.3.

Pinarci vordert in dit incident dat Al-Dar wordt veroordeeld tot betaling van

€ 15.000,00 tot zekerheid voor de betaling van alle proceskosten, schaden en rente, waarin en waartoe Al-Dar veroordeeld kan worden. Daartoe voert Pinarci het volgende aan. Al-Dar is een vennootschap naar buitenlands recht en is gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten. Op grond van art. 224 Rv is Al-Dar gehouden om zekerheid te stellen voor proceskosten en schade.

2.4.

Al-Dar betoogt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

2.5.

De vordering in incident dient te worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu zij betrekking heeft op de wijze van procederen voor de Nederlandse rechter (art. 10:3 BW). In art. 224 Rv is bepaald dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Ook degene die verzet instelt tegen een verstekuitspraak kan een vordering op grond van dit artikel instellen tegen de oorspronkelijk eiser zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland.

2.6.

De beoordeling is nu als volgt. De vordering betreft een vordering tot betaling en niet een tot het stellen van zekerheid. Onder zekerheid moet ingevolge art. 6:51 BW lid 2 BW worden verstaan een dekking waarop de schuldeiser zonder moeite verhaal kan nemen. Gebruikelijk is een bankgarantie. De vordering van Pinarci is niet op het stellen van zodanige zekerheid gericht. Wat niet is gevorderd, kan niet worden toegewezen. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

2.7.

Pinarci zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Al-Dar begroot op € 543,00 (2 punten x tarief II).

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.3.

In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

3.4.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. De mondelinge behandeling eindigt met een aantal formaliteiten.

3.5.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de vordering af,

4.2.

veroordeelt Pinarci in de kosten van de procedure, aan de zijde van Al-Dar begroot op € 543,00,

4.3.

verklaart het onder 4.2. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

beveelt een mondelinge behandeling op de terechtzitting van mr. J.R. Veerman in het Stadstheater te Arnhem aan de Velperbinnensingel 10 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

4.5.

bepaalt dat partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

4.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 december 2020 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari 2021 tot en met juli 2021, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

4.7.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

4.8.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

4.9.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

4.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2020.