Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6510

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
376955
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Burgerlijk procesrecht. Tot onbevoegdheid, afgifte van stukken en oproeping in vrijwaring strekkende incidenten worden afgewezen. Dat de forumkeuze op het geschil in kwestie ziet is onvoldoende gebleken. In het 843a Rv incident kan het bestaan van een rechtsbetrekking in de zin van HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 niet worden vastgesteld. Dat de in vrijwaring op te roepen partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gewaarborgde in de hoofdzaak te dragen is onvoldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/376955 / HA ZA 20-547

Vonnis in incidenten van 9 december 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te Nigtevecht, gemeente Stichtse Vecht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

advocaat mr. P.C.M. Ouwens te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DISQ MOBILE GYM INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DISQ MOBILE GYM HOLDING B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JACH HOLDING B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHUBOEK B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in de incidenten,

advocaat mr. V.H.B. Kruit te Utrecht.

Partijen zullen hierna enerzijds WMM en anderzijds International, Holding, Jach, [gedaagde 4] , Schuboek en [gedaagde 6] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, exhibitie van bescheiden en oproeping in vrijwaring

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De beoordeling in het bevoegdheidsincident

2.1.

Op 13 september 2018 is Disq Mobile Gym Nederland B.V. (verder te noemen: DMG) door WMM en Holding opgericht. WMM en Holding houden ieder de helft van de aandelen in DMG. Op 11 september 2018 hebben WMM, Holding en DMG i.o., een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. De daarvan opgemaakte akte vermeldt onder meer het volgende.

Uitgangspunten:

(…)

• de Vennootschap stelt zich volgens haar statuten ten doel om een online gezondheidsplatform en online personal training en coaching concept te initiëren en te exploiteren, mede met behulp van en op basis van de DISQ-apparatuur, alsmede het inkopen, verkopen en vermarkten van de DISQ-apparatuur en het publiceren van gezondheids- en voedingsboeken en aanverwante online content;

(…)

Komen overeen als volgt:

(…)

TOEPASSELIJK RECHT EN GESCHILLEN

Artikel 17.

(…)

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 11 (Impasse) zullen alle geschillen, die mochten ontstaan naar aanleiding van de Overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten, die daarvan het gevolg mochten zijn, worden beslecht door de rechtbank Amsterdam, tenzij de wet een andere wijze van geschilbeslechting voorschrijft.

2.2.

Statutair bestuurders van DMG waren destijds enerzijds WMM en anderzijds Holding. Holding werd bestuurd door Jach en Jach door [gedaagde 4] . Holding is bestuurder en enig aandeelhouder van International. Bestuurder van International is [gedaagde 4] .

2.3.

De bestuurder en enig aandeelhouder van Schubroek is [gedaagde 6] , de vader van [gedaagde 4] .

2.4.

International, Holding, Jach, [gedaagde 4] , Schuboek en [gedaagde 6] vorderen dat de rechtbank zich op de voet van art. 110 lid 2 Rv onbevoegd verklaart, vanwege het forumkeuzebeding in art. 17 lid 2 van de aandeelhoudersovereenkomst. WMM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.5.

Het forumkeuzebeding geldt slechts tussen de partijen bij de aandeelhoudersovereenkomst. Dat zijn, wat deze procedure betreft, WMM en Holding.

2.6.

WMM vordert in de hoofdzaak schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. Volgens WMM heeft [gedaagde 4] , in hoedanigheid van middellijk bestuurder van DMG jegens WMM onrechtmatig gehandeld door, kort gezegd, DMG onbevoegdelijk te vertegenwoordigen bij het aangaan van een geldlening met International en ook bij het tot zekerheid van deze geldlening vestigen van een pandrecht op de handelsvoorraad DISQ-apparatuur van DMG, vervolgens het pandrecht door International te laten uitwinnen en de verpande apparatuur voor een fractie van de marktwaarde executoriaal te laten verkopen aan Schubroek.

2.7.

Het verwijt dat WMM Holding maakt is dus niet zozeer gelegen in haar aandeelhouderschap van DMG, maar veeleer in de wijze waarop zij invulling heeft gegeven aan haar taak als bestuurder van DMG. Daarom ligt niet voor de hand de procedure tegen Holding te beschouwen als een geschil dat is ontstaan naar aanleiding van de aandeelhoudersovereenkomst of van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg zijn.

2.8.

Niet ondenkbaar is dat de procedure tegen Holding, na uitleg van (art. 17 lid 2 van) de aandeelhoudersovereenkomst, wel onder de reikwijdte van het forumkeuzebeding te brengen valt, maar daartoe hadden International, Holding, Jach, [gedaagde 4] , Schuboek en [gedaagde 6] in hun incidentele conclusie dan de nodige feiten en omstandigheden moeten stellen. Dat hebben zij niet gedaan. Het is gebleven bij de enkele verwijzing naar het beding. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat het forumkeuzebeding uit de aandeelhoudersovereenkomst aan relatieve bevoegdheid van deze rechtbank in deze procedure in de weg staat. De vordering zal worden afgewezen.

2.9.

International, Holding, Jach, [gedaagde 4] , Schuboek en [gedaagde 6] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beoordeling in het exhibitie-incident

3.1.

De in 2.1. bedoelde aandeelhoudersovereenkomst tussen WMM en Holding (en DMG) vermeldt onder meer:

INTELLECTUELE EIGENDOM

Artikel 4

(…)

2. Alle intellectuele eigendomsrechten op het door de Vennootschap (DMG, rb) ontwikkelde online gezondheidsplatform en online personal training en coaching programma rusten bij de Vennootschap. Alle overige (al dan niet toekomstige) intellectuele eigendomsrechten, informatie en/of know how met betrekking tot het online gezondheidsplatform, zoals door de Vennootschap ontwikkeld of te ontwikkelen, vervaardigd of te vervaardigen of verkregen of te verkrijgen (anders dan op basis van een licentie), zullen toebehoren aan de Vennootschap.

(…)

ONTVLECHTING SAMENWERKING

Artikel 10

(…)

3. WM (WMM, rb) en de aan WM Gelieerde Ondernemingen verbinden zich jegens DMGH (Holding, rb), alsmede jegens de Vennootschap om, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van DMGH geen klanten en/of relaties van de Vennootschap (om welke reden dan ook) actief te benaderen, daarmee geen contacten te leggen en/of te onderhouden of hen op geen enkele andere wijze rechtsreeks of zijdelings te benaderen, anders dan binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening van de Vennootschap, en om geen klanten, werknemers, leveranciers of anderen ertoe te bewegen om contracten en/of contacten met de Vennootschap geheel of gedeeltelijk te verbreken. Het vorenstaande geldt gedurende de periode dat WM direct of indirect houder is van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap, alsmede tot en met 2 jaar daarna.

4. Partijen verbinden zich jegens elkaar, alsmede jegens de Vennootschap, dat zij (alleen of tezamen met een natuurlijk persoon, onderneming of rechtspersoon, hetzij direct of indirect, hetzij voor zichzelf of voor anderen, hetzij als Aandeelhouder, als partner, bestuurder, agent, manager, werknemer of adviseur van enige ander natuurlijke persoon, ondernemer, of rechtspersoon) in generlei vorm werkzaam of betrokken zal zijn bij activiteiten, anders dan na verkregen toestemming van de mede aandeelhouder(s), die gelijk zijn aan of anderszins concurrerend zijn met de activiteiten die van tijd tot tijd door de Vennootschap en haar deelnemingen worden ontplooid, waaronder mede doch niet uitsluitend wordt verstaan het verrichten van fitness – en/of gezondheidsactiviteiten en/of het aanbieden van gezondheidsproducten en artikelen. Het vorenstaande geldt zowel gedurende de periode dat een Partij direct of indirect houder is van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap, alsmede tot en met 1 jaar daarna.

3.2.

[naam bestuurder] , verder [naam bestuurder] , is middellijk bestuurder van WMM.

3.3.

Bij vonnis van 30 juni 2020 is DMG in staat van faillissement verklaard.

3.4.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] vorderen dat de rechtbank op de voet van art. 843a Rv en versterkt met een dwangsom WMM zal veroordelen om hun de volgende bescheiden ter beschikking te stellen:

- alle (schriftelijke) (e-mail)correspondentie en/of onderhandse akte(s) ter zake van de samenwerking met Talpa, dan wel de heer [naam] , dan wel aan Talpa gelieerde entiteiten, in de periode 2018 t/m 2020 in relatie tot het gezondheidsplatform en/of de exploitatie van de DISQ-apparatuur al dan niet in relatie tot de websites https://www. [naam website] / en/of https:// [naam website] , zoals onder meer verwoord in paragraaf 10 tot en met 12 van de incidentele conclusie;

- alle (schriftelijke) (e-mail)correspondentie en/of onderhandse akte(s) ter zake van de samenwerking met Plantina in de periode 2018 t/m 2020 in relatie tot het gezondheidsplatform en/of de exploitatie van de DISQ-apparatuur al dan niet in relatie tot de websites https://www. [naam website] / en/of https:// [naam website] , zoals onder meer verwoord in paragraaf 11 van de incidentele conclusie;

- alle (schriftelijke) (e-mail)correspondentie en/of onderhandse akte(s) ter zake van samenwerkingen met derden via het gezondheidsplatform en/of in relatie tot de DISQ-apparatuur op de website https:// [naam website] in de periode 2018 t/m 2020, zoals onder meer verwoord in paragraaf 10 tot en met 14 van de incidentele conclusie;

- alle (schriftelijke) (e-mail)correspondentie en/of onderhandse akte(s) ter zake van samenwerkingen met derden via het gezondheidsplatform en/of in relatie tot de DISQ-apparatuur op de website https://www. [naam website] / in 2020.

3.5.

WMM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.6.

Voor toewijzing van een exhibitievordering op grond van art. 843a Rv is onder meer vereist dat de te verstrekken bescheiden een rechtsbetrekking van de eisende partij aangaan.

3.7.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] wijzen in dit verband in de eerste plaats naar hun rechtsbetrekking met WMM, gelegen in de vorderingen in de hoofdzaak. Op zichzelf is juist dat een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv ook kan voortkomen uit onrechtmatige daad; de grondslag van de eis in de hoofdzaak. De bescheiden waarover International, Holding, Jach en [gedaagde 4] de beschikking willen krijgen hebben echter geen van alle betrekking op die gestelde onrechtmatige daad, kort gezegd het wegsluizen van activa van DMG door gedaagden. De in de hoofdzaak door WMM gestelde rechtsbetrekking kan dus niet de basis vormen voor de exhibitievordering.

3.8.

Verder beroepen International, Holding, Jach en [gedaagde 4] zich op een contractuele rechtsbetrekking tot WMM of een onrechtmatige daad van WMM jegens International, Holding, Jach en [gedaagde 4] , die daarin bestaat dat WMM in strijd met art. 4 lid 2, 10 lid 3 en 10 lid 4 van de aandeelhoudersovereenkomst, dan wel, zo begrijpt de rechtbank, op andere onrechtmatige wijze, in concurrentie is getreden met DMG. In dit verband geldt het volgende.

3.9.

Uit HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, volgt dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden zal dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal zal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. De rechter moet in staat zijn een evenwicht te vinden tussen het belang van de eiser om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van de verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is.

3.10.

Op zichzelf is duidelijk dat de aandeelhoudersovereenkomst voor WMM en Holding over en weer rechten en verplichtingen in het leven riep, zoals die waarop artikel 10 lid 3 en 4 zien. Niet ondenkbaar is bovendien dat WMM overigens onrechtmatig jegens International, Holding, Jach en [gedaagde 4] kan hebben gehandeld, zij het dat daarvoor ook aangenomen moet kunnen worden dat WMM weliswaar DMG de beweerdelijke concurrentie heeft aangedaan maar dat dit onrechtmatig is jegens International, Holding, Jach en [gedaagde 4] .

3.11.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] hebben ter zake van de schending van de ingeroepen bepalingen uit de aandeelhoudersovereenkomst gewezen op concrete feitelijke handelingen van [naam bestuurder] , zoals het verschijnen op de huishoudbeurs en in verschillende filmpjes op YouTube, op Instagram en op de websites [naam website] en [naam website] ; volgens hen door art. 10 lid 4 verboden activiteiten. Dat WMM in strijd heeft gehandeld met de ingeroepen bepalingen van de aandeelhoudersovereenkomst, hetgeen WMM betwist, komt daarmee echter niet uit de verf. Daarvoor moet aannemelijk zijn dat deze activiteiten in WMM werden verricht. International, Holding, Jach en [gedaagde 4] hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om dat aannemelijk te maken.

3.12.

Voldoende overtuigende feitelijke aanknopingspunten voor betrokkenheid van WMM hebben International, Holding, Jach en [gedaagde 4] ook overigens niet aangedragen.

Het enkele feit dat [naam bestuurder] middellijk bestuurder is van WMM is niet voldoende. Daarmee is immers niet gezegd dat WMM zich niet aan de afspraken hield, hetgeen WMM betwist. International, Holding, Jach en [gedaagde 4] verwijzen verder naar brieven van hun advocaat waarin onder meer WMM aansprakelijk is gesteld. Deze brieven bevatten echter geen nadere, concretere toelichting op de stellingen die zij in de incidentele conclusie hebben ingenomen. De stelling dat WMM met Talpa in zee is gegaan om met DMG concurrerende activiteiten te ontwikkelen hebben International, Holding, Jach en [gedaagde 4] alleen concreet onderbouwd met een verwijzing naar e-mailcorrespondentie en een zin in notulen van de aandeelhoudersvergadering van 27 september 2018, waaruit concreet volgt dat DMG samenwerking met onder meer Talpa beoogde, en voorts naar gegevens uit de jaarrekeningen van WMM, waaruit volgt dat de kortlopende schulden in 2019 ten opzichte van 2018 met een bedrag van € 413.530,00 zijn verminderd en dat het werkkapitaal en het eigen vermogen van WMM in 2019 ten opzichte van 2018 minder negatief zijn. Hiermee is echter allerminst aannemelijk gemaakt dat in WMM daadwerkelijk een met DMG concurrerende onderneming wordt gedreven. Voor het overige hebben International, Holding, Jach en [gedaagde 4] hun stellingen niet onderbouwd.

3.13.

Zeker nu afgifte wordt verlangd van een groot aantal bescheiden die bovendien, mochten zij bestaan, vertrouwelijk van aard zullen zijn, had van International, Holding, Jach en [gedaagde 4] een deugdelijker toelichting mogen worden verwacht. Bij deze stand van zaken kan daarom niet worden aangenomen dat de door International, Holding, Jach en/of [gedaagde 4] gestelde tekortkoming van WMM zich heeft voorgedaan in de in 3.9. bedoelde zin.

3.14.

Dat WMM, afgezien van de aandeelhoudersovereenkomst, onrechtmatig jegens International, Holding, Jach en [gedaagde 4] heeft gehandeld, stellen zij slechts terloops, zonder daarvoor een duidelijke feitelijke grondslag te geven en zonder voldoende erbij stil te staan dat International, Holding, Jach en [gedaagde 4] door de gestelde concurrentie met DMG niet rechtsreeks worden getroffen. Dat mocht wel van hen worden verwacht, gelet op de in 3.9. geduide maatstaf. Ook in dit verband is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat een rechtsbetrekking met WMM bestaat die de exhibitie van bescheiden rechtvaardigt.

3.15.

Ten slotte lijken International, Holding, Jach en [gedaagde 4] te stellen dat [naam bestuurder] hen onrechtmatig heeft beconcurreerd en verlangen zij van WMM afgifte van bescheiden aangaande deze rechtsbetrekking. Dat [naam bestuurder] geen partij is in deze procedure staat, anders dan WMM opwerpt, aan toewijzing van een exhibitievordering tegen WMM op zichzelf niet in de weg. Art. 843a Rv stelt immers niet de eis dat de rechtsbetrekking moet bestaan met de partij van wie afgifte van bescheiden wordt verlangd. Dan moet echter wel voldoende aannemelijk zijn – in de in 3.9. bedoelde zin – dat [naam bestuurder] onrechtmatig jegens International, Holding, Jach en [gedaagde 4] heeft gehandeld. In dit verband is het volgende van belang.

3.16.

Voor zover [naam bestuurder] zelf gebonden kan worden geacht aan art. 10 lid 3 en 4 van de aandeelhoudersovereenkomst en [naam bestuurder] de beweerdelijk concurrerende activiteiten niet pas heeft ontplooid nadat de curator WMM en haarzelf, zoals zij stelt, heeft ontslagen uit deze bedingen, geldt dat International, Holding, Jach en [gedaagde 4] , zoals gezegd, niet rechtstreeks worden getroffen door de onrechtmatige concurrentie die [naam bestuurder] DMG volgens hen heeft aangedaan, maar (slechts) in hoedanigheid van aandeelhouder en eventueel als (middellijk) bestuurder van DMG. Voor het aannemen van dergelijke aansprakelijkheid gelden strenge eisen. (Vergelijk HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 (Poot/ABP). Van International, Holding, Jach en [gedaagde 4] mocht daarom ook in dit verband een concrete en toegespitste toelichting worden verwacht. Die hebben zij niet verschaft. Ook deze gestelde rechtsbetrekking is zodoende niet voldoende aannemelijk geworden om WMM tot afgifte van bescheiden te veroordelen.

3.17.

De vorderingen zijn dus niet toewijsbaar. International, Holding, Jach en [gedaagde 4] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4 De beoordeling in het vrijwaringsincident

4.1.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] vorderen dat hun wordt toegestaan [naam bestuurder] in vrijwaring op te roepen. WMM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.2.

Voor toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat de waarborg krachtens zijn rechtsverhouding tot de gewaarborgde, ook al is deze van geheel andere aard dan die waarop de vordering in de hoofdzaak is gegrond, verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gewaarborgde in de hoofdzaak te dragen. (Zie HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0567.)

4.3.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] zullen dus ten minste moeten stellen dat tussen hen en [naam bestuurder] een rechtsverhouding bestaat die meebrengt dat [naam bestuurder] de nadelige gevolgen moet dragen van een veroordeling van International, Holding, Jach en/of [gedaagde 4] tot vergoeding van de schade die WMM lijdt als gevolg van het in 2.6. bedoelde beweerdelijk onrechtmatig handelen van International, Holding, Jach en/of [gedaagde 4] .

4.4.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] hebben echter ter toelichting op hun vordering alleen gesteld dat [naam bestuurder] jegens hen onrechtmatig handelt, dan wel tekort schiet in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst door in concurrentie te treden met de onderneming die in DMG werd gedreven. Een verplichting tot vrijwaring ter zake van de eis in de hoofdzaak brengen deze stellingen niet mee. De vordering zal worden afgewezen.

4.5.

International, Holding, Jach en [gedaagde 4] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, aan de zijde van WMM begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt International, Holding, Jach, [gedaagde 4] , Schuboek en [gedaagde 6] in de kosten van het bevoegdheidsincident, aan de zijde van WMM tot op heden begroot op € 543,00,

5.3.

veroordeelt International, Holding, Jach en [gedaagde 4] in de kosten van de exhibitie- en vrijwaringsincidenten, aan de zijde van WMM tot op heden begroot op in totaal € 543,00,

5.4.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 januari 2021 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer, mr. D.T. Boks en mr. S.J. Peerdeman, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.