Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6383

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
C/05/372640 / FA RK 20-2072
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Partijen staan onder bewind. Discussie of voor de behoefte aangesloten moet worden bij het weekgeld dat partijen destijds ontvingen vanuit de WSNP of bij hun inkomen. De man verzoekt bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met het zakgeld dat hij betaalt voor de kinderen. De rechtbank doet dat niet. De vrouw ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Het zakgeld zou dan namelijk ten laste van gemeenschapsgeld gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2021/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/372640 / FA RK 20-2072

Datum uitspraak: 24 november 2020

beschikking vaststelling kinderalimentatie

in de zaak van

[bewindvoerderskantoor 1] , gevestigd te Hengelo,

als bewindvoerder van [naam],

hierna te noemen de vrouw,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. C.H.J. Willemsen te Arnhem,

tegen

[bewindvoerderskantoor 2] , gevestigd te Enschede,

als bewindvoerder van [naam],

hierna te noemen de man,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. B.E.A. Lamping te Almelo.

1 De procedure

1.1.

Aangezien de goederen van de man en de vrouw onder bewind zijn gesteld, zijn de bewindvoerders de (beslissingsbevoegde) partijen in deze procedure en niet de man en de vrouw zelf. De advocaten hebben met instemming van de bewindvoerders geprocedeerd. Voor de leesbaarheid van deze beschikking zal de rechtbank de partijen wel aanduiden als de man en de vrouw.

1.2.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 25 juni 2020,

  • -

    het F9-formulier van de vrouw van 20 juli 2020,

  • -

    het verweerschrift van de man, binnengekomen op 24 augustus 2020,

  • -

    het F9-formulier van de man van 13 oktober 2020,

  • -

    het F9-formulier van de vrouw van 26 oktober 2020 met de volmacht van de bewindvoerder van de vrouw, ingekomen op 26 oktober 2020,

  • -

    het F9-formulier van de vrouw van 29 oktober 2020 met producties 18 tot en met 20,

  • -

    het F9-formulier van de man van 5 november 2020 met begrotingsoverzicht.

1.3.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 10 november 2020. De behandeling heeft plaatsgevonden via beeldbellen. Daarbij waren aanwezig de man, de vrouw en de advocaten. De bewindvoerders hebben een uitnodiging van de rechtbank ontvangen, maar zij zijn niet bij de behandeling aanwezig geweest.

1.4.

Aan mevrouw [naam] , ambulant begeleider van de man vanuit [instantie] , is bijzondere toegang verleend om bij de behandeling aanwezig te zijn.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Het huwelijk is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen hebben samen twee kinderen:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

2.3.

De kinderen wonen bij de moeder. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit.

2.4.

De (toekomstige) goederen van de vrouw en de man zijn onder bewind gesteld.

2.5.

Partijen zijn ten tijde van de echtscheiding geen kinderalimentatie overeengekomen, omdat zij op dat moment waren toegelaten tot de WSNP. Op dat moment was er geen draagkracht voor een bijdrage in de kosten van de kinderen. De man heeft de WSNP in december 2018 met een schone lei afgerond.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te bepalen dat de man met ingang van 1 april 2020, dan wel met ingang van datum indiening van het verzoekschrift, met € 115,50 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen,

  • -

    de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.2.

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en de door de man te betalen bijdrage met ingang van 25 juni 2020 op nihil te stellen.

4 De beoordeling

De ingangsdatum

4.1.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een bijdrage. De rechtbank zal de ingangsdatum niet vaststellen op 1 april 2020, zoals verzocht door de vrouw. Gelet op de beperkte financiële middelen van de man, acht de rechtbank extra terughoudendheid bij het vaststellen van een bijdrage over een periode uit het verleden hier op zijn plaats.

De behoefte van [kind 1] en [kind 2]

4.2.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.

4.3.

De vrouw stelt dat de behoefte van de kinderen in 2015 € 309,00 per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2020 is de behoefte van de kinderen € 335,00 per maand. Zij baseert de door haar gestelde behoefte op een netto besteedbaar inkomen van de man van € 1.469,00 per maand en een aanspraak op kindgebonden budget van € 163,00 per maand. Zij had zelf geen inkomen. De man stelt primair dat voor de behoefte van de kinderen moeten worden aangesloten bij het weekgeld dat partijen te besteden hadden toen zij uit elkaar gingen, te weten € 145,00 per week. Partijen konden het inkomen van de man, vanwege de WSNP, niet volledig besteden aan het gezin. Subsidiair sluit de man zich aan bij de behoefte zoals gesteld door de vrouw.

4.4.

De rechtbank zal uitgaan van een geïndexeerde behoefte van de kinderen van € 335,00 per maand. De rechtbank is van oordeel dat het inkomen van de man uit 2016 leidend dient te zijn. Partijen zaten namelijk niet de gehele relationele periode in de WSNP, zodat uitgaan van het te besteden weekgeld niet als maatstaf moet worden genomen voor de behoefte van de kinderen. De kinderen zijn namelijk niet alleen gewend geraakt aan het leven van weekgeld; dit was een tijdelijke uitzonderingssituatie.

De draagkracht van de ouders

4.5.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.

De draagkracht van de vrouw

4.6.

Partijen zijn het er over eens dat de vrouw geen draagkracht heeft, omdat zij op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank zal de vrouw als de verzorgende ouder dan ook geen draagkracht toekennen.

De draagkracht van de man

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de WW-uitkering van de man (op de ingangsdatum van de kinderalimentatie) € 1.847,44 per maand is te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De vrouw stelt echter dat de man een grotere verdiencapaciteit heeft en daarom moet worden uitgegaan van een fictief bruto jaarinkomen van € 26.000,00. Dat de man voldoet aan de sollicitatieverplichting voor behoud van zijn WW-uitkering betekent niet dat hij daarmee ook voldoende inspanningen verricht om te voldoen aan zijn onderhoudsverplichting voor zijn kinderen, aldus de vrouw. De man betwist dat rekening moet worden gehouden met verdiencapaciteit. De vrouw leeft immers zelf ook van een uitkering. De man is ziek geweest en heeft psychische klachten gehad. Hij voldoet aan zijn sollicitatieplicht en wordt hierin ook ondersteund door zijn bewindvoerder. Het is moeilijk om in deze periode een baan te vinden. De man stelt dan ook dat moet worden uitgegaan van zijn WW-uitkering.

4.8.

De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man aansluiten bij de hoogte van zijn WW-uitkering en de man geen fictief inkomen toekennen. Het is duidelijk dat er al langere tijd financiële problemen zijn. Zo is er sprake geweest van WSNP, psychische problemen en staan de goederen van de man onder bewind. De rechtbank heeft niet de indruk dat de man mogelijkheden onbenut laat om een nieuwe baan te vinden en dat van de man verwacht kan worden om een hoger inkomen te verwerven.

Reiskosten en zakgeld

4.9.

De man verzoekt rekening te houden met bijzondere lasten die ten koste gaan van zijn draagkracht. Het gaat om de reiskosten voor de zorgregeling en om het zakgeld dat hij voor de kinderen betaald. Het gaat daarbij om € 12,50 per kind per maand. Wanneer er geen rekening wordt gehouden met deze bijzondere lasten bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie, zal de man geen ruimte meer hebben om de kinderen zakgeld te betalen. Dit is niet in het belang van de kinderen. Te meer nu de vrouw en de kinderen van een hogere kinderalimentatie niet beter worden, omdat dit wordt verrekend met de bijstandsuitkering van de vrouw. De vrouw meent dat geen rekening moet worden gehouden met de reiskosten, omdat recent is afgesproken dat partijen het halen en brengen van de kinderen zullen delen. Beiden maken dus reiskosten voor de uitvoering van de zorgregeling. Zij meent voorts dat het zakgeld voor de kinderen geen last is die ten koste gaat van de hoogte van de kinderalimentatie en verwijst daarbij naar jurisprudentie.

4.10.

De rechtbank houdt geen rekening met de reiskosten voor de zorgregeling en het zakgeld voor de kinderen. Bij de vaststelling van de draagkracht wordt alleen rekening gehouden met noodzakelijke kosten die voorrang hebben boven de kinderalimentatie. De reiskosten en het zakgeld kunnen niet beschouwd worden als noodzakelijke of bijzondere lasten. Dat de vrouw en de kinderen hier niet beter van worden, maakt deze afweging niet anders. Wanneer de rechtbank wel rekening zou houden met deze kosten, zou het zakgeld en de reiskosten in wezen worden betaald vanuit gemeenschapsgeld en dat is niet de bedoeling. De rechtbank gunt het de kinderen, zeker gelet op hun leeftijd, dat zij zakgeld krijgen en op deze manier leren met geld om te gaan en een bedrag hebben om naar eigen inzicht te besteden. De rechtbank geeft de man dan ook mee om met zijn bewindvoerder te bespreken of er vanuit de vrije ruimte van de man toch een bedrag aan zakgeld voor de kinderen gevonden kan worden. Het systeem van berekenen laat hier verder geen ruimte, daar kan de man op zichzelf niets aan doen.

4.11.

Onder verwijzing naar de aangehechte draagkrachtberekening, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.460,00 per maand. Zijn draagkracht komt daarmee basis van de draagkrachttabel op € 87,00 per maand.

De verdeling van de kosten: de draagkrachtvergelijking

4.12.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. De vrouw heeft geen draagkracht en de draagkracht van de man is € 87,00 per maand. Dat is niet genoeg om in de kosten van de kinderen van € 335,00 per maand te voorzien. Dat betekent dat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

De zorgkorting

4.13.

Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat de kinderen bij hem verblijven. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.

4.14.

In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Het zou namelijk niet eerlijk zijn als de man de kosten die hij al voor de kinderen maakt mag aftrekken van de alimentatie, want daardoor komt het hele tekort op de schouders van de vrouw te rusten. In dit geval waarin zo’n groot tekort aan gezamenlijke draagkracht is, vindt de rechtbank het redelijk dat de man helemaal geen zorgkorting kan toepassen.

Conclusie

4.15.

Dit betekent dat de rechtbank de door de man te betalen bijdrage zal vaststellen op het maximum van zijn draagkracht, namelijk € 87,00 per maand. Dat komt neer op afgerond een bedrag van € 43,00 per kind per maand dat de man aan de vrouw dient te betalen.

De alimentatie moet vooruit worden betaald

4.16.

De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.17.

De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

Proceskosten

4.18.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij zijn of haar eigen kosten draagt. Dit is ook gebruikelijk in familierechtelijke procedures.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

beslist dat de man met ingang van 25 juni 2020 een bedrag van € 43,00 per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

5.2.

beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij zijn of haar eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.