Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:638

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4446 en 18_4447
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikkingen inkomstenbelasting 2002 tot en met 2013. Naar aanleiding van een informatieverzoek aan de fiscale autoriteiten van Jersey over onder meer een trust waarbij eiser is betrokken, stelt verweerder vragen aan eiser. Voor de jaren 2002 tot en met 2006 heeft verweerder zich al eens beroepen op het niet voldoen aan de informatieverplichtingen ter zake van dezelfde trust en is door de rechter in het ongelijk gesteld. Volgens eiser is er geen heffingsbelang omdat verweerder niet meer bevoegd is tot navorderen. De rechtbank stelt voorop dat in een procedure tegen een informatiebeschikking marginaal wordt getoetst of sprake is van het ontbreken van een nieuw feit of kwade trouw wat inhoudt dat moet kunnen worden vastgesteld dat dat zo is. Daarvan is in dit geval geen sprake; de informatie uit Jersey bevat voldoende aanwijzingen dat sprake is van een nieuw feit en kwade trouw kan evenmin worden uitgesloten. In dat laatste geval bestaat ook geen belemmering dat twee keer over hetzelfde feit wordt nagevorderd. Omdat Jersey een derde-land is, geldt voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn niet de eis van voortvarendheid. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-02-2020
FutD 2020-0640
V-N Vandaag 2020/475
NTFR 2020/897 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/4446 en 18/4447

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[X] , te [Q] , eiser

(gemachtigde: mr. [A] ),

en

verweerder van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende informatiebeschikkingen afgegeven voor op te leggen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV):

  • -

    met dagtekening 28 oktober 2015 over de jaren 2002 tot en met 2009 (zaaknummer AWB 18/4447);

  • -

    met dagtekening 22 januari 2016 over de jaren 2010 tot en met 2013 (zaaknummer AWB 18/4446).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 respectievelijk 19 oktober 2016 de beschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 23 november 2016, ontvangen door Rechtbank Noord-Holland op 25 november 2016 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 24 juli 2018 doorgestuurd naar de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde en mr. [B] . Namens verweerder is verschenen [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij akte van 22 april 1985 is The [D] (de trust) ingesteld. De trust is ingesteld naar het recht van het eiland Jersey en aldaar gevestigd. Eiser heeft de trust opgericht en vermogen onder het trustverband geplaatst (het trustvermogen). De beheerder (trustee) van de trust is [F] ( Jersey ) Limited. Tot het vermogen van de trust behoren de aandelen in [G] ( [G] ) en [H] ( [H] ).

2. [G] heeft in 1995 een woning, [adres 1] in [Q] , gekocht. Deze woning is vanaf 22 juni 1998 bewoond door eiser en wordt aan eiser verhuurd. [G] heeft op 16 oktober 2006 een andere woning verkregen, [adres 2] in [Q] . Eiser is vanaf deze datum ingeschreven op dat adres.

3. Bij de behandeling van de aanslagen IB/PVV 2002 tot en met 2006 en de bezwaren daartegen heeft verweerder aan eiser gevraagd de namen van de overige begunstigden bekend te maken en een nadere toelichting te geven op zijn betrokkenheid bij de trust, de bezittingen van de trust en de wijze waarop deze bezittingen zijn gewaardeerd.

4. Verweerder heeft bij de vaststelling van de aanslagen IB/PVV 2002 tot en met 2006 het (geschatte) vermogen van de trust toegerekend aan eiser. Op 27 januari 2011 heeft Rechtbank Haarlem1 de beroepen van eiser daartegen gegrond verklaard en geconcludeerd dat eiser, anders dan verweerder stelde, de informatieverplichtingen van artikel 47 en 49 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet heeft geschonden. Deze uitspraak is door Gerechtshof Amsterdam op 8 november 2012 bevestigd.2

5. In oktober 2014 heeft de Belastingdienst/Central Liaison Office (CLO) een verzoek om inlichtingen gedaan aan de fiscale autoriteiten van Jersey over de betrokkenheid van eiser bij de trust en [G] . Verweerder heeft daarin verzocht om informatie van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013. Daarnaast heeft verweerder ook verzocht om informatie van vóór die periode, dus van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey tot uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken op 1 maart 2008. De reden hiervoor is dat volgens het CLO sprake is van een "investigation or prosecution of criminal tax matters", door het CLO gespecificeerd als "Intentionally filing incorrect gift tax returns, inheritance tax returns and income tax returns regarding the years 2008 – 2012, by not mentioning the possession of foreign allocated funds is punishable under Section 69 of the General Tax Act".

6. Op 5 januari 2015 heeft CLO informatie ontvangen. Het gaat om jaarrekeningen, correspondentie tussen de trustee en eiser dan wel zijn gemachtigde, bankafschriften, de trustakte, stukken over de benoeming en uitsluiting van begunstigden en verschillende versies van de zogeheten ‘letters of wishes’. Deze informatie is op 15 januari 2015 doorgezonden naar de behandelend inspecteur.

7. Bij brief van 29 juni 2015 heeft verweerder voor de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en de aanslag IB/PVV 2013 aan eiser gevraagd stukken te overleggen en informatie te geven voor 30 juli 2015. De gevraagde informatie betreft onder meer de hoogte van de verkrijgingsprijs van [H] en [G] , jaarstukken van [H] en [G] , de aan [G] en [H] betaalde huurpenningen, buitenlandse bankrekeningen en genoten gebruikelijk loon uit [G] en [H] .

8. Bij brief van 3 juli 2015 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt navorderingsaanslagen IB/PVV te zullen opleggen over de jaren 2002 tot en met 2009. Gelet hierop heeft verweerder aan eiser gevraagd om voor 30 juli 2015 stukken te overleggen en informatie te geven. De gevraagde informatie betreft onder meer de aan [G] en [H] betaalde huurpenningen, betalingen tussen eiser en de trust, [G] en [H] , alle documenten die door het bestuur van de trust aan eiser en zijn gemachtigde zijn verstrekt, buitenlandse bankrekeningen en genoten gebruikelijk loon uit [G] en [H] .

9. Met dagtekening 28 oktober 2015 heeft verweerder een informatiebeschikking gegeven voor de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV 2002 tot en met 2009 met als reden dat eiser niet of niet volledig heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 47 en 49 van de AWR.

10. Op 22 januari 2016 heeft verweerder een informatiebeschikking gegeven voor de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en de aanslag IB/PVV 2013.

11. Eiser heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.

Geschil

12. In geschil is of de informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven. Eiser is van mening dat verweerder niet langer bevoegd is om de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen zodat ook geen informatiebeschikking kan worden gegeven. Daartoe voert eiser onder meer aan dat geen sprake is van een nieuw feit en dat ook geen sprake is van kwade trouw en dat het rechtszekerheidsbeginsel aan navordering in de weg staat in het geval een rechter over de opgelegde primitieve aanslagen al in het voordeel van de belastingplichtige heeft beslist. Ook heeft verweerder niet voortvarend gehandeld vanaf het moment dat er aanwijzingen waren over buitenlands vermogen zodat verweerder ook daarom niet meer kan navorderen. Eiser heeft ook gesteld dat het verzoek om informatie aan de autoriteiten van Jersey onjuiste informatie bevat en dat daarom sprake is van misbruik van bevoegdheid.

Beoordeling van het geschil

13. Een ieder is verplicht om door de inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen die van belang zijn voor zijn belastingheffing te verstrekken. Ook moet een ieder op verzoek aan de inspecteur de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan beschikbaar stellen als dat van belang kan zijn voor zijn belastingheffing (artikel 47, eerste lid, van de AWR).

14. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking aan de hiervoor genoemde verplichtingen niet of niet volledig wordt voldaan, kan de inspecteur dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de AWR vaststellen bij voor bezwaar vatbare informatiebeschikking. Als een informatiebeschikking onherroepelijk wordt, kan de bewijslast ten nadele van de belanghebbende worden omgekeerd en verzwaard (artikelen 25 en 27e van de AWR).

15. Voor het antwoord op de vraag of voor een belanghebbende een verplichting bestaat aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de door hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van deze belanghebbende. De bewijslast rust hierbij op de inspecteur.3

16. De rechtbank stelt vast dat de vragen van verweerder in wezen betrekking hebben op de vraag hoe de trust fiscaal moet worden gekwalificeerd en dan met name of de trust als transparant moet worden aangemerkt. Hiervoor is van belang om vast te stellen of eiser over het vermogen van de trust kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is. De rechtbank acht met hetgeen verweerder heeft aangevoerd – de hierboven in punt 6 vermelde gegevens afkomstig uit Jersey die dateren vanaf 1985 – het mogelijke heffingsbelang voor alle jaren aannemelijk gemaakt. Die gegevens bevatten namelijk aanwijzingen dat eiser, dan wel zijn gemachtigde, nauw betrokken zijn bij de trust en de trustee instructies geven over het beheer ervan en ook dat zij over méér gegevens konden beschikken dan zij eerder aan verweerder hebben aangeleverd.

17. Eiser heeft gesteld dat het CLO onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde van de autoriteiten van Jersey gegevens van vóór 2008 te verkrijgen, namelijk dat eiser een crimineel is. Hierdoor is het informatieverzoek onrechtmatig en mag verweerder zich dus niet beroepen op de hierdoor verkregen gegevens. De rechtbank stelt vast dat het CLO in het verzoek om informatie heeft aangegeven dat het doel van het informatieverzoek is onderzoek naar het strafbare feit van artikel 69 van de AWR en niet heeft aangegeven, zoals eiser lijkt te suggereren, dat eiser dat artikel daadwerkelijk heeft overtreden. Dat artikel stelt strafbaar het opzettelijk onjuist doen van aangifte. Verweerder heeft gesteld dat als sprake is van een situatie waarin de trust als transparant moet worden aangemerkt, niet valt uit te sluiten dat zal worden onderzocht of sprake is van overtreding van artikel 69 van de AWR wat betreft – in deze procedure relevant – de inkomstenbelasting. De rechtbank is het eens met deze stelling. Het informatieverzoek bevat in zoverre geen onjuiste informatie en de rechtbank benadrukt in dit verband dat daarin ook niet staat dat eiser een crimineel is.

18. Eiser heeft aangevoerd dat er geen heffingsbelang meer is omdat verweerder de bevoegdheid mist om (navorderings)aanslagen op te leggen. Met name heeft eiser erop gewezen dat verweerder al sinds 1994 op de hoogte is van het feit dat eiser bij een trust is betrokken en in de procedures over de jaren 2002 tot en met 2006 in het ongelijk is gesteld wat betreft de vraag of eiser aan zijn inlichtingenverplichtingen daaromtrent heeft voldaan.

19. De rechtbank onderschrijft dit betoog niet. De rechtbank stelt hierbij voorop dat in een procedure over een informatiebeschikking slechts marginaal wordt getoetst of verweerder bevoegd is om na te vorderen.4 Dit houdt in dat de informatiebeschikking alleen komt te vervallen als kan worden vastgesteld dat verweerder niet langer bevoegd is tot navordering. Daarvan is in dit geval geen sprake. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de informatie uit Jersey verweerder niet eerder ter beschikking heeft gestaan en bovendien dat op grond daarvan niet kan worden uitgesloten dat sprake is van kwade trouw bij eiser. Ook de vraag of sprake is van een ambtelijk verzuim aan de kant van verweerder kan in deze procedure slechts marginaal aan de orde komen en naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hieromtrent onvoldoende aangevoerd om vast te stellen dat daarvan sprake is. En omdat op voorhand kwade trouw niet kan worden uitgesloten, kan in deze procedure ook in het midden blijven welke invloed de oordelen van de Rechtbank Haarlem en het Gerechtshof Amsterdam hebben. In geval van kwade trouw kan namelijk nogmaals worden nagevorderd over hetzelfde feit.5

20. Eiser heeft er ook nog op gewezen dat bij de jaren waarvoor de verlengde navorderingstermijn geldt verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld zodat om die reden niet meer kan worden nagevorderd. De eis van voortvarendheid geldt echter niet in relatie tot derde-landen, zoals Jersey .6 Ook in zoverre bestaat geen beletsel voor verweerder om de informatie bij eiser op te vragen.

21. Eiser heeft voor het overige geen gronden gericht tegen de vragen zelf. Gelet hierop moet de conclusie zijn dat de informatiebeschikking in redelijkheid is afgegeven. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard. De rechtbank zal eiser een termijn stellen van zes weken vanaf de dag dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden om alsnog de verzochte informatie te verstrekken.

22. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    stelt een termijn vast van zes weken vanaf de dag dat deze uitspraak onherroepelijk

is geworden waarbinnen eiseres alsnog aan het informatieverzoek moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Jackson, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 ECLI:NL:RBHAA:2011:194

2 ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5802

3 Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498

4 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3533

5 Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1034

6 Hof van Justitie EU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119, en Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843.