Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6119

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
05/294175-19 + 99-000142-16 (herroeping VI)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man veroordeeld door de rechtbank tot een gevangenisstraf van 1 jaar en oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging voor poging zware mishandeling. Aanhoudingsverzoek afgewezen. Herroeping VI afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/294175-19 + 99-000142-16 (herroeping VI)

Datum uitspraak : 18 november 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] , z.v.w.o.v.p.

thans gedetineerd in de P.I. Arnhem te Arnhem,

raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 4 maart, 27 mei, 19 augustus en 4 november 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 december 2019 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met kracht naar de grond heeft getrokken en/of vervolgens die [slachtoffer] , terwijl zij op de grond lag, meermalen met kracht tegen haar gezicht en/of hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of haar hoofd eenmaal of meermalen met kracht tegen de grond heeft geslagen/getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 8 december 2019 te Arnhem [slachtoffer] heeft mishandeld door die

[slachtoffer] met kracht naar de grond te trekken en/of vervolgens die [slachtoffer] , terwijl zij op de grond lag, meermalen met kracht tegen haar gezicht en/of hoofd te stompen en/of te slaan en/of haar hoofd eenmaal of meermalen met kracht tegen de grond te slaan en/of trekken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aanhouding, p. 5-6;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-34;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 november 2020.

3. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 8 december 2019 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met kracht naar de grond heeft getrokken en/of vervolgens die [slachtoffer] , terwijl zij op de grond lag, meermalen met kracht tegen haar gezicht en/of hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of haar hoofd eenmaal of meermalen met kracht tegen de grond heeft geslagen/getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair:

Poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 28 oktober 2020, opgemaakt door [naam 1] , GZ-psycholoog, en van [naam 2] , psychiater.

Verdachte is gedurende 6 weken geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Hij heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek van het PBC. Ondanks de weigering van verdachte om met de onderzoekers in gesprek te gaan, zijn de psychiater en de psycholoog wel tot diagnostische conclusies gekomen. Op basis van de vele beschikbare informatie uit andere bronnen stellen de deskundigen vast dat er sprake is van een duurzaam patroon van hardnekkige, grotendeels eenduidige problematiek. Het huidige observatie onderzoek bevestigt dit patroon.

De deskundigen komen tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Het meest zichtbaar hierbij is een antisociaal gedragspatroon waarbij er sprake is van een gebrekkige gewetensvorming, problemen met de impulscontrole en agressieregulatie en gebrekkige empathische vermogens. Daarbij is vermoedelijk sprake van een onderliggende borderline structuur in de persoonlijkheid (bij de genoemde onderliggende hechtingsproblemen), waardoor verdachte vooral binnen (intieme) relaties in de problemen komt en er zeer vermoedelijk sprake is van onderliggende angst voor verlating. De persoonlijkheid van verdachte kon door de weigering om mee te werken aan het onderzoek niet verder uitgekristalliseerd worden.

Voorts is er volgens de deskundigen bij verdachte (zeer vermoedelijk) sprake van een stoornis in gebruik van zowel cannabis als alcohol. Voor beide middelen geldt dat verdachte deze gebruik zodra hij de kans krijgt, zelfs binnen detentie of als hij onder toezicht staat van de reclassering. Het gebruik van deze middelen is niet helemaal los te zien van de hierboven beschreven persoonlijkheidsstoornis, omdat verdachte deze middelen zeer vermoedelijk gebruikt als een inadequate manier om zijn problemen aan te gaan. Deze middelen spelen zowel een luxerende als faciliterende een rol bij de agressieve ontregelingen van verdachte, hoewel uit het milieuonderzoek blijkt dat verdachte ook zonder gebruik van deze middelen tot agressieve ontregelingen kan komen.

Verder zijn de deskundigen van mening dat een licht verstandelijke beperking voor de hand ligt, maar dat zij deze stoornis niet goed vast kunnen stellen, omdat de adaptieve vermogens van verdachte door de weigering niet nader konden worden onderzocht.

De geconstateerde stoornissen waren volgens de deskundigen aanwezig in de periode van het ten laste gelegde. Zij adviseren daarom het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank volgt de deskundigen in hun conclusies en neemt deze conclusies over.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend, zodat hij, zij het in verminderde mate, strafbaar is voor zijn daden.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft zij geëist dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling van overheidswege met dwangverpleging wordt opgelegd. Nader onderzoek naar een minder ingrijpende straf of maatregel vindt zij niet noodzakelijk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de zaak aan te houden om nader onderzoek te laten verrichten over de vraag of aan verdachte een minder ingrijpende straf of maatregel kan worden opgelegd dan TBS met dwangverpleging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 25 september 2020;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 10 en 20 december 2019 en 25 februari en 18 juni 2020;

- een Pro Justitia rapportage van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, van [naam 1] , GZ-psycholoog, en van [naam 2] , psychiater, gedateerd 28 oktober 2020.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn vriendin. Verdachte en zijn vriendin zijn in het centrum van Arnhem uit geweest. Op enig moment is een woordenwisseling ontstaan waarbij wordt getrokken en geduwd. Verdachte heeft vervolgens zijn vriendin naar de grond getrokken. Terwijl zij op de grond ligt heeft hij meermalen met zijn vuist met veel kracht op haar hoofd geslagen en haar hoofd meermalen met kracht tegen de grond geslagen Daarbij beweegt zelfs het gehele lichaam van het slachtoffer, door de verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken omschreven als ‘het hele lichaam van slachtoffer beweegt als een lappenpop’. De mate van geweld die op het slachtoffer is uitgeoefend is zeer fors. Het is dan ook niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer geen ernstig letsel aan het handelen van verdachte heeft overgehouden. Het feit vond plaats op de openbare weg en het geconfronteerd worden met een dergelijke mate van geweld zal de gemiddelde toeschouwer niet onberoerd laten. Dergelijke feiten zorgen dan ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij het slachtoffer en in de samenleving.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij diverse malen onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten, waaronder een veroordeling in 2012 tot een gevangenisstraf van 9 jaren voor onder meer tweemaal poging doodslag. Deze langdurige gevangenisstraf en ook andere opgelegde straffen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw een ernstig geweldsfeit te plegen. Bovendien is het feit gepleegd tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling van de eerder opgelegde gevangenisstraffen. De bijzondere voorwaarden die in dat kader zijn opgelegd hebben verdachte er evenmin van weerhouden om opnieuw in de fout te gaan.

De rechtbank neemt dit alles in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf.

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf noodzakelijk en geboden is, te weten een gevangenisstraf voor de duur van een jaar. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht.

TBS met dwangverpleging

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een maatregel dient te worden opgelegd ter beveiliging van de samenleving.

Zoals hiervoor met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte is weergegeven, hebben de deskundigen van het Pieter Baan Centrum geadviseerd verdachte, gezien de relatie tussen het ten laste gelegde en zijn pathologie, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde feit. Gezien het feit dat de gedragsproblemen van verdachte al vanaf de vroege jeugd aanwezig zijn en er sprake is van een zeer duurzaam patroon, schatten de deskundigen het recidiverisico in als heel hoog, ook op de korte termijn.

De deskundigen achten een langdurige behandeling noodzakelijk om tot gedragsverandering te komen. Deze behandeling zal klinisch moeten plaatsvinden in een strak kader, waarbij verdachte binnen een leefklimaat wordt behandeld waarbij hij (naast specifieke vormen van psychotherapie) dagelijks feedback krijgt op zijn gedrag, waardoor dit een lerende omgeving voor hem wordt. Er wordt verwacht dat er een lange adem nodig is voor verdachte om daadwerkelijk tot gedragsverandering te komen.

Vanwege deze benodigde intensiteit, het feit dat er sprake is van een hoog risico op recidive en omdat verdachte tot nu toe geen enkele motivatie toont voor behandeling, is er volgens de deskundigen niets anders mogelijk dan als kader een tbs maatregel met dwangverpleging van overheidswege te adviseren.

De deskundigen zijn van mening dat een voorwaardelijk kader – in het geval dat verdachte gemotiveerd is voor een behandeling – nog steeds lastig te realiseren is vanwege verdachtes impulsiviteit, beperkte frustratietolerantie, grote drang naar nabijheid van zijn vriendin en tevens zijn forse neiging tot middelengebruik. Verdachte heeft bovendien volgens de deskundigen, vanuit de vastgestelde pathologie, zeer waarschijnlijk, maar een heel beperkt zelfinzicht, waardoor het moeilijk zal zijn voor hem om eventuele motivatie langdurig vast te houden.

De deskundigen adviseren derhalve verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De rechtbank volgt de deskundigen in hun advies en neemt dit advies over.

Met de deskundigen is de rechtbank van dat het recidiverisico heel hoog is en zonder behandeling niet in voldoende mate kan worden verminderd. De rechtbank wijst daarbij ten eerste op het reclasseringsadvies van 18 juni 2020 waaruit volgt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met voorwaarden en/of toezicht de risico’s te beperken. De rechtbank overweegt verder dat verdachte in het verleden diverse malen de aan hem opgelegde voorwaarden heeft overtreden én diverse keren tijdens een proeftijd is gerecidiveerd. (Ook) het onderhavige feit heeft verdachte gepleegd terwijl hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld.

Uit het reclasseringsadvies van 25 februari 2020 blijkt dat eerder gedane pogingen in een ambulant kader steeds zijn gestagneerd of mislukt. Verdachte heeft er moeite mee om zich aan de voorwaarden te (blijven) houden, hetgeen de voortgang van de ingezette hulp bemoeilijkt. In dit kader is ook van belang dat de (meeste) door de deskundigen getrokken conclusies door verdachte niet worden herkend, althans, hij heeft aangegeven zich daarin niet te kunnen vinden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de deskundigen van oordeel dat het verdachte aan het benodigde zelfinzicht ontbreekt om een eventuele motivatie voor een (ambulante) behandeling langdurig vast te houden.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande dan ook geen enkel perspectief voor een ambulante behandeling in een voorwaardelijk kader en acht, met de deskundigen, een langdurige klinische behandeling noodzakelijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging proportioneel, mede gezien de ernst van het delict, de ernstige geweldsdelicten op het strafblad van verdachte en het hiervoor beschreven recidiverisico op nieuwe ernstige strafbare feiten met gevaar voor de veiligheid van anderen, indien de problematiek van verdachte onbehandeld blijft.

De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Het primair bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is, terwijl tijdens het begaan van dit feit bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank is verder van oordeel dat, mede gezien de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en dat verdachte van overheidswege dient te worden verpleegd.

Het primair bewezenverklaarde delict is een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. De terbeschikkingstelling wordt derhalve opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf als omschreven in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en is daardoor niet gemaximeerd tot een periode van vier jaar.

Afwijzing verzoek aanhouding t.b.v. verrichten nader onderzoek strafmodaliteit

De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om een nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag of aan verdachte een minder ingrijpende maatregel/straf kan worden opgelegd dan TBS met dwangverpleging. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum ruim voldoende is gemotiveerd om de getrokken conclusies en het daaruit voortvloeiden advies te kunnen dragen. Verdachte heeft tijdens het PBC onderzoek bovendien de gelegenheid gehad om mee te werken aan het onderzoek en derhalve ook de gelegenheid om zijn behandelmotivatie te kennen te geven. Ondanks dat herhaaldelijk aan verdachte te kennen is gegeven wat de consequenties van zijn weigering zijn, heeft hij hiervan afgezien. Gelet op de rapportage van het PBC, de reclasseringsadviezen en hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen grond het verzoek van de verdediging toe te wijzen. Het aanhoudingsverzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen.

7a. De beoordeling van de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij de stukken bevindt zich een vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI-nummer 99-000142-16). Verdachte is op 13 september 2012 bij vonnis van de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en op 13 december 2017 bij vonnis van de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Ten aanzien van deze straffen is op 27 juli 2018 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. Deze beslissing is op 2 juli 2018 aan verdachte betekend. De duur van de v.i.-periode bedroeg 1005 dagen, met een proeftijd van 1005 dagen. De voorwaardelijke invrijheidstelling is bij beslissing van 24 mei 2019 met 90 dagen herroepen. Het restant van de v.i.-periode bedraagt nu nog 915 dagen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk, namelijk voor de duur van 365 dagen, dient te worden toegewezen aangezien verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Vast is komen te staan dat de verdachte een algemene voorwaarde van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in deze strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De rechtbank is echter van oordeel dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling afgewezen dient te worden. Toewijzing zou leiden tot uitstel van de start van de noodzakelijk geachte behandeling in het kader van de TBS maatregel, welk uitstel naar het oordeel van de rechtbank onwenselijk is. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal dan ook worden afgewezen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

De beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI-nummer 99-000142-16)

 wijst af de door de officier van justitie op 2 december 2019 onder VI-nummer 99-000142-16 ingediende vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. S.H. Keijzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 04 november 2020.

mr. S.H. Keijzer en mr. S. Jansen zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019546961, gesloten op 9 december 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.