Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6076

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
05/142907-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/142907-20

Datum uitspraak : 16 november 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] ,

raadsman: mr. J.H. van Dijk, advocaat te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Ermelo

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of

meerdere vrachtwagen(s) en/of een of meerdere (vrachtwagen)trailer(s)

en/of het weeghok, dan wel een deel van het bedrijfspand van

[benadeelde] . aan de [adres] ,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan deze vrachtwagen(s) en/of deze

(vrachtwagen)trailer(s) en/of het weeghok, dan wel een deel van het

voornoemde bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor deze vrachtwagen(s) en/of deze

(vrachtwagen)trailer(s) en/of dit weeghok, dan wel een deel van het

voornoemde bedrijfspand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor een of meerdere (vrachtwagen)chauffeurs die zich in

een of meerdere vrachtwagen(s) bevonden en/of voor de personen die

zich in de nabijheid van het bedrijfspand van [benadeelde] .

aan de [adres] bevonden, in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een of meerdere (vrachtwagen)chauffeurs die zich

in een of meerdere vrachtwagen(s) bevonden en/of voor de personen

die zich in de nabijheid van het voornoemde bedrijfspand bevonden, in

elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was.

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek

van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering voor zover het de brandstichting betreft en het daarmee gepaard gaande gevaar voor goederen. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens het slachtoffer [benadeelde] , p. 126 e.v.;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens het slachtoffer [slachtoffer] , p. 132 e.v.;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2020.

Levensgevaar voor personen

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor vrachtwagenchauffeurs. Dit gevaar was naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar nu er op het moment van de brand geen personen in de vrachtwagens aanwezig waren. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook partieel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vraag of er door de brandstichting sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in de nabijheid van het betreffende bedrijfspand bevonden, welk gevaar door de verdediging wordt weersproken, wordt door de rechtbank als volgt overwogen.

De verbalisant die op 28 mei 2020 om 02:42 uur ter plaatse kwam zag dat de rook over de woningen van de Julianalaan te Ermelo trok. In verband met de sterke rookontwikkeling is besloten om de Julianalaan af te sluiten. Er werden diverse harde knallen gehoord en de vlammen kwamen torenhoog boven de bosschages uit. Als gevolg van het oplaaiende vuur en de sterke rookontwikkeling trok een enorme vonkenregen over zes woningen aan de Julianalaan. De verbalisant kon de veiligheid van de bewoners van deze zes woningen niet meer waarborgen en besloot samen met zijn collega om omstreeks 03:05 uur de bewoners te verzoeken hun woning te verlaten. Omstreeks 05:00 uur is door de brandweer het sein veilig gegeven en konden de bewoners terugkeren naar hun woningen.2

Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek is verder naar voren gekomen dat gezien de situatie het mogelijk was dat de brand in het pand over had kunnen slaan naar de naast gelegen panden en/of aanbouw. De brand vond plaats in de nacht/vroege ochtend. Het pand was nabij woningen gelegen nabij de bebouwde kom van Ermelo. Het is een feit van algemene bekendheid dat brand gepaard gaat met rook en dat rook zich snel kan verspreiden. Rookontwikkeling draagt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid in zich met mogelijk fatale gevolgen.3

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor de personen die zich in de nabijheid van het bedrijfspand bevonden en dat dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Het verweer dat de exacte afstand tussen de brandhaard en de woningen onbekend is, doet hieraan niet af. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat als gevolg van het oplaaiende vuur en de sterke rookontwikkeling een enorme vonkenregen over zes woningen aan de Julianalaan trok en dat de veiligheid van die personen niet kon worden gewaarborgd zodat de bewoners werd verzocht hun woning te verlaten.

Medeplegen

De rechtbank acht het medeplegen niet bewezen, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Ermelo

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of

meerdere vrachtwagen(s) en/of een of meerdere (vrachtwagen)trailer(s)

en/of het weeghok, dan wel een deel van het bedrijfspand van

[benadeelde] . aan de [adres] ,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan deze vrachtwagen(s) en/of deze

(vrachtwagen)trailer(s) en/of het weeghok, dan wel een deel van het

voornoemde bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor deze vrachtwagen(s) en/of deze

(vrachtwagen)trailer(s) en/of dit weeghok, dan wel een deel van het

voornoemde bedrijfspand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor een of meerdere (vrachtwagen)chauffeurs die zich in

een of meerdere vrachtwagen(s) bevonden en/of voor de personen die

zich in de nabijheid van het bedrijfspand van [benadeelde] .

aan de [adres] bevonden, in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een of meerdere (vrachtwagen)chauffeurs die zich

in een of meerdere vrachtwagen(s) bevonden en/of voor de personen

die zich in de nabijheid van het voornoemde bedrijfspand bevonden, in

elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft naar voren gebracht dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft en dat hij zich vrijwel direct na de brand bij de politie heeft gemeld. De strafzaak heeft voor verdachte ook persoonlijke en financiële consequenties gehad. Een lange gevangenisstraf zal voor verdachte niets toevoegen, hij heeft zijn lesje wel geleerd. Verdachte kan zich vinden in het advies van de reclassering en van de psycholoog, die een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel adviseren, met bijzondere voorwaarden. Verzocht wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest in combinatie met een werkstraf voor de maximale duur van 240 uren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 2 oktober 2020;

- een reclasseringsadvies, gedateerd 31 augustus 2020; en

- een Pro Justitia, psychologisch onderzoek van [naam 1] , gezondheidszorgpsycholoog, gedateerd 24 augustus 2020.

Verdachte heeft zich, midden in de nacht, schuldig gemaakt aan brandstichting waarbij een vrachtwagen en meerdere vrachtwagentrailers zijn verbrand en waarbij levensgevaar c.q. gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Ondanks dat verdachte het terrein enige tijd heeft geïnspecteerd op de aanwezigheid van dieren dan wel mensen, omdat hij met zijn actie geen slachtoffers wilde maken, heeft verdachte met de gepleegde brandstichting geen respect getoond voor andermans bezittingen. Daarnaast is het niet mogelijk om een dergelijke actie uit te voeren zonder risico’s – verdachte stond zelf immers ook deels in brand – en daar had verdachte zich bewust van moeten zijn. Door de brand hebben de bewoners van zes omliggende woningen midden in de nacht hun woning moeten verlaten. Door aldus te handelen heeft verdachte personen ernstig in gevaar gebracht, nu brand zich immers snel en onbeheerst kan ontwikkelen en de rookontwikkeling alleen al levensbedreigend kan zijn. Dat bij deze brand geen slachtoffers zijn gevallen is een zeer gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte te danken is. Door de brandstichting is aanzienlijke materiële schade veroorzaakt. Verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevaren voor personen en goederen, nu hij na het plegen van het feit is weggegaan en geen enkele maatregel heeft genomen om de gevolgen van zijn daad te beperken.

Uit het psychologisch onderzoek komt naar voren dat uiteindelijk onvoldoende duidelijkheid is verkregen over het al dan niet aanwezig zijn van een psychische stoornis bij verdachte. Hierdoor kan geen advies worden gegeven over de toerekenbaarheid en het risico op recidive. Er zijn meerdere beschermende factoren. Overwogen zou kunnen worden verdachte een lange proeftijd in combinatie met een reclasseringstoezicht op te leggen, met bijzondere voorwaarden, om enig zicht te kunnen houden op zijn activiteiten.

Uit het rapport van de reclassering komt naar voren dat verdachte een vooraanstaand figuur is in de wereld van dierenactivisten. Als gevolg van zijn acties is hij diverse malen in contact gekomen met politie/justitie, in zowel binnen- als buitenland. De reclassering ziet een persoon die volhardend is en geneigd is zich vasthoudend c.q. obsessief te storten op zaken die hem aangrijpen, en moeite heeft om situaties vanuit een ander perspectief te bekijken. Zijn

overtuiging van het speciesisme maakt dat hij wil strijden voor een gelijke behandeling van mens én dier volgens de wet, omdat hij van mening is dat geweld tegen dieren, net als tegen mensen, in geen enkele situatie toegestaan mag worden. Omdat verdachte zich wil blijven inzetten om dierenleed te bestrijden, al dan niet in de vorm van geweldloze ‘ludieke acties’, wordt het risico op algemene recidive ingeschat als hoog.

Op basis van onderhavige tenlastelegging ziet de reclassering een toename in ernst van delictgedrag, waarbij verdachte nu ook bereid blijkt geweld te gebruiken om zijn statement te maken. Er lijkt sprake te zijn van spijtgevoelens, met name voortkomend uit de nadelige consequenties en gevolgen die zijn handelen (voor hemzelf en directe omgeving) teweeg hebben gebracht. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte doelbewust personen/dieren in gevaar wil brengen, maar hij schroomt er niet voor materiële schade te veroorzaken om zijn doelen te bereiken. Hierbij lijkt hij zich onvoldoende bewust van bijkomende risico's voor de omgeving en de impact op slachtoffers. Gelet op het feit dat verdachte spijt betuigt en hij niet eerder in deze mate geweld heeft gebruikt acht de reclassering het recidiverisico op een geweldsdelict laag-gemiddeld.

Op praktisch gebied zijn er vrijwel geen zorgen.

Verdachte zegt bereid te zijn medewerking te verlenen aan een eventueel reclasseringstoezicht. Hij ziet hier echter niet de meerwaarde van in. Buiten enkele praktische hulpvragen, ziet hij weinig reden tot een vorm van hulpverlening op het gebied van gedragsverandering. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden, een meldplicht en de gedragsinterventie COVA op te leggen.

De rechtbank overweegt dat in het licht van het voorgaande en gelet op de ernst van het feit, dat alleen een gevangenisstraf passend is. De rechtbank zal die vaststellen op 25 maanden. De rechtbank zal een deel van de op te leggen straf, 10 maanden, in voorwaardelijke vorm opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel geen reclasseringstoezicht verbinden. Verdachte heeft eerder onder reclasseringstoezicht gestaan en heeft dit positief afgerond. Hij heeft zich destijds gehouden aan de gemaakte afspraken en de rechtbank verwacht dat dit weer het geval zal zijn. De rechtbank verwacht echter dat hernieuwd toezicht nergens toe zal leiden. Verdachte heeft geen praktische hulpvragen. Verder komt uit het rapport van de reclassering niet naar voren dat het risico op algemene dan wel geweldsrecidive teruggebracht kan worden door toezicht.

Ten aanzien van het beslag:

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde, te weten;

- USB [naam 2]

- USB [beschrijving]

- Laptop [merk] .

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 156.892,97 en een bedrag van € 5.121,00 aan vergoeding van proceskosten. Het totaal bedrag bedraagt € 162.013,97.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet tegen post A 1 verzet. Met betrekking tot de posten A 3 en A 7 heeft de raadsman van verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de overige schadeposten dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu – kort gezegd – deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd.

Voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel is verzocht om, gelet op het beperkte inkomen van verdachte, geen of in ieder geval een beperkt aantal dagen gijzeling toe te passen.

Gelet op de bepleite matiging van de vordering benadeelde partij, dient ook een matiging naar een lagere schaal met betrekking tot het liquidatietarief plaats te vinden: in plaats van tarief V, tarief III of tarief IV. Verder worden in de regel voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg één punt toegekend, zodat aan proceskosten een bedrag van hooguit € 695,00 of € 1074,00 zou moeten worden toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, schade is ontstaan. De schadeposten A1 (€ 500,00),
A 3 (€ 500,00) en A 7 (€ 900,00) zijn niet betwist en zijn naar oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd.

De vordering dient tot het bedrag van € 1.900,00 te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 mei 2020.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu de inhoudelijke behandeling van dat deel van de vordering, gelet op de slechts gebrekkige onderbouwing daarvan en de gemotiveerde betwisting, naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Schadevergoedingsmaatregel

De raadsman heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen, subsidiair de hoogte ervan te matigen.

De draagkracht van verdachte vormt in beginsel geen maatstaf ter bepaling van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel. De maatregel is namelijk gericht op het herstel van de rechtmatige toestand. Slechts van belang is of en in hoeverre de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Het gebrek aan draagkracht kan onder omstandigheden in uitzonderlijke gevallen voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zoals wanneer op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis (NJ 2009, 293). De enkele opmerking van de raadsman dat verdachte onvoldoende middelen heeft om de op te leggen betalingsverplichtingen tijdig en volledig te voldoen, vormt onvoldoende reden om het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig te achten.

Aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van in totaal € 1.900,00 die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van de slachtoffers.

Proceskosten

De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van de rechtsbijstandskosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding in de onderhavige strafprocedure. Deze kosten, die toewijsbaar zijn op de voet van artikel 592a Sv, worden naar maatstaven van billijkheid gesteld op één punt voor het opstellen van het voegingsformulier en één punt voor de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg van het liquidatietarief rechtbanken en hoven. Derhalve wordt het toegewezen bedrag begroot op € 3.414,00.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van het beslag

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

 USB [naam 2] ;

 USB [beschrijving] ;

 Laptop [merk] .

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 1.900,00 (negentienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 3.414,00;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde], een bedrag te betalen van € 1.900,00 (negentienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 29 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink, (voorzitter mr. Y. Yeniay-Cenik en
mr. A.S Gaastra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 november 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek Swalm ON3R020048, dossiernummer 202007141601.REL, gesloten op 18 juli 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 144.

3 Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 403.