Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6054

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
05/780003-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

24 maanden gevangenisstraf voor bevrijdingspoging van tot levenslang veroordeelde in P.I.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780003-20

Datum uitspraak : 9 november 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),

zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland,

op dit moment gedetineerd in de [detentieadres 1] .

Raadsman: mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 26 oktober 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2020 te Zutphen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk een ander, te weten [naam 1] en/of één of meer anderen,

die krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van diens/hun vrijheid was/waren beroofd, te bevrijden of bij diens/hun bevrijding behulpzaam te zijn

- zich toegang heeft tot verschaft tot de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek en/of

- de toegangsdeur tot het binnenterrein van de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek heeft geblokkeerd met een vogelkooi (zodat deze niet meer dichtging) en/of

- de deur tot de remise van Penitentiaire Inrichting Ooyershoek heeft geblokkeerd met een bestelbus (zodat deze niet meer openging, althans niet meer op de gebruikelijke wijze kon worden geopend en/of op de gebruikelijke wijze doorgang kon worden verkregen naar en vanuit die remise), en/of

- vuurwerk/fakkels heeft afgestoken en/of op verschillende plekken van het binnenterrein en/of de remise van de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek heeft gegooid, en/of

- vuurwerk/fakkels onder/in/bij genoemde bestelbus heeft gegooid, ten gevolge waarvan deze bestelbus in brand vloog, en/of

- hekken en/of deuren en/of bedrading op het terrein van de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek heeft vernield en/of proberen te openen met een of meer betonscharen en/of een slijptol en/of ander gereedschap, terwijl dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 januari 2020 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk brand heeft gesticht door vuurwerk/fakkels, althans een brandbare stof tot ontbranding te brengen, althans open vuur in aanraking te brengen met vuurwerk/fakkels althans met een brandbare stof, en dat vuurwerk/die fakkels, althans die brandbare stof onder/in/bij een bestelbus, merk [merk 1] te gooien, althans in de zeer dichte nabijheid van die bestelbus te brengen, ten gevolge waarvan die bestelbus geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek , althans voor de toegangspoort/remisedeur van de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek , in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 19 januari 2020 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk

- een of meer hekwerken en/of een in een hek aangebrachte deur en/of

- bedrading/een of meer stroomdraden op het terrein van de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4.

hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2020 tot en met 19 januari 2020 te Amsterdam en/of Zutphen en/of Rheden en/of Wehl, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere goederen te weten

- een bestelauto [merk 1] , met kenteken [kenteken 1] en/of

- een personenauto [merk 2] , met kenteken [kenteken 2] en/of

- een personenauto [merk 3] , met kenteken [kenteken 3]

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle vier ten laste gelegde feiten, inclusief het medeplegen. Er was sprake van een plan dat gezamenlijk werd uitgevoerd en er was een duidelijke taakverdeling tussen de verdachten. Dit geldt ook voor de brandstichting nu dit een onderdeel van het plan was. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de auto’s waren gestolen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat de brandstichting niet tot het plan behoorde en dat verdachte niet als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 4 moet volgens de raadsman vrijspraak volgen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat de auto’s waren gestolen. Ook is het volgens de raadsman geen feit van algemene bekendheid dat bij een bevrijdingsactie alleen

gestolen auto’s worden gebruikt.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op de onderlinge samenhang zal de rechtbank de feiten 1, 2 en 3 gezamenlijk beoordelen, waarbij elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen - wordt gebruikt voor het feit waarop het gezien de inhoud kennelijk betrekking heeft.

Camerabeelden

Verbalisanten hebben de camerabeelden van de Penitentiaire Inrichting, locatie Ooyerhoek , (hierna: P.I.) in Zutphen, opgenomen op 19 januari 2020 omstreeks 10:45 uur, uitgekeken en zien hierop het volgende:

NN1 loopt richting de rode toegangsdeur van de P.I. met een [tas] en een vogelkooi. Hij zet de vogelkooi tussen de rode deur en het kozijn, kennelijk om te voorkomen dat de deur dichtvalt, en loopt het binnenterrein van de P.I. op. Vervolgens pakt hij een fakkel uit de [tas] , steekt deze aan en gooit de fakkel over het hek in de richting van de hoofdingang. Enkele seconden nadat NN1 het binnenterrein op is gelopen, rijdt er een witte bestelbus, kenteken [kenteken 4] en een donkere personenauto het terrein op. NN2 stapt uit de personenauto vanaf de bijrijderszijde en loopt door de rode deur het binnenterrein van de P.I. op. NN1 probeert op dat moment de deur in het hek te forceren met een voorwerp dat hij uit de [tas] heeft gepakt. NN2 loopt naar hem toe en probeert ook de deur in het hek te forceren. NN1 pakt nog een voorwerp uit de tas en maakt hiermee timmerbewegingen waarna NN1 en NN2 opnieuw proberen de deur in het hek te forceren. Terwijl NN1 en NN2 met het hek bezig zijn, draaien de bestelbus en de personenauto op het voorterrein: NN3 stapt uit de witte bestelbus en NN4 uit de personenauto. De witte bestelbus staat zo dicht tegen de sluisdeur aan geparkeerd, dat NN3 aan de bijrijderskant moet uitstappen. NN3 gaat ook het binnenterrein op met een voorwerp (vermoedelijk betonschaar) in zijn hand. Gedetineerde [naam 1] verschijnt op dat moment ook op de beelden, hij staat achter een hoog hek. Terwijl NN1, NN2 en NN3 op het terrein de deur in het hek proberen te forceren, gooit NN4 twee brandende fakkels onder de witte bestelbus. Daarna gooit hij een brandende fakkel over de witte remisedeur. NN1 pakt iets van de grond en geeft dit aan NN3. NN3 gaat ermee aan de slag bij het hek, hierbij ontstaat een vonkenregen. De witte bestelbus is intussen in brand gevlogen. NN1 gooit op het binnenterrein nog twee brandende fakkels over het hek. Door de fakkels ontstaat rook. Terwijl NN3 nog steeds bezig is met (vermoedelijk) de slijptol, proberen NN1 en NN2 ook de deur in het hek te forceren. Het lukt niet om de deur of het hek te forceren, waarna NN1, NN2 en NN3 naar een muur lopen met stroomdraden erboven. NN3 houdt de slijptol bij de draden. De onderste 3 draden worden doorgeslepen. NN2 en NN3 klimmen over de muur. NN1 loopt terug naar de [tas] , pakt (vermoedelijk) een betonschaar en gooit deze over de muur naar NN3. NN2 probeert op dat moment het hoge hek door te slijpen. Aan de andere kant van dit hoge hek staat gedetineerde [naam 1] . NN3 probeert met de betonschaar het hoge hek te forceren. NN2 loopt terug richting de muur terwijl NN3 nog steeds probeert het hoge hek te forceren met de betonschaar. Gedetineerde [naam 1] probeert omhoog te klimmen in het hoge hek, maar laat zich uiteindelijk weer zakken. NN3 pakt de betonschaar en klimt terug over de muur. NN1, NN2 en NN3 lopen terug naar de rode deur en verlaten het terrein. Ze vertrekken in de donkere personenauto, een [merk 4] met kenteken [kenteken 5] met NN4 als bestuurder.2

Gedetineerde [naam 1] was op het moment van de bevrijdingsactie door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Bij beschikking van 7 augustus 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de gevangenhouding bevolen voor de duur van 120 dagen3 en op 17 december 2019 heeft het gerechtshof het onderzoek geschorst tot het onderzoek ter terechtzitting van 18 februari 2020.4 De rechtbank stelt vast dat [naam 1] op

19 januari 2020 krachtens rechterlijke beschikking de vrijheid was benomen.

Verdachte [verdachte] is ‘NN1’

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij degene is die met de [tas] en de vogelkooi in zijn handen, het terrein van de P.I. op loopt.5 Daarnaast is verdachte op 19 januari 2020 samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden in de vluchtauto ( [merk 3] met kenteken [kenteken 6] ). De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte de persoon is die hierboven als ‘NN1’ is aangeduid.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met de medeverdachten heeft geprobeerd om een gedetineerde uit de P.I. in Zutphen te bevrijden. Hierbij heeft een van de medeverdachten brandende fakkels onder een bestelbus gegooid, die op dat moment zo dicht tegen de remisedeur aan geparkeerd stond dat de bestuurder via het bijrijdersportier moest uitstappen. Uit de beschrijving van de camerabeelden, zoals hierboven weergegeven, leidt de rechtbank af dat de bus als gevolg van de brandende fakkels in brand is gevlogen. De door de verdachte en medeverdachten gebruikte fakkels zijn noodseinfakkels met een “P1”aanduiding en bedoeld voor gebruik in de pleziervaart die na ontbranding vuur veroorzaken, waarbij de temperatuur bij het verbrandingsgedeelte kan oplopen tot ongeveer 3000 °C.6 Verder hebben de verdachten geprobeerd een gat te maken in meerdere hekwerken van de P.I. door spijlen en (stroom)draden door te knippen en door te slijpen. Uit de beschrijving van de camerabeelden leidt de rechtbank af dat de verdachten onderling een duidelijke taakverdeling hadden. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en zijn medeverdachten, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van

feit 1.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

Zoals hierboven reeds is vastgesteld, heeft een van de verdachten bij de bevrijdingspoging brandende fakkels onder een bestelbus - merk [merk 1]7 - gegooid, waardoor de bus in brand is gevlogen. Aangever [aangever] , werkzaam bij de P.I., heeft verklaard dat door de hitte van de brandende bestelbus, de rubbers van de remisedeur zijn weggebrand en het metalen werk van de deur is ontzet.8De rechtbank overweegt dat door het gooien van twee brandende fakkels onder de bestelbus, hiermee op zijn minst welbewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de bestelbus in brand zou vliegen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van opzettelijke brandstichting.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet als medepleger van de brandstichting kan worden aangemerkt. Daarbij heeft hij gewezen op de verklaring van medeverdachte
[medeverdachte 1] ter zitting, inhoudende dat deze ter plaatse heeft besloten de fakkels onder de bus te gooien zonder dit af te stemmen met de medeverdachten. Bovendien was verdachte op dat moment bezig met iets anders en zouden zij wel een jerrycan met brandstof hebben gebruikt als het plan was om de bestelbus in brand te stichten. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt.

Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de bevrijdingspoging zorgvuldig was voorbereid. Zo hadden de verdachten meerdere soorten (daarvoor geschikt) gereedschap bij zich om de hekken van de P.I. te forceren en stonden er vluchtauto’s voor hen klaar in Rheden. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat een van de medeverdachten, NN3, de bestelbus zo dicht tegen de remisedeur parkeerde dat hij via het bijrijdersportier moest uitstappen. De rechtbank leidt uit deze wijze van parkeren af dat de verdachten kennelijk niet het plan hadden om de bestelbus weer mee te nemen. De rechtbank overweegt verder dat uit de beschrijving van de camerabeelden naar voren komt dat de verdachten allen een duidelijke taakverdeling hadden. Ook concludeert de rechtbank dat zodra de verdachten bij de P.I. uitstapten, zij, ieder voor zich, doelgericht te werk gaan. Dit geldt ook voor de medeverdachte die de brandende fakkels onder de bestelbus heeft gegooid. Hij loopt bij aankomst bij de P.I. vrijwel direct naar de tegen de remisedeur geparkeerde bestelbus en gooit twee brandende fakkels achter elkaar onder de voorkant van de bus.

Gelet op de duidelijke taakverdeling, het dusdanig strak tegen de remisedeur aan parkeren van de bestelbus en het doelgericht te werk zijn gegaan van alle verdachten, stelt de rechtbank vast dat het gooien van brandende fakkels onder de bestelbus onderdeel was van het bevrijdingsplan van de verdachten. De hiervoor bedoelde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten ten aanzien van de brandstichting. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

Gelet op hetgeen hierboven onder feit 1 is overwogen, acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachten in een nauwe en bewuste samenwerking delen van het hekwerk van de P.I. hebben vernield, zoals ten laste is gelegd onder feit 3.

Vrijspraak van feit 4

Vast staat dat ruim vóór 18 januari 2020 aangifte is gedaan van diefstal van de drie ten laste gelegde auto’s en dat deze op 19 januari 2020 alle betrokken zijn geweest bij de door verdachten gepleegde bevrijdingspoging. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachten op het moment van het voorhanden krijgen of verwerven van een of meer van de op de tenlastelegging genoemde auto’s, daargelaten welk moment dat precies is geweest, wisten of hadden moeten vermoeden dat de auto(‘s) afkomstig was/waren van enig misdrijf. Dat het in brand steken van de bestelbus [merk 1] onderdeel was van het bevrijdingsplan van verdachten maakt dit niet anders. Het dossier bevat immers geen enkele informatie over de wijze waarop verdachten de ten laste gelegde auto’s met sleutels voorhanden hebben gekregen. Niet is bijvoorbeeld gebleken van braakschade aan de auto’s en ook waren de auto’s voorzien van kentekenplaten. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, acht de rechtbank het geen feit van algemene bekendheid dat bij criminele risicovolle acties (veelal) gebruik wordt gemaakt van gestolen voertuigen. Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, spreekt de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde heling.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2020 te Zutphen, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ander, te weten [naam 1] en/of één of meer anderen,

die krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van diens/hun vrijheid was/waren beroofd,

te bevrijden of bij diens/hun bevrijding behulpzaam te zijn

- zich toegang heeft tot verschaft tot de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek en/of

- de toegangsdeur tot het binnenterrein van de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek heeft geblokkeerd met een vogelkooi (zodat deze niet meer dichtging) en/of

- de deur tot de remise van Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek heeft geblokkeerd met een bestelbus (zodat deze niet meer openging, althans niet meer op de gebruikelijke wijze kon worden geopend en/of op de gebruikelijke wijze doorgang kon worden verkregen naar en vanuit die remise), en/of

- vuurwerk/fakkels heeft afgestoken en/of op verschillende plekken van het binnenterrein en/of de remise van de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek heeft gegooid, en/of

- vuurwerk/fakkels onder/in/bij genoemde bestelbus heeft gegooid, ten gevolge waarvan deze bestelbus in brand vloog, en/of

- hekken en/of deuren en/of bedrading op het terrein van de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek heeft vernield en/of proberen te openen met een of meer betonscharen en/of een slijptol en/of ander gereedschap, terwijl dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 januari 2020 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk brand heeft gesticht door vuurwerk/fakkels, althans een brandbare stof tot ontbranding te brengen, althans open vuur in aanraking te brengen met vuurwerk/fakkels althans met een brandbare stof, en dat vuurwerk/die fakkels, althans die brandbare stof onder/in/bij een bestelbus, merk [merk 1] te gooien, althans in de zeer dichte nabijheid van die bestelbus te brengen, ten gevolge waarvan die bestelbus geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de Penitentiaire Inrichting Ooyershoek , althans voor de toegangspoort/remisedeur van de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek , in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 19 januari 2020 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk

- een of meer hekwerken en/of een in een hek aangebrachte deur en/of

- bedrading/een of meer stroomdraden op het terrein van de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek , in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan de Penitentiaire Inrichting Ooyerhoek toebehoorden, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van poging tot opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijden.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van 10 maanden, de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest zit, passend is en hij heeft verzocht om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis per datum uitspraak. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van eendaadse samenloop. Daarnaast hebben verdachten geen geweld gebruikt en zijn er geen wapens bij hen gevonden. Ook is geen sprake van een professionele actie. Verder moet bij de strafmaat worden meegenomen dat verdachte nog jong is en geen strafblad heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook is rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte waarbij onder meer is gelet op informatie afkomstig van Europol van februari 2020 over het justitieel verleden van verdachte in Frankrijk.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten geprobeerd een gedetineerde uit de P.I. Zutphen te bevrijden. Om dit te bewerkstelligen hebben zij hekwerken van de P.I. vernield en een bestelbus, die zij voor dat doel tegen een buitendeur van de P.I. hadden geparkeerd, in brand gestoken. Daarbij is sprake geweest van een zorgvuldige voorbereiding. Zo hadden de verdachten fakkels en meerdere soorten geschikt gereedschap bij zich om de hekken te forceren en stonden er (vlucht)auto’s voor hen klaar.

Niet kan worden vastgesteld dat verdachte vooraf wist dat de gedetineerde die zij zouden gaan bevrijden [naam 1] . was, die wegens meervoudige moord is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en deel uitmaakt van een criminele groepering. Op basis van de omstandigheden dat de verdachten vanuit Frankrijk naar Nederland zijn afgereisd om door middel van een goed voorbereide actie een gedetineerde te helpen ontsnappen uit de P.I., leidt de rechtbank wel af dat verdachte in ieder geval wist dat het om een persoon ging die veroordeeld was tot een langdurige gevangenisstraf met een netwerk dat in staat is een dergelijke bevrijdingsactie te initiëren. Dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte vooraf wist om welke gedetineerde het precies ging, maakt het feit niet minder verwijtbaar. Dat het uiteindelijk om [naam 1] blijkt te zijn gegaan, is het risico van hetgeen verdachte heeft gedaan.

De rechtbank acht het zeer ernstig en zorgwekkend dat verdachte heeft ingestemd met de bevrijdingsactie en met zijn handelen heeft geprobeerd de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing te frustreren. Zijn handelen getuigt van een gebrek aan respect voor de rechtsorde. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Daarnaast hebben verdachten met hun handelen materiele schade voor de P.I. veroorzaakt en voor maatschappelijke onrust gezorgd, in en rond Zutphen maar ook in de woonwijken waar zij na afloop van de bevrijdingsactie kleding hebben gedumpt, van auto zijn gewisseld, als ook waar zij langs hun vluchtroute zijn gekomen en zijn aangehouden.

Gelet op de ernst van de feiten past alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van

aanzienlijke duur. De rechtbank zal daartoe ook overgaan, maar komt tot een beduidend lagere

straf dan de officier van justitie heeft geëist. Dat heeft de volgende redenen.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank als uitgangspunt dat op het bevrijden van een gevangene een maximale gevangenisstraf van vier jaar staat in het Wetboek van Strafrecht. De bevrijdingsactie is niet gelukt zodat sprake is van een poging. In de wet is bepaald dat het strafmaximum bij een poging met een derde wordt verminderd.

Verder houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening met de omstandigheid dat de brandstichting van de bestelauto en de vernieling van het hekwerk van de P.I. weliswaar afzonderlijke strafbare feiten zijn die bewezen zijn verklaard, maar onderdeel uitmaken van de bevrijdingspoging en dus samen één feitencomplex vormen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke samenloopregeling van toepassing is, te beginnen met de bespreking van eendaadse samenloop, als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. Daarvan is alleen sprake als eenzelfde feit in meer dan één strafbepaling valt. Weliswaar is ten aanzien van de drie bewezenverklaarde feiten min of meer sprake van eenheid en plaats, maar de strekking van de drie strafbepalingen loopt naar het oordeel van de rechtbank te ver uiteen. Bevrijding van een gedetineerde in artikel 191 van het Wetboek van Strafrecht ziet op bescherming van de ongestoorde loop van het recht, in het bijzonder de ongestoorde tenuitvoerlegging en het gezag van rechterlijke beslissingen. Dat de strafbepaling van 191 mede strekt tot bescherming van gebouwen of terreinen van penitentiaire inrichtingen zoals de raadsman heeft betoogd, vindt geen steun in het recht.

Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijksoortige handelingen die voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit zodat zij het feitencomplex – anders dan de officier van justitie – juridisch gezien niet aanmerkt als een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht, maar als meerdaadse samenloop.

Ook weegt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat bij de bevrijdingspoging enkel geweld is gebruikt tegen goederen en niet tegen personen en dat bij verdachten geen wapens zijn aangetroffen. Daarnaast acht de rechtbank één feit minder bewezen dan de officier van justitie.

Omdat verdachten allen een essentieel aandeel hebben gehad bij de bevrijdingspoging en naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol hebben vervuld, komt de rechtbank bij alle verdachten tot dezelfde strafafdoening.

Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven.

Gelet op de duur van de op te leggen straf, wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door [naam 2] werkzaam voor de P.I. in Zutphen, heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Gevorderd wordt een bedrag van € 169.408,79 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig als voorschot hoofdelijk moet worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze niet eenvoudig van aard is en onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen mede omdat de P.I., en dus de staat, zelf de nodige incassomaatregelen kan treffen.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij op grond van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Onduidelijk is echter gebleven welke kosten precies zijn gemaakt om deze schade te herstellen nu facturen en/of een prijsopgave van een aannemer ontbreken. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen de vordering nader te onderbouwen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het moment waarop de vordering is ingediend, weliswaar wettelijk is toegestaan, maar zeer laat is. De complexiteit van de vordering, in combinatie met het tijdstip van indienen en de hoogte van de gevorderde schade, levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook strijd op met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Gelet op het voorgaande zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering alleen aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 Beslag

De onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven kledingstukken, te weten een rode [merk 8] jas, een zwarte [merk 5] jas, een zwart [merk 6] -shirt, een zwarte [merk 5] trainingsbroek en [merk 7] sportschoenen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Met deze kledingstukken is immers geprobeerd de opsporing van de bewezenverklaarde misdrijven te belemmeren.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 47, 57, 157, 191 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Vordering van de benadeelde partij

 verklaart de benadeelde partij De Staat der Nederland niet-ontvankelijk in haar vordering;

Beslag

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding, te weten: een rode [merk 8] jas, een zwarte [merk 5] jas, een zwart [merk 6] -shirt, een zwarte [merk 5] trainingsbroek en [merk 7] sportschoenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mr. J.M.J.M. Doon en

mr. Y. Yeniay-Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON3RO20004, gesloten op 29 juli 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, camerabeelden, p. 262 t/m 297, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal van bevindingen p. 65 en proces-verbaal van bevindingen p. 482.

3 Beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 augustus 2019, parketnummer 21/003606-19.

4 Proces-verbaal terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17-12-2019, inzake parketnummer 21/003606-19.

5 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

6 Schriftelijk bescheid, emailbericht [naam 3] , p. 535.

7 Proces-verbaal van bevindingen p. 76, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal van bevindingen p. 259.

8 Proces-verbaal van aangifte p. 401.