Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6046

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
373785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident 843a Rv. Vordering tot inzage en afgifte stukken afgewezen. Onvoldoende gesteld en vordering prematuur, nu bewijslast vooralsnog niet op SEFAB rust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/373785 / HA ZA 20-435

Vonnis in incident van 4 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE METHORST MELKGEITEN EN PLUIMVEE B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.J. Ligtenbarg te Velp Gld,

tegen

de besloten vennootschap naar Belgisch recht

SOCIETE D'ELEVAGE ET FABRICATION D'ALIMENTS POUR BETAIL,

gevestigd te Ath, Wallonië, België,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.E. Bosman te Arnhem.

Partijen zullen hierna De Methorst en SEFAB worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 juni 2020;

  • -

    de akte overlegging producties 1 tot en met 18 van De Methorst;

  • -

    de incidentele conclusie tot afschrift van bepaalde bescheiden ex artikel 843a Rv;

  • -

    de antwoordconclusie in incident ex artikel 843a Rv met producties 19 tot en met 31.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

De Methorst vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. SEFAB zal veroordelen tot betaling van € 183.901,39, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met overeengekomen rente van 8%, althans de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 7 mei 2019, althans 3 mei 2019, althans een in goede justitie vast te stellen datum, tot aan de dag van de algehele voldoening;

II. SEFAB zal veroordelen tot betaling van € 2.614,01, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van de algehele voldoening;

III. SEFAB zal veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure (inclusief nakosten) aan de zijde van De Methorst, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 daarover vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

2.2.

De Methorst heeft haar vorderingen gegrond op de volgende stellingen, voor zover nu van belang. SEFAB is een producent van veevoer. De Methorst exploiteert een melkgeitenhouderij. Partijen hebben een overeenkomst gesloten waarbij SEFAB zich heeft verbonden tot levering van geitenvoer aan De Methorst. Die overeenkomst van 8 februari 2017 bevat onder meer de volgende bepalingen en bedingen:

“Garantie melkgift: 1400 kg / melkgeit/ jaar deze wordt als volgt bepaald:

a) Melkproductie= afgeleverde melk volgens afrekening + gecorrigeerd met calamiteiten (weggelopen melk)

b) Aantal geiten wordt als volgt bepaald: iedere dag wordt aantal bepaald en vastgelegd a gedeeld door b = gemiddelde melkgift/dier/jaar

Garantie levensduur en welzijn:

- Uitval opfoklammeren vanaf 1 week tot aflammeren is kleiner of gelijk aan 5% (eventuele uitval door gewrichtsontsteking wordt niet meegerekend.

- Uitval melkgeiten is kleiner of gelijk aan 5% / jaar, dit geldt voor alle melkgeiten op het bedrijf jonger dan 4 jaar. (eventuele uitval door ongevallen wordt niet meegerekend.

(…)

- Advisering en rantsoenberekening wordt verzorgt door dhr. [naam], dierenarts en voeradviseur.

Vergoeding bij het niet behalen van bovengenoemde resultaten:

1) Indien de melkproductie niet wordt gerealiseerd dan wordt de gemiddelde uitbetaalde melkprijs bijbetaald door S.E.F.A.B. tot 1400 kg / gemiddeld aanwezige geit.

2) Indien de uitval van de melkgeiten groter dan 5% is dan wordt elke geit welke boven de 5% uitgevallen is vergoed voor een bedrag van 325 euro per stuk.

3) Indien de uitval bij de opfoklammeren vanaf 1 week tot 11 maanden groter is dan 5% dan wordt elk lam welke boven de 5% uitgevallen is vergoed voor een bedrag van 325 euro per stuk.

Deze overeenkomst geldt voor 12 maanden en De Methorst melkgeiten heeft het recht om de overeenkomst met 12 maanden te verlengen.”

Kort na de start van de voerleveranties werd duidelijk dat de gegarandeerde normen niet werden gehaald. Partijen kwamen overeen dat De Methorst de overeengekomen vergoeding zou verrekenen met de facturen van SEFAB. Een eerste schadebedrag van € 82.894,99, door De Methorst bij factuur van 12 juli 2017 gedeclareerd, is door SEFAB betaald. Daaruit volgt dat SEFAB de afspraken erkent. Latere schadedeclaraties voor een totaal bedrag van € 318.640,34 zijn door De Methorst verrekend met facturen van SEFAB voor € 182.976,66, zodat De Methorst op 29 januari 2018 nog € 135.663,68 van SEFAB had te vorderen. Op 3 mei 2018 heeft De Methorst een finale afrekening tot en met maart 2018 aan SEFAB gezonden. Op dat moment diende SEFAB nog € 183.901,93 aan De Methorst te voldoen. Partijen zijn daarna een minnelijke regeling overeengekomen, die inhield dat SEFAB in tien gelijke maandelijkse termijnen € 150.000,00 aan De Methorst zou betalen en de rest zou worden kwijtgescholden. Op de schriftelijke bevestiging hiervan door De Methorst heeft SEFAB niet meer gereageerd. Vervolgens heeft SEFAB aanspraak gemaakt op betaling van € 374.098,90, vermeerderd met rente en kosten. De Methorst heeft die aanspraak betwist en SEFAB gewezen op haar verplichtingen uit de garantiebepalingen, maar SEFAB is die niet nagekomen en heeft, na nog twee sommaties en onder betwisting van de schadevordering van De Methorst, haar op 26 april 2019 gedagvaard voor de ondernemingsrechtbank Henegouwen, locatie Bergen (Mons), Wallonië, België. Dit gerecht heeft zich op grond van de artikelen 4, 7 en 25 Brussel Ibis-Verordening onbevoegd verklaard. De rechtbank Gelderland is bevoegd krachtens artikel 7 lid 1 onder b Brussel Ibis-Verordening, aldus De Methorst.

3 De vordering in het incident

3.1.

SEFAB vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. De Methorst zal bevelen binnen vier weken na betekening van het incidentele vonnis aan SEFAB afschrift en uittreksel van, dan wel inzage in alle stukken te verlenen van:

a. de facturen voor onderhoud en reparatie van de melkstal en van de robot die het voer verdeelt, alsmede een overzicht van de data en perioden waarin de melkrobot is uitgevallen en daarbij behorende interventierapporten;

b. de correspondentie en processtukken, die zien op het geschil dat bestaat met Maarten Agri B.V. en Dairymaster B.V., die de robot en de melkstal hebben geplaatst;

c. een door de dierenarts van de kudde ondertekend verslag over de evolutie van de gezondheidstoestand van de kudde, waarin alle ziekten en sterfgevallen in de periode van februari 2017 tot april 2018 worden opgesomd;

d. een gedetailleerde en ondertekende opgave van het aantal geiten in de kudde en de evolutie van het aantal geiten in de kudde tijdens de voornoemde periode;

e. per kalenderdag een overzicht van de dieren in de ziekenboeg en hun dagelijkse melkproductie;

f. een verslag over het antibioticum dat werd gebruikt toen de geiten leden aan baarmoederclostridium, welke dieren het betrof en wat hun melkproductie was op dat moment;

g. een verslag van de hoeveelheid melk die overblijft na elke melkbeurt;

h. een uitdraai van elke dag van het jaar via het systeem van De Methorst, waarin wordt aangegeven voor elke melking (zowel twee als drie melkingen per dag), per dier hoeveel voer is verstrekt;

i. leveringsbonnen voor stro en hooi, met bijbehorende productspecificaties;

j. een autopsierapport en de doodsoorzaak voor elk dood dier;

II. De Methorst zal bevelen om aan SEFAB een dwangsom te voldoen van € 5.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat De Methorst in gebreke blijft te voldoen aan een van de in het vonnis in het incident gegeven bevelen of enig gedeelte daarvan;

III. De Methorst zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de volledige door SEFAB in dit incident gemaakte kosten van rechtsbijstand.

3.2.

De vordering in het incident is gegrond op de stelling, kort gezegd, dat SEFAB de genoemde stukken nodig heeft om deugdelijk verweer te kunnen voeren tegen de verkeerde voorstelling van zaken door De Methorst. Volgens SEFAB is sprake van externe oorzaken die de melkproductie zouden kunnen hebben beïnvloed, waaronder storingen van de carrousel, de melkstal en de voerrobot, door die storingen veroorzaakte mastitus aan de uiers van de dieren en ongelijke verdeling van het voer, en ziekte bij de dieren, restmelk in de leidingen en de kwaliteit van het gevoerde stro en hooi. Ook is de kudde van De Methorst niet meer vrij van de ziekte CAE, die een incubatietijd heeft van één tot vier jaar, zodat van belang is dat per overleden geit de doodsoorzaak wordt vastgesteld, aldus SEFAB. Om deugdelijk verweer te kunnen voeren tegen de stellingen van De Methorst, dient zij inzicht te hebben in de melkproductie en het sterftecijfer.

3.3.

De Methorst voert gemotiveerd verweer. Zij betoogt eerst dat uit artikel 209 Rv volgt dat als uitgangspunt geldt dat op incidentele vorderingen gelijktijdig met de hoofdzaak wordt beslist en dat SEFAB in strijd handelt met de goede procesorde door het incident op te werpen zonder van antwoord te concluderen. Verder meent zij dat de vordering onvoldoende specifiek is en in feite neerkomt op een “phishing expedition”, aldus dat SEFAB probeert zonder enige concrete aanwijzing of onderbouwing de hele bedrijfsvoering van De Methorst door te lichten in de hoop iets te vinden waaraan zij een verweer kan ontlenen. De Methorst neemt het standpunt in dat SEFAB veel suggereert, maar weinig concreet maakt en dat haar incidentele vordering dan ook te vaag is.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Aangezien SEFAB in het buitenland is gevestigd, moet eerst worden onderzocht of deze rechtbank bevoegd is deze zaak te behandelen en te beslissen. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis) worden, onverminderd het elders in die Verordening bepaalde, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In artikel 7 van voormelde Verordening is bepaald, voor zover hier van belang, dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, waarbij in geval van koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden geldt als de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt.

4.2.

De vordering in de hoofdzaak is gegrond op een gesteld gebrek in veevoer dat De Methorst betrok van SEFAB en dat door SEFAB aan de plaats van vestiging van De Methorst werd geleverd. De plaats van vestiging van De Methorst, Nijkerk, is gelegen in het rechtsgebied van deze rechtbank, zodat deze rechtbank bevoegd is.

4.3.

De vraag door welk recht de overeenkomst wordt beheerst moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Volgens de in artikel 3 lid 1 Rome I neergelegde hoofdregel wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. In artikel 4 lid 1 aanhef en onder a) Rome I is bepaald dat, behoudens hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen, bij gebreke van een rechtskeuze de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft.

4.4.

Partijen hebben niet gesteld dat zij een rechtskeuze hebben gemaakt. Beide partijen gaan in dit incident echter uit van de toepasselijkheid van artikel 843a van het Nederlandse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Hieruit volgt vooralsnog dat partijen stilzwijgend een rechtskeuze voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gemaakt. De rechtbank zal daarom volgens die regel beslissen.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak heeft als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a Rv te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen (Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251).

4.6.

In deze zaak is, hoewel SEFAB nog geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van De Methorst, het bestaan van de rechtsbetrekking tussen partijen waaruit het geschil is ontstaan voldoende aannemelijk. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat zij een overeenkomst hebben gesloten. De vordering van De Methorst is gebaseerd op door haar gestelde niet-nakoming door SEFAB van een of meer verbintenissen uit die overeenkomst.

4.7.

SEFAB kondigt aan in de hoofdzaak verweer te zullen voeren tegen die stelling en zij geeft ook reeds een indicatie van welke verweren zij van plan is te voeren. Uit hetgeen zij in dit incident heeft aangevoerd volgt dat haar verweer meer zal inhouden dan een enkele ontkenning van de stellingen van De Methorst. Onder meer betwist SEFAB dat door haar de gestelde garanties zijn afgegeven en voert zij aan dat sprake was van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis. Zij beroept zich voorts op onvoorziene omstandigheden. Tevens betwist zij het causaal verband tussen de door De Methorst gestelde tekortkoming en de vermeende schade en de omvang van de schade. SEFAB betoogt dat er andere mogelijke oorzaken zijn voor de verminderde melkproductie en de sterfte van de geiten dan het door haar geleverde voer.

De rechtbank is van oordeel dat SEFAB hiermee voldoende kenbaar maakt welke stellingen/verweren zij denkt te kunnen ontlenen aan de gevorderde stukken. SEFAB beschrijft reeds in haar incidentele conclusie een aantal omstandigheden die in de hoofdzaak relevant zouden kunnen zijn en waarover de gevorderde stukken nadere gegevens kunnen bieden. In zoverre handelt SEFAB naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde en is er geen reden om de behandeling van het incident aan te houden in afwachting van de indiening van de conclusie van antwoord.

4.8.

De Methorst voert in haar antwoordconclusie in het incident gemotiveerd en onderbouwd aan dat gedurende de looptijd van de overeenkomst één tot drie keer per maand overleg was tussen partijen op het bedrijf van De Methorst in aanwezigheid van dierenarts Teeuw, waarbij werd gekeken naar de gezondheid van de geiten en de behaalde productieresultaten en dat zij SEFAB bij de facturen steeds overzichten heeft verstrekt van de melkproductie en de sterftecijfers in de betreffende periode. SEFAB wist volgens De Methorst dan ook exact wat er speelde op haar bedrijf en welke invloed (de samenstelling van) haar voer op de geiten en de melkproductie had. De Methorst verklaart dat SEFAB al beschikt over de door haar verzochte gegevens (3.1.d) omdat die bij de facturen aan haar zijn toegezonden. De Methorst stelt verder dat zij niet beschikt over de stukken als bedoeld onder 3.1. c, e, f , g, h en j en dat, indien SEFAB verslagen wenste over de gezondheidstoestand van de geiten, de ziekteverschijnselen bij de geiten en de daartegen gebruikte medicijnen, zij daarnaar had moeten vragen in het maandelijkse overleg met De Methorst en dierenarts Teeuw. Dat laatste geldt volgens De Methorst ook voor de gegevens zoals vermeldt onder 3.1.i. Ook heeft De Methorst ten aanzien van de onder 3.1. a en b verzochte stukken gemotiveerd en met stukken onderbouwd betwist dat er gedurende de looptijd van de overeenkomst met SEFAB problemen waren met de melkmachine en de voerinstallatie. De afstellingsproblemen waren medio 2016 verholpen, zoals blijkt uit de door haar overgelegde stukken, en in 2017 en 2018 waren er geen problemen, zoals blijkt uit de overgelegde KOM-rapporten (Kwaliteitszorg Onderhoud Melkinstallaties), aldus De Methorst. Zij voert verder aan dat er geen geschil of gerechtelijke procedure bestaat met Maarten Vogels Agri B.V. en/of Dairymaster B.V. zodat daarvan geen stukken bestaan.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat SEFAB, gelet op het gemotiveerde verweer van De Methorst in het incident, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zij er thans belang bij heeft dat de verzochte gegevens, voor zover die in het bezit zouden zijn van De Methorst, aan haar worden verstrekt. De Methorst heeft immers de stelplicht en draagt de bewijslast van haar stelling dat SEFAB is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst tussen partijen. Slechts voor zover er sprake is van een bevrijdend verweer van SEFAB rust de bewijslast daarvan op haar. In de hoofdzaak zal aan de orde komen in hoeverre De Methorst haar stellingen al dan niet voldoende heeft onderbouwd, mede gelet op het verweer van SEFAB. Dan zal ook kunnen worden beoordeeld welke stukken eventueel nog in het geding moeten worden gebracht en wie daartoe de aangewezen partij is. In het licht van wat de Hoge Raad heeft overwogen in het onder 4.5 genoemde arrest komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat SEFAB thans onvoldoende belang heeft bij afschrift en uittreksel van, dan wel inzage in de hiervoor onder 3.1 genoemde stukken en dat haar vordering thans prematuur is. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.10.

SEFAB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident. De aan de zijde van De Methorst gevallen kosten worden begroot op nihil voor verschotten en één punt à € 1.707,00 volgens het liquidatietarief voor salaris advocaat.

5 De verdere procedure in de hoofdzaak

5.1.

De rechtbank zal een datum bepalen waarop de zaak op de rol zal komen voor conclusie van antwoord.

5.2.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

in het incident

6.1.1.

wijst de vordering af;

6.1.2.

veroordeelt SEFAB in de kosten van het incident, aan de zijde van De Methorst begroot op € 1.707,00;

6.2.

in de hoofdzaak

6.2.1.

verwijst de zaak naar de rol van 16 december 2020 voor conclusie van antwoord;

6.2.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.