Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5977

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
86835485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

medewerkster belastingdienst verzoekt en krijgt ontslag. Enkele maanden later, maar vóór de ontslagdatum, verzoekt zij intrekking van dit ontslagbesluit en toekenning ziekteverlof. Dit wordt geweigerd. Verzoek aan de kantonrechter om het dienstverband te herstellen is niet op de wet gebaseerd. Ook geen reden om een wilsgebrek aan te nemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/27
AR-Updates.nl 2021-1333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaaknummer: 86835485 HA VERZ 20-55

Afschrift aan: gemachtigden
Verzonden d.d.

Beschikking van 11 november 2020 van de kantonrechter

in de zaak van

mevrouw [verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf,

tegen

de Staat der Nederlanden,

Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.B. Honders.


Partijen worden hierna [verzoekster] en de Staat genoemd.

1 Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2020,

- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2020,

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter zitting van 19 oktober 2020.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[verzoekster], geboren op 15 november 1956, is op 1 september 2001 in dienst getreden bij de Belastingdienst, aanvankelijk te Hengelo. Zij is in diverse functies werkzaam geweest als behandelfunctionaris, sinds 2010 te Apeldoorn. Zij werkte tot 1 juli 2020 als administratief medewerkster in het team Financieel Administratieve Verwerking van de Shared Service Organisatie, afdeling Financieel & Management Informatie (SSO F&MI).

2.2.

Vanaf 2017 is [verzoekster] uitgevallen voor haar werk en is een periode gevolgd van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid en re-integratie. In 2019 is voor haar een WIA-uitkering aangevraagd. Bij beslissing van 11 september 2019 heeft het UWV geoordeeld:
“(…) U kunt per 2 oktober 2019 geen WIA-uitkering krijgen. Uit het oordeel van arts en arbeidsdeskundige blijkt dat u meer dan 65% kunt verdienen van het loon dat u verdiende voordat u ziek werd. U bent 0% arbeidsongeschikt. Dat is minder dan 35%. U kunt daarom geen WIA-uitkering krijgen.(…)”.
[verzoekster] heeft tegen dit oordeel geen bezwaar gemaakt.

2.3.

[verzoekster] heeft op 9 december 2019 in het personeelssysteem P-direkt een ontslagverzoek ingediend. De Staat heeft dit verzoek gehonoreerd en aan [verzoekster] is per 1 juli 2020 ontslag verleend, in die zin dat zij met vervroegd pensioen is gegaan.

2.4.

Op 8 mei 2020 heeft [verzoekster] aan haar leidinggevende gemeld dat zij haar ontslagaanvraag intrekt. Zij verzoekt de Staat om haar met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2019 ziekteverlof te verlenen. Bij beslissing van 26 mei 2020 heeft de Staat dit verzoek afgewezen. In deze beslissing is te lezen:
“(…)

U schrijft dat u op 9 december 2019 plotseling, zonder voorafgaand overleg of plan, uw ontslag heeft ingediend onder - wat u ervoer - emotionele druk. U realiseert zich nu pas hoe dicht u tegen een volledige burn-out aanzat. U geeft aan dat na het opknappen van uw huis de paniek in alle hevigheid toesloeg en u paniekaanvallen kreeg. De angst om wat dan ook te beginnen, maakte dat u alleen maar weg wilde en dat u daarom ingestemd hebt met het voorstel om uw ontslag in te dienen. (…)
Feiten

Voor de inhoudelijk behandeling van uw verzoek is informatie ingewonnen bij uw leidinggevende, de heer [naam 1], O&P adviseur mevrouw [naam 2] en re-integratieadviseur de heer [naam 3]

(…) Uit de aan mij verstrekte informatie blijkt dat er met u gesprekken zijn gevoerd op onder meer 5 november 2019, 19 november 2019, 25 november 2019 en 9 december 2019 (de dag waarop u uw ontslag hebt ingediend).

Op 19 november 2019 zijn twee mogelijkheden met u besproken, deze opties zijn per e-mail op 25 november 2019 aan u op schrift aangeboden.

Deze mogelijkheden waren (kort samengevat):

1. U blijft in dienst van F&MI, indien mogelijk in het team van de heer [naam 1] en u krijgt werkzaamheden opgedragen op uw eigen schaalniveau (7).

2. U gaat op een nader vast te stellen datum met vroegpensioen met enkele maanden vrijstelling van werk.


Dezelfde ochtend hebt u naar mevrouw [naam 2] via de e-mail gereageerd (…)
Op 9 december 2019 is er weer een gesprek met u en direct daarna dient u uw ontslag in. Aan het eind van de middag stuurt de heer [naam 1] u een e-mail met daarin de gemaakte afspraken. Voor alle duidelijkheid citeer ik wat in deze e-mail staat:

“Conform afspraken bevestig ik wat we vandaag met elkaar bespraken. Met ingang van 1 juli 2020 verlaat je de Belastingdienst. Je hebt hiertoe vandaag je ontslag aangevraagd in P-Direkt. Per gelijke datum ga je met vervroegd pensioen. Dit regel je zelf met het ABP, let op dat je tijdig een beslissing neemt over de vorm en

uitvoering van het pensioen. De tijd tot 1 juli 2020 ga je benutten voor het vinden van werk, ter aanvulling op je pensioenuitkering. Je schrijft hiervoor tijd in SAP (0010) en boekt vakantieverlof over 2020 en 2019 (v.a. 1 december2019) af in P Direkt. Volledigheidshalve: er is geen sprake (meer) van opbouw van compensatieverlof. Bovenwettelijke uren worden bij de eindafrekening in 2020 verrekend en uitbetaald. Wij hebben maandelijks contact over de voortgang van je opdracht ‘het vinden van werk, ter aanvulling op je pensioenuitkering’. Na het

nieuwjaarsontbijt (9 januari 2020 in Utrecht) plannen wij de vaste contactmomenten. Natuurlijk kun je altijd bij mij terecht tot 01/07/2020. Denk je ook na over je afscheidsfeestje? Dan kunnen we dat in het tweede kwartaal van 2020 (laten) regelen. Laat even weten of het bovenstaande ook jouw beleving van het gesprek is.”

Op 22 december 2019 reageert u:

“De laatste twee gesprekken zijn goed weergegeven in dit verslag. Ik ben bezig om met te oriënteren op en voorbereidingen treffen voor wat ik binnenkort ga doen, bovendien is de eerste sollicitatie al de deur uit. Als ik meer weet laat ik het zsm weten. Tot binnenkort”.

In 2020 hebt u op 9 januari, in februari, 17 maart, 14 april, 21 april 2020, 29 april, 30 april, 4 mei en 8 mei contact gehad met de heer [naam 1]. In februari geeft u aan dat u gesolliciteerd hebt als postbesteller, echter helaas zonder positieve uitkomst. Op 14 april vertelt u dat u aan de slag wilt in de thuiszorg maar dat dit vanwege de coronamaatregelen niet doorgaat.

(…)
Op 21 september 2019 bent u volledig hersteld gemeld na een periode van ziekte. Uit rapportages van de bedrijfsarts blijkt niet dat bij u, tijdens uw ziekteperiode, situaties zijn geweest waarbij u tijdelijk volledig niet in staat zou zijn geweest om rationele beslissingen te nemen. Uw beslissing ontslag te nemen per 1 juli 2020 is

ruim twee maanden na het volledige herstel genomen.
Overwegingen
Bovenstaande feiten in ogenschouw nemend, deel ik uw mening niet dat u “zonder overleg of plan” en “onder emotionele druk” uw ontslag hebt ingediend.

Uit de feiten en omstandigheden blijkt het tegendeel. Immers, er zijn voorafgaand aan het indienen van uw ontslag meerdere gesprekken met u gevoerd waarbij het onderwerp ontslag en de consequenties daarvan nadrukkelijk en bij herhaling zijn besproken. U hebt zelf aangegeven dat u overweegt om met ontslag te gaan en

voorts heeft u zich laten informeren door de vakbond en het ABP over de consequenties van het aanstaande ontslag.

Op de dag waarop u het ontslag hebt ingediend in P-direkt, zijn de afspraken ter bevestiging aan u toegestuurd en u hebt hierop gereageerd dat u het eens bent met de verslaglegging.

U hebt dit jaar meerdere gesprekken gehad met de heer [naam 1] waarin u, zoals afgesproken, de voortgang van uw inspanningen ten aanzien van de toekomst hebt besproken. Pas op 29 april 2020 geeft u voor het eerst aan dat er sprake is van emotionele problemen.

Mijn beeld is dat u voor uw besluit om zelf ontslag te nemen ruim de tijd hebt gehad en dat u deze keuze weloverwogen hebt gemaakt. De Belastingdienst is genereus geweest door u vanaf het moment van het indienen van het ontslag vrij te stellen van werk zodat u zich volledig kon concentreren op uw toekomst. In alle

redelijkheid is volledig tegemoet gekomen aan uw wens toe te werken naar het ontslag en u hebt die ruimte ook volledig kunnen benutten.

Beslissing

Alles overwegende is mijn beslissing dat ik niet tegemoet kom aan uw verzoek en dat uw ontslag per 1 juli 2020 ongewijzigd gehandhaafd blijft. Evenmin zie ik aanleiding u alsnog verlof wegens ziekte toe te kennen, daar er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat na de herstel melding op 21 september 2019 (opnieuw) sprake was van ziekte. (…)”.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt om bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a. te verklaren voor recht dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de norm van goed werkgeverschap door het ontslagverzoek van [verzoekster] te accepteren en op 26 mei 2020 te weigeren de arbeidsovereenkomst ook na 30 juni 2020 voort te zetten,
b. de Staat te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2020,
c. de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoekster] voert daarvoor aan dat zij vanaf oktober/november 2019 vanwege een medicatiewissel zich steeds verwarder en chaotischer ging voelen. Ze was oververmoeid, kon vrijwel niet meer consistent redeneren en leed aan angstaanvallen. Toen door de Staat in de gesprekken van november 2019 tegen haar werd gezegd dat ze terug moest in haar eigen functie en volledig ‘aan de bak’ zou moest, heeft zij geen andere mogelijkheid gezien dan ontslag nemen. Ze kon het niet meer aan en voelde zich voor het blok gezet. Na een behandeling in een acupunctuurpraktijk en therapie heeft zij geconcludeerd dat zij niet in volledige vrijheid heeft gekozen voor het vervroegd pensioen. De Staat had haar moeten waarschuwen voor de zeer nadelige financiële gevolgen en haar een alternatief moeten bieden. Toen [verzoekster] onderkende dat zij niet met vervroegd pensioen wilde en financieel ook niet kon, maar feitelijk ziek was, heeft zij gevraagd om haar ontslagname ongedaan te maken en haar met terugwerkende kracht ziek te melden. De Staat had dit moeten toestaan.

3.3.

De Staat voert verweer tegen het verzoek. [verzoekster] is voldoende geïnformeerd en is gewezen op financiële gevolgen. Ook is zij in staat gesteld om bij derden informatie in te winnen. Uit niets is gebleken dat zij haar keuze niet kon maken of dat zij ondoordacht tot haar ontslagverzoek is gekomen. Zij heeft haar verzoek kunnen overdenken en heeft op duidelijke en ondubbelzinnige wijze het besluit genomen. Er was voor de Staat geen enkele reden om te twijfelen aan haar verzoek. Er is ook geen grond voor ongedaanmaking van (de gevolgen van) dat besluit.

4 De beoordeling

4.1.

Voor zover het verzoek onder b. gebaseerd is op artikel 7:682 BW (zoals boven het verzoekschrift is vermeld) kan het niet toegewezen worden, nu in dat artikel niet is voorzien in de mogelijkheid tot herstel van de arbeidsovereenkomst in een situatie waarin de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Ook wanneer er van uit moet worden gegaan dat de Staat de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd – naar aanleiding van het verzoek daartoe van [verzoekster] – valt de situatie van partijen niet onder het bereik van artikel 7:682 BW. [verzoekster] heeft ter zitting dit deel van het verzoek nader geformuleerd en verzocht de Staat te gebieden om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Deze vordering gaat echter de bevoegdheid van de kantonrechter te buiten. Een dergelijk gebod kan, buiten de gevallen die genoemd zijn in artikel 7:682 BW, niet worden gegeven.

4.2.

Het onder a geformuleerde verzoek van [verzoekster] is gebaseerd op twee gronden. Ten eerste de grond dat de Staat nalatig is geweest ten aanzien van de volgende zaken:
- onderzoeken of [verzoekster] zich bewust is van alle gevolgen van haar ontslagname op het gebied van haar financiën, uitkeringsrechten en pensioen,
- het zelf verstrekken van alle rechtspositionele informatie
- het zorgen voor adequate juridische ondersteuning.
Daarnaast is aan [verzoekster] geen bedenktijd geboden.
Als tweede grond stelt [verzoekster] dat de Staat haar ontslagname niet had mogen inwilligen, omdat zij niet in staat was haar wil goed te bepalen. Het ontslag is in een emotionele, chaotische toestand gevraagd. De Staat had daarom moeten ingaan op haar verzoek om het dienstverband te herstellen en haar met terugwerkende kracht ziek te melden, aldus [verzoekster].

4.3.

Te beoordelen is of [verzoekster] op 9 december 2019 vrijwillig ontslag heeft aangevraagd en of de Staat er van uit mocht gaan dat zij ook inderdaad beëindiging van het dienstverband wilde.
Uit de onweersproken weergave van de gang van zaken, zoals door de Staat gesteld en opgenomen in het besluit van 26 mei 2020, blijkt dat aan het indienen van het ontslagverzoek op 9 december 2019 tenminste drie gesprekken vooraf zijn gegaan, namelijk op 5, 19 en 25 november 2019. Ook is er op
9 december 2019 een gesprek geweest, voorafgaand aan het indienen van het ontslagverzoek.
Tussendoor heeft [verzoekster], in een e-mailbericht van 14 november 2019, onder andere geschreven ‘Ik heb bij het ABP de mogelijkheden om eerder met pensioen te gaan uitgezocht, maar dat is helaas voor mij geen realistisch verhaal. Is het mogelijk dat ik ontslagen wordt met een ontslag vergoeding (andere naam) ?
Ook is er door haar op 25 november 2019 geschreven: ‘Op dit moment ben ik aan het overwegen wat mijn mogelijkheden zijn als ik kies voor optie 2. Ik bespreek dit ook nog met de vakbond, want ik wil weten of zij nog tips of belangrijke info hierover hebben. Voor ik een beslissing neem is het van belang om te weten hoe lang ik in dat geval nog bij de BD in dienst zal zijn. Over hoeveel maanden hebben we het dan en wanneer gaat dat dan in? (…)’.

4.4.

Uit het aantal gesprekken, de tijdsperiode van meer dan een maand en de reacties van [verzoekster] kan niet worden geconcludeerd dat [verzoekster] in een opwelling of onnadenkend tot de ontslagname is gekomen. Zij heeft informatie gevraagd aan haar werkgever en derden, heeft relevante vragen gesteld en heeft in diverse gesprekken de gelegenheid gehad alle vragen die zij had te stellen. [verzoekster] heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de Staat meer had moeten doen om te onderzoeken of zij zich bewust was van alle gevolgen van haar ontslagname en voorzien was van afdoende bijstand. Zij heeft immers zelf aangegeven dat zij contact had met haar vakbond en het ABP. Dat deze informatie niet klopte, omdat zij uiteindelijk geen contact had opgenomen, zoals zij ter zitting heeft verteld, kan zij niet tegenwerpen aan de Staat. Dit ligt volledig in haar risicosfeer.
Evenmin heeft zij uiteen gezet welke informatie de Staat niet heeft verstrekt en wel had moeten verstrekken. Dat er niet volstaan had mogen worden met het aanbieden van twee opties, maar er ook een derde optie geboden had moeten worden, kan niet worden gevolgd. Op basis van de beslissing van het UWV van 11 september 2019 mocht de Staat ervan uitgaan dat [verzoekster] niet arbeidsongeschikt was, zodat zij in staat kon worden geacht haar functie zonder beperkingen uit te voeren. De conclusie moet dan zijn, dat de eerste grond niet slaagt.

4.5.

Voor de tweede grond is eveneens relevant, dat de Staat op basis van de beslissing van het UWV van 11 september 2019 er van uit mocht gaan dat [verzoekster] niet arbeidsongeschikt was op en na die datum. [verzoekster] stelt dat zij na een medicatiewissel in oktober 2019 achteruit is gegaan, verward werd, angstaanvallen kreeg, oververmoeid raakte en dat haar hoofd vol zal met chaotische gedachten. Zij heeft zich echter niet ziek gemeld. Dat de Staat op de hoogte was of kon zijn van haar (innerlijke) situatie is onvoldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd, zodat ook deze grond niet slaagt. In de overgelegde mailcorrespondentie komt geen beeld naar voren van een verward of inconsistent persoon. Integendeel. De Staat wijst er verder op dat [verzoekster] in de periode na haar ontslag regelmatig in contacten met de (ex)werkgever heeft aangegeven dat het heel goed met haar ging en dat zij aan het solliciteren was. Pas nadat half maart 2020 de corona-lock-down plaatsvindt en het vinden van ander werk niet blijkt te lukken heeft [verzoekster] eind april voor het eerst aangegeven dat zij klachten ervaarde, aldus de Staat.

4.6.

[verzoekster] heeft niet weersproken dat zij niet eerder dan in het gesprek van 29 april 2020 aan haar (voormalig) leidinggevende heeft verteld dat zij klachten ervaart. [verzoekster] heeft een verklaring overgelegd van de acupuncturist die haar behandeld heeft, waarin deze schrijft dat zij in de periode november/januari klaagde over vermoeidheid en niet goed helder kunnen denken. Verder schrijft hij dat de behandeling van 26 oktober 2019 tot 13 maart 2020 heeft geduurd, met wisselend resultaat. Uit de verklaring blijkt echter niet of en, zo ja, hoe de klachten voor derden waarneembaar waren en evenmin dat [verzoekster] in de behandelperiode niet in staat was zich ziek te melden of haar situatie met haar leidinggevende te bespreken.

4.7.

Voor zover [verzoekster] een beroep bedoelt te doen op een wilsgebrek als bedoeld in artikel 3:33 e.v. BW kan dit ook niet leiden tot het door haar gewenste resultaat. Zij heeft de vernietiging van haar ontslagverzoek niet (tijdig) ingeroepen en bovendien is in artikel 3:35 BW bepaald ‘Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.’ Zoals hiervoor overwogen, mocht de Staat uit het gedrag en de (schriftelijke) verklaringen van [verzoekster] afleiden dat zij geïnformeerd en geadviseerd was over de gevolgen van haar ontslagname, en een weloverwogen besluit daartoe had genomen.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van [verzoekster] niet toegewezen kan worden. In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

compenseert de proceskosten, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2020 in aanwezigheid van de griffier.