Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5917

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
05/880726-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 28-jarige man en 29-jarige Rotterdammer voor het samen plegen van een ripdeal en poging tot doodslag. De 28-jarige man krijgt een celstraf van 8 jaar, terwijl de man uit Rotterdam 7 jaar celstraf krijgt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/880726-19 en 15/860199-15 (tul)

Datum uitspraak : 4 november 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , z.v.w.o.v.p.,

thans gedetineerd in de P.I. Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw: mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 9 oktober en 4 december 2019 en 26 februari, 20 mei en 21 oktober 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 25 februari 2019, te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, verdachte en/of zijn mededaders,

- is/zijn, in het bezit van een of meer vuurwapens, naar die [slachtoffer] toegegaan en/of

- heeft/hebben (vervolgens), een of meer kogels op die [slachtoffer] afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] aan het hoofd en/of in/aan de benen en/of in de heup werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 februari 2019, te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, verdachte en/of zijn mededader(s) - is/zijn, in het bezit van een of meer vuurwapens, naar die [slachtoffer] toegegaan en/of - heeft/hebben (vervolgens), een of meer kogels op die [slachtoffer]

afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] aan het hoofd en/of in/aan de benen en/of de heup werd geraakt (met schotverwondingen en femurfractuur als gevolg);

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2019, te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kilo cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid

hennep/hasjiesj, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) af te vuren op die [slachtoffer] en/of door met een vuurwapen die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen het hoofd te slaan, waarbij voornoemd feit voor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere schotverwondingen en/of een

femurfractuur, ten gevolge heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, primair, en feit 2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte niet schuldig is aan het hem tenlastegelegde omdat verdachte niet de rennende man met de baard is die op de beelden is te zien en hij niet betrokken is bij de tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het bewijsmiddelen in het dossier is onder meer het volgende opgemerkt.

  • -

    Uit het dossier blijkt niet hoe is vastgesteld door verbalisant [verbalisant 1] dat de Kaapverdiaanse jongen met de baard uit een Rotterdamse zaak, dezelfde man is als verdachte.

  • -

    Verbalisant [verbalisant 2] heeft niet aangegeven waar de grote gelijkenis tussen verdachte en de rennende man met de baard op de beelden in zit.

  • -

    Getuige [getuige 3] heeft volgens de verdediging zelf niemand herkend, hij is afgegaan op een verhaal of verhalen uit zijn omgeving. Niet is vastgesteld of de man die [getuige 3] heeft bedreigd verdachte is en er heeft met [getuige 3] geen fotoconfrontatie plaatsgevonden.

  • -

    De herkenning van verdachte door getuige [getuige 2] is onbetrouwbaar en dus onbruikbaar voor het bewijs. Er heeft geen meervoudige fotoconfrontatie plaatsgevonden. De verdediging heeft in dat kader opgemerkt dat een enkelvoudige fotoconfrontatie volgens de jurisprudentie niet is uitgesloten, maar dat een meervoudige fotoconfrontatie de voorkeur verdient. Een enkelvoudige fotoconfrontatie dient kritisch en met de nodige voorzichtigheid te worden beoordeeld. De verdediging heeft hierbij verwezen naar enkele uitspraken: ECLI:NL:GDHA:2019:292, ECLI:NL:RBZWB:2019:4586 en ECLI:NL:GHDHA:2018:3354. Door het toepassen van een enkelvoudige fotoconfrontatie en het enkel tonen van het confrontatiesubject, is er sprake van beïnvloeding van getuige [getuige 2] .

  • -

    Getuige [getuige 1] verklaart dat de man op de haar getoonde foto van verdachte niet de rennende man met de baard is.

  • -

    Bij aangever [slachtoffer] heeft geen fotoconfrontatie plaatsgevonden. Hij heeft bovendien verklaard dat de man met de baard van Pakistaanse/Hindoestaanse afkomst is.

  • -

    [slachtoffer] heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard en zijn verklaring is daarom onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs. Zijn zogenaamde herkenning van verdachte op de inhoudelijke behandeling en bij de rechter-commissaris is van geen waarde.

  • -

    De herkenning van verdachte ter terechtzitting door [slachtoffer] is daarnaast van geen enkele waarde, omdat hij beschikt over het strafdossier met daarin foto’s van verdachte en omdat hij belang heeft bij een toegewezen vordering als benadeelde partij.

  • -

    De camerabeelden nabij de plaats van het delict zijn vaag en er heeft geen gezichtsvergelijkend onderzoek plaatsgevonden.

  • -

    Onderzoeken naar schotresten op de inbeslaggenomen kleding, naar een link met de medeverdachte(n), naar telefoongegevens en naar DNA-sporen heeft niets opgeleverd althans heeft niet naar verdachte geleid.

De verdediging concludeert dat er onvoldoende wettig én overtuigend bewijs in het dossier zit om vast te stellen dat verdachte de (rennende) man met de baard is.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) wordt ervan verdacht dat hij samen met een ander een ripdeal heeft gepleegd en dat hij tijdens die ripdeal samen met een ander heeft gepoogd [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) van het leven te beroven. Gelet op de verwevenheid van de feiten zal de rechtbank de feiten tezamen bespreken. De rechtbank stelt het volgende vast.

Op 25 februari 2019 omstreeks 14.11 uur kwam verbalisant [verbalisant 3] aan de [adres 1] te Arnhem waar mogelijk een schietincident had plaatsgevonden. In de deuropening van de woning zag zij een man op de grond liggen die later aangever [slachtoffer] bleek te zijn. Hij gaf aan dat er op hem geschoten was.2 [slachtoffer] heeft 6 (in- en uit)schotverwondingen opgelopen, waarvan vier aan het linker bovenbeen en twee aan het rechter bovenbeen. Verder heeft hij een botbreuk in het linker bovenbeen (femurfractuur) opgelopen. De schotverwondingen en de botbreuk zijn ontstaan door het binnentreden van kogels afkomstig uit een vuurwapen. Verder heeft [slachtoffer] aan het hoofd zes oppervlakkige tot matig oppervlakkige schaafwonden, een oppervlakkige krasverwonding en twee barstverwondingen opgelopen.3

Forensisch onderzoek

Letselverklaring

Uit de letselverklaring die is opgemaakt met betrekking tot het letsel van [slachtoffer] volgt dat een bloeding uit een groot vat in een van de benen, zeker wanneer het een slagaderlijke bloeding zou betreffen, een risico geeft op overlijden indien er geen tijdige medische hulp wordt geboden. Daarnaast had er een risico op overlijden bestaan, ondanks tijdige medische hulp: een bloedvergiftiging (sepsis) ten gevolge van een infectie door de binnengetreden kogels. Een sepsis heeft vaak een dodelijke afloop, ondanks adequate therapie. Omdat er een prothese (T2-pen) was ingebracht was er tevens een gevaar op een botinfectie (osteomyelitis) die zeer moeizaam te behandelen is met antibiotica en zich via het botweefsel in het gehete lichaam kan verspreiden. Ook dit had kunnen resulteren in een sepsis met dodelijke afloop.4

Wapens en munitie

In de woning zijn 4 kogeldelen aangetroffen. De kogeldelen zijn veiliggesteld onder de SIN-nummers AAJ05232NL, AAKK4526NL (bestaande uit 2 delen) en AAKK4527NL en onderzocht op kenmerken. Het kogeldeel met SIN AAJ05232NL past het best bij een loden kern van een kogel waarvan het nominale kaliber van 9 millimeter bedraagt. Het kogeldeel met SIN AAKK4527NL past het best bij een loden kern van een kogel waarvan het nominale kaliber 7,62/7,65 millimeter bedraagt. De andere 2 loden delen hebben beide geen specifieke kenmerken van een kogel. Uit het been van [slachtoffer] is een kogeldeel/fragment (SIN AAJ0532NL) verwijderd.5 Dit kogeldeel past het best bij een loden kern van een kogel waarvan het nominale kaliber 9 mm bedraagt.6

Op een stoel in de woning is voorts een patroonmagazijn aangetroffen met 7 patronen. Het patroonmagazijn [AAKK4525NL] heeft behoord tot een semi-automatisch werkend pistool van het merk Crvena Zastava, model M70 in het kaliber 7,65 mm Browning.7

In de woning zijn 3 hulzen aangetroffen. De hulzen zijn van het kaliber 9 mm Parabellum.8 De drie hulzen [AAKK4524NL, AAKK4530NL en AAKK4531NL] zijn vermoedelijk verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9 mm Parabellum. Het merk

van het betreffende vuurwapen kon niet worden vastgesteld.9 Het NFI heeft vergelijkend hulsonderzoek gedaan. De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker is wanneer de hulzen zijn verschoten met één en het zelfde vuurwapen, dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.10

In het plafond van de keuken is een beschadiging aangetroffen die afkomstig kan zijn van een ricochet veroorzaakt door een projectiel.11

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat er in de woning twee vuurwapens aanwezig zijn geweest, een van het kaliber 7,65 mm Browning en een van het kaliber 9 mm Parabellum. Met het vuurwapen van het kaliber 9 mm Parabellum zijn 3 hulzen verschoten. Met het vuurwapen van het kaliber 7,65 mm Browning is een kogel verschoten. Voorts leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat [slachtoffer] is geraakt met verschoten kogels uit het vuurwapen van het kaliber 9 mm Parabellum.

Verdovende middelen

In de gang bij de voordeur zijn op een lage kast onder de kapstok en op de vloer stukjes onbekende witte stof aangetroffen. Van de substantie is een monster met SIN AAMK8497NL veiliggesteld.12 Het monster is positief getest op cocaïne.13

Camerabeelden

De camerabeelden van een tweetal camera’s nabij de plaats van het delict zijn uitgelezen. De ene camera is gericht op de tuin/zijkant en de andere camera op de voortuin/voorkant van de woning aan de Annie Menkes-Zernikestraat 29 te Arnhem. Het volgende is waargenomen:

13.50 uur Een donker grijze VW Polo komt vanaf de [adres 2] de [adres 3] ingereden en gaat rechtsaf de [adres 1] in. In het voertuig zit aan de bestuurderskant een persoon met een petje.

13.50

uur De VW Polo wordt achteruit geparkeerd ter hoogte van perceel nummer 65.

Er stappen 3 personen uit:

Persoon 1: passagier rechts achterin;

Persoon 2: bestuurder;

Persoon 3: bijrijder;

De 3 personen stappen uit en lopen in de volgorde van 1, 2 en 3 richting de woning waar het incident heeft plaatsgevonden, perceel 53. Vervolgens komen ze weer terug en wachten op de hoek, tegenover perceel 53. 14

13.53

uur Een witte Kia komt aanrijden. Hierin zit slachtoffer [slachtoffer] . Hij parkeert de Kia en loopt op de drie personen af en geeft hen een hand. Dan lopen zij uit beeld richting perceel 53. De woning waar het slachtoffer verblijft.

14.02

uur Een getuige (vrouw in wit T-shirt) komt in beeld en loopt naar perceel 53. Een manspersoon (uit de beelden blijkt dit persoon 3 te zijn) komt rennend in beeld vanaf perceel 53 waardoor hij en de getuige elkaar nagenoeg kruisen. De getuige rent terug naar de buren rechts van perceel 53 en roept daar door de brievenbus. Persoon 3 rent vervolgens weer terug richting perceel 53.

Vervolgens komt persoon 3 wederom rennend vanaf perceel 53 in beeld, de getuige rent verder de straat in. Persoon 3 rent achter de geparkeerde auto's langs. Het lijkt erop alsof hij iets in zijn rechter jaszak stopt. Hij rent vervolgens met zijn rechter hand in zijn jaszak via de [adres 3] uit beeld.

14.03

uur Persoon 2 komt terug in beeld en loopt terug naar de grijze VW Polo met een wit pakket onder zijn rechter arm. Hij stapt vervolgens in en rijdt weg richting de [adres 2] .

Signalementen:

Persoon 1:

  • -

    Man

  • -

    Zwarte pet

  • -

    Witte/lichtkleurige trui

  • -

    Zwarte bodywarmer

  • -

    Lichtkleurige broek

Persoon 2:

  • -

    Man

  • -

    Zwarte baard

  • -

    Zwarte pet met wit embleem

  • -

    Zwarte jas

  • -

    Witte/lichtkleurige capuchon (hoody)

Persoon 3:

  • -

    Man

  • -

    Zwart baardje

  • -

    Zwarte pet met wit embleem

  • -

    Zwarte trainingsbroek met witte bies op rechter been

  • -

    Witte sportschoenen.” 15

Verklaringen

[slachtoffer] heeft op 26 februari 2019 verklaard dat een vriend van hem genaamd [getuige 2] (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige 2] ), zou langskomen met twee mannen. De twee mannen zouden monsters van wiet en cocaïne komen bekijken en als alles goed zou zijn, zou de deal geregeld worden. 16 In de woning zouden de twee mannen monsters van wiet en cocaïne hebben bekeken.

[slachtoffer] heeft verder verklaard:

“Gelijk daarna werd ik door een van de mannen bij mijn keel gegrepen en hij trok een vuurwapen en drukte deze tegen mijn hoofd. Ik zag dat de andere man ook een vuurwapen trok. Ik hoorde de man die bij mijn keel greep en een vuurwapen tegen mijn hoofd hield roepen om handel en geld. Ik zei dat ik geen geld en handel had. Toen [getuige 2] dit zag, is hij via de achterdeur van de woning gevlucht. (...) Ik duwde de man die mij bij mijn keel vast had van me af en we raakten in een worsteling. Tijdens de worsteling schoot de man en raakte mij aan de rechterzijde van mijn hoofd. De kogel is langs mijn hoofd gegaan waardoor ik een schaamschot [de rechtbank begrijpt: schampschot] heb opgelopen. Ik zag dat de magazijn uit het pistool viel en deze naast de salontafel viel. Terwijl ik tijdens de worsteling de man van mij probeerde af te houden, heeft de tweede man die ook een vuurwapen getrokken had, mij een keer of vier beschoten. Ik werd een keer geraakt aan mijn rechterbovenbeen en drie keer aan mijn linker bovenbeen, waarvan een keer aan mijn linkerknie.

Terwijl ik nog met de man in worsteling was, is de andere man die mij vier keer had beschoten, via de voordeur naar buiten gevlucht (…). De man sloeg mij met het wapen een aantal keren op mijn hoofd. Ik bleef aan de man hangen en op een gegeven moment kwam de man los. Op dat moment hoorde ik een auto starten en met piepende banden wegrijden. Volgens mij moet dat de man zijn geweest, die via de voordeur was gevlucht, die met een auto wegreed. De man waarmee ik in worsteling was geweest, is daarna (…) gevlucht.” 17

De man die mij vier keer heeft beschoten en via de voordeur is gevlucht, kan ik als volgt omschrijven:

Leeftijd 34/35 jaar oud

Licht getint huidskleur

Hindoestaans/Pakistaans uiterlijk

Gezet/fors postuur

Tussen de 1.65 m en 1.70 m

Baard (naar beneden toe in een puntig vorm) Verder geen bijzonderheden aan het gezicht

Een zwartkleurige ICON petje

Geheel gekleed in een Nike trainingspak, kleur zwart, met witte biezen

Zwarte Nike sportschoenen. 18

Aanvullend heeft [slachtoffer] op 7 augustus 2019 verklaard:

“Ik stond in de keuken bij het aanrecht (…). Naast mij stond de man met de baard (…). [medeverdachte] [de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ] zit op de stoel tussen de keuken en de eettafel (…). [getuige 2] zat op de hoek van de bankstel (…) de man met de baard verplaatst [zich] richting de woonkamer en [medeverdachte] verplaatst [zich] richting de keuken. Tijdens de verplaatsing van de man met de baard richting de woonkamer zie ik dat hij een vuurwapen uit zijn broeksband haalde en gelijk hoorde ik "klik klik" als zijnde het laden (rechtbank: doorladen) van het vuurwapen. Ik zag dat [getuige 2] door de man met de baard onder schot werd gehouden. Ik zag dat [medeverdachte] opstond uit de stoel en in mijn richting kwam en daarbij een vuurwapen vanuit zijn broeksband haalde en op mij richtte. [medeverdachte] hield de vuurwapen in zijn rechterhand. Met zijn linkerhand greep hij mij bij de keel. (…) In de keuken werd ik door [medeverdachte] bij de keel gegrepen en hij zette een pistool op mijn hoofd. (…) Toen [medeverdachte] op mij afkwam riep hij: "Ik schiet je dood, ik maak je af." (…) Bij het afweren ging de eerste schot af en deze kwam in het plafond van de keuken terecht. (….) [medeverdachte] wilde nog een keer op mij schieten maar ik bleef mij afweren waardoor de houder van het wapen van [medeverdachte] uit het wapen viel op de grand vlakbij de stoel waar [medeverdachte] zat. (…) Op dat moment hoort en ziet de man met de baard dat er geschoten is en dat [medeverdachte] de houder van het wapen verliest. De man met de baard verplaatst zich in de richting van mij en [medeverdachte] . (…) Op dat moment vlucht [getuige 2] via de achterdeur naar de tuin. (…) Op dat moment begint de man met de baard op mijn benen te schieten.19 (…) Al schietend loopt de man met de baard achterwaarts via de voordeur naar buiten. Op dat moment lag ik op de grond en [medeverdachte] stond nog in de keuken. [medeverdachte] heeft vervolgens met het vuurwapen een aantal keren op mijn hoofd geslagen (…) Na het slaan met het vuurwapen, loopt [medeverdachte] naar het aanrecht en pakt het zakje met handel en loopt rustig via de voordeur naar buiten.20

Getuige [getuige 2] heeft op 28 februari 2019 het volgende verklaard:

“Ik leerde die Marokkaanse man [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ] kennen. 21 Hij had wiet en cocaïne, daar kon hij aan komen en daar zocht hij kopers voor. (…) Ik ben toen voor hem mensen gaan zoeken die hier interesse hadden in zulke dingen. (…) Ik ben toen via een vriend van mij ben ik in aanraking gekomen met een jongen, (…) [naam 1] heet hij. Dat is zijn bijnaam. (…). Dat is een Irakese jongen en die had wel interesse om wiet te kopen. Ik heb toen een afspraak gemaakt met die Marokkaan en met hun. De eerste keer is er drie kilo wiet gekocht. Dit was twee weken geleden. (…) die twee hebben dat afgenomen. Een paar dagen later kreeg ik een berichtje of er nog meer wiet was. (…) Een paar dagen later heeft die Marokkaan mij een berichtje gestuurd van er is weer er zijn er weer een aantal. Toen heb ik hun weer laten weten van er is weer. Afspraak gemaakt en dat zou plaats vinden maandag om 11.00 uur. (…) We komen daar binnen. (…) Op een gegeven moment zegt die Marokkaan van ik heb ook nog wel cocaïne hebben jullie daar interesse in. Zij zeiden ja daar hebben wij wel interesse in. Die Marokkaan gaat naar boven en pakt dat blok cocaïne en hij loopt naar de keuken toe. Hij legt dat blok in de keuken neer en staat daar samen met een gast en ze gaan dat openmaken. Ik zat op de bank. Zij beginnen dat open te maken en ik hoor in een keer KLIK. En die [naam 1] trekt een pistool en die met die baard die trekt een pistool en ik hoor weer KLIK en hij laadt het pistool door op mij en terwijl hij hem doorhaalt op mij hoor ik in de keuken dat ding afgaan. PANG en ik hoor een gegil. Die jongen die het pistool op mij had getrokken draait zich om en ik zie de tuin en ik vlucht die tuin in(…) Ik heb twee partijen samen gebracht zodat ik zelf wat zou verdienen. Ik zou er 500 euro aan verdienen aan dit. En eigenlijk is het helemaal uit de hand gelopen. In plaats van dat het gekocht zou worden is het geript als ware. Dat was een kilo [cocaïne], het was nog helemaal ingepakt alles.”22

[verdachte] heeft zich vanaf zijn aanhouding beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij ontkend dat hij ‘de man met de baard’ is en dat hij in de woning aan de [adres 1] te Arnhem aanwezig was alwaar het aan hem tenlastegelegde heeft plaatsgevonden.

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 2] in combinatie met de camerabeelden, concludeert de rechtbank dat mededader ‘ [naam 1] ’ ‘persoon 2’ op de camerabeelden is en dat ‘de (rennende) man met de baard’ ‘persoon 3’ is. Getuige [getuige 2] is ‘persoon 1’.

Vaststellen identiteit ‘de man met de baard’ / de herkenning van [verdachte]

Herkenning door getuige [getuige 3]

Getuige [getuige 3] heeft op 24 mei 2019 verklaard dat hij, na het bekijken van een uitzending van Opsporing verzocht waarin beelden waren getoond van daders van een schietpartij in Arnhem, een van deze schutters (de man met de baard) herkende. De man zou hem zeer recentelijk met een vuurwapen hebben bedreigd in een vol café. Hij verklaarde voorts dat hij 2 weken geleden aangifte had gedaan in Rotterdam tegen de man met de baard in verband met de bedreiging.23

In de politiesystemen is de aangifte van [getuige 3] aangetroffen. Hieruit volgt dat [getuige 3] aangifte heeft gedaan van bedreiging door een Marokkaans manspersoon genaamd [naam 2] of [naam 3] – die hem 2 maanden eerder had beroofd – en door een Kaapverdiaanse manspersoon, waarvan de naam hem onbekend was. [getuige 3] geeft het volgende signalement van de mannen:

“Beschrijving van [naam 2] :

- Marokkaans;

(…);

rond gezicht, donker kort haar;

(…)

Een beschrijving van Kaapverdiaanse jongen:

  • -

    kalen hoofd;

  • -

    draagt een zwarte baard;

  • -

    (…).” 24

Getuige [getuige 3] verklaarde op 27 mei 2019 dat hij de Kaapverdiaanse jongen op 26 mei 2019 nog had gezien in Rotterdam. [getuige 3] verklaarde voorts dat de jongen nu geen baard meer had.25 Op 27 mei 2019 is [verdachte] aangehouden in verband met een onderzoek in Rotterdam. Tijdens deze aanhouding droeg [verdachte] geen baard.26

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 3] aanvullend verklaard:

“Die jongen had mij eerder lastig gevallen; meerdere keren. (…) Ze hadden mijn horloge

gestolen, ze hebben geld gestolen (€ 3.000,00). Ze hebben mij vast gehouden en mij

helemaal gesloopt. Ze wilde dat ik drugs zou leveren en die zouden ze niet betalen. Die

gasten zijn rippers. (…)

U zegt dat u de beelden van Opsporing Verzocht had gezien. Waarom dacht je hem te

herkennen of waaraan herkende je hem? Aan zijn baard en aan zijn gezicht. Ik zou zijn gezicht vanaf een km afstand nog herkennen. Hij heeft mij tenslotte dingen aangedaan. Ook aan zijn houding en zijn loopje en lengte herkende ik hem.” 27

Herkenning door verbalisant [verbalisant 2]

Door verbalisant [verbalisant 2] is op 24 mei 2019 contact opgenomen met de coördinator van dat onderzoek naar de bedreiging met een vuurwapen in Rotterdam waarvan [getuige 3] aangifte heeft gedaan, te weten verbalisant [verbalisant 1] . [verbalisant 1] heeft aan [verbalisant 2] medegedeeld dat de identiteit van de bedreigers bekend was. De man met de baard zou volgens hem [verdachte] zijn. [verbalisant 2] heeft vervolgens de van [verdachte] beschikbare foto’s in de politiesystemen bekeken en deze vergeleken met de camerabeelden. [verbalisant 2] heeft geverbaliseerd dat [verdachte] , afgebeeld op de foto’s in de politiesystemen, grote gelijkenis vertoonde met de man met de baard op de camerabeelden (van het schietincident in Arnhem).28

Herkenning door getuige [getuige 2]

Op 4 juni 2019 zijn aan [getuige 2] screenshots getoond van de camerabeelden van ‘de man met de baard’. [getuige 2] heeft daarop verklaard dat dat een van de twee mannen is geweest die in de woning van het slachtoffer was. Het is de man die hem onder schot heeft gehouden.29

Vervolgens zijn aan [getuige 2] 3 foto’s getoond van [verdachte] , de eerste twee met baard en de derde zonder baard. [getuige 2] heeft bij het tonen van de eerste foto verklaard: “Dat is hem! Ik herken hem voor de volle 100%! 100% Dit is de man die mij onder schot heeft gehouden.” Bij het tonen van de tweede foto heeft [getuige 2] verklaard dat het dezelfde man is als de vorige foto. Bij het tonen van de derde foto heeft hij verklaard dat het de man is van de eerste foto, maar dan zonder baard.30

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] herhaald dat de man op de camerabeelden de dader is. Op de vraag waar hij de dader aan herkende heeft [getuige 2] verklaard: “Aan zijn baard, sowieso, en nogmaals, ik ben er zelf bij geweest. Ik herkende de persoon meteen.”31

Verder heeft [getuige 2] verklaard:

“In datzelfde verhoor zijn u ook foto’s van gezichten getoond.

Dat klopt. (…) In een eerder verhoor hadden ze mij wel al foto’s van personen getoond, maar dat waren andere foto’s en dat was die persoon nog niet.

(…)

Weet u nog wat u gezegd heeft toen u die foto zag?

Ja, dat is hem, 100%.

Was dat uw eerste reactie?

Ja.

Waar herkende u hem aan?

Omdat ik hem twee keer in het echt gezien heb. Als je hem dan op foto ziet, dan weet je wel

dat dat de persoon is.” 32

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt gesteld dat er behoedzaam met de herkenning van de verdachte door de getuige [getuige 2] dient te worden omgegaan aangezien er slechts sprake is geweest van een enkelvoudige fotoconfrontatie. De rechtbank overweegt dat er geen rechtsregel in de weg staat om – met de daarbij passende behoedzaamheid – gebruik te maken voor het bewijs van de verklaring van een getuige die de dader van een strafbaar feit zegt te herkennen op een aan hem bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto.

De rechtbank overweegt voorts dat het de voorkeur heeft dat een getuige een meervoudige fotoconfrontatie wordt getoond, maar dat het feit dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een meervoudige fotoconfrontatie niet maakt dat de herkenning van [getuige 2] niet bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank merkt daartoe het volgende op.

De herkenning door getuige [getuige 2] is niet de enige herkenning in het dossier. Zo is er ook de herkenning van de man op de beelden door getuige [getuige 3] en de geconstateerde grote gelijkenis door verbalisant [verbalisant 2] na een vergelijking van de foto’s van [verdachte] met de man met de baard op de camerabeelden. De herkenningen door [getuige 3] en [verbalisant 2] vonden plaats voorafgaande aan de herkenning door [getuige 2] .

Ten aanzien van de herkenning door [getuige 3] merkt de rechtbank nog op dat [getuige 3] op de beelden van Opsporing Verzocht een man heeft herkend tegen wie hij eerder aangifte heeft gedaan. Bij de politie te Rotterdam is de identiteit van de man waartegen hij aangifte heeft gedaan bekend. Nadat aan [getuige 3] een foto van [verdachte] wordt getoond, bevestigt hij dat dat de man is die hij herkende op de camerabeelden.

Bovendien is ten aanzien van de herkenning door [getuige 2] van belang dat aan [getuige 2] – voordat aan hem foto’s van [verdachte] zijn getoond – eerst foto’s zijn getoond van andere personen. Bij al die andere personen heeft getuige [getuige 2] verklaard dat dat niet de verdachte is. Op het moment dat de foto van [verdachte] wordt getoond is hij stellig en verklaart hij [verdachte] ‘voor de volle 100%’ te herkennen.

De rechtbank vindt de herkenning van [verdachte] door getuige [getuige 2] dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Ten slotte is van belang dat aangever [slachtoffer] in een nader verhoor bij de rechter-commissaris op 1 oktober 2020 heeft verklaard dat hij zowel [verdachte] als de mededader ter terechtzitting van 20 mei 2020 (inhoudelijke behandeling) heeft herkend als zijnde de daders en dat hij er 100% zeker van is dat zij de twee personen zijn die bij hem in de woning zijn geweest.33

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de rennende man met de baard op de beelden is.

Medeplegen poging doodslag

De rechtbank komt, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in samenhang bezien, tot de conclusie dat [verdachte] en zijn mededader op 25 februari 2019 samen zijn afgereisd naar Arnhem en de woning aan de [adres 1] te Arnhem zijn binnengegaan met twee vuurwapens. Ze hebben in de woning de aan hen aangeboden cocaïne bekeken. [verdachte] en zijn mededader hebben vervolgens beiden een vuurwapen gepakt en gericht op [slachtoffer] en [getuige 2] . Zij hebben voorts deze vuurwapens schietklaar gemaakt door de wapens door te laden. De mededader heeft [slachtoffer] bij de keel gepakt en geroepen “Ik schiet je dood, ik maak je af”. Toen [slachtoffer] zich afweerde, is het vuurwapen van de mededader van het kaliber 7,65 mm Browning afgegaan. Doordat [slachtoffer] zich bleef afweren is de patroonhouder uit het wapen gevallen. Er ontstond een worsteling tussen [slachtoffer] en de mededader. [verdachte] heeft vervolgens meerdere kogels afgevuurd met een vuurwapen van het kaliber 9 mm Parabellum waarbij [slachtoffer] meerdere malen in zijn bovenbeen is geraakt. [verdachte] heeft vervolgens de woning verlaten. Nadat de mededader uit de worsteling met [slachtoffer] is losgekomen, heeft ook de mededader de woning verlaten terwijl hij [slachtoffer] hulpeloos heeft achtergelaten.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een tevoren door verdachte en zijn mededader gemaakt plan, waarbij zij beiden hun wapen zouden trekken en zo nodig zouden gebruiken om op personen te schieten. De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van [verdachte] gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het doden van [slachtoffer] , dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat [verdachte] daarop ook opzet had. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door samen met zijn mededader en in het bezit van meer vuurwapens naar [slachtoffer] toe te gaan en meerdere malen op hem te schieten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de handelingen van de mededader, mede bezien in het licht van het vooropgezette plan, een zodanige bijdrage aan de poging doodslag opleveren, dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en derhalve sprake is van medeplegen.

Diefstal met geweld

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] [verdachte] en zijn mededader naar de woning in Arnhem heeft laten komen om aan hen een kilo cocaïne te verkopen. Deze verkoop heeft echter niet plaatsgevonden. De kilo cocaïne is door de mededader wel meegenomen terwijl [slachtoffer] daarvoor geen toestemming heeft gegeven. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat [verdachte] en zijn mededader de cocaïne hebben gestolen. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank voorts af dat de diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld. [slachtoffer] is meerdere malen door [verdachte] in zijn bovenbenen geschoten en door de mededader met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met geweld. Ze zijn samen naar Arnhem gegaan, ze hebben beiden een wapen meegenomen en deze wapens op [slachtoffer] en [getuige 2] gericht nadat de cocaïne is bekeken. De mededader heeft [slachtoffer] bij zijn keel gepakt en met een vuurwapen meerdere malen op het hoofd van [slachtoffer] geslagen. [verdachte] heeft [slachtoffer] in zijn been geschoten en de mededader heeft de cocaïne meegenomen. [verdachte] heeft zich daarom schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld.

Het geweld heeft een femurfractuur en meerdere schotverwondingen in de bovenbenen van [slachtoffer] ten gevolge gehad. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht daarmee ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, primair, en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 25 februari 2019, te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, verdachte en/of zijn mededaders,

- zijn/is in het bezit van een of meer vuurwapens, naar die [slachtoffer] toegegaan en/of

- heeft/hebben (vervolgens) een of meer kogels op die [slachtoffer] afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] aan het hoofd en/of in/aan de benen en/of in de heup werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2019, te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kilo cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid hennep/hasjiesj, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) af te vuren op die [slachtoffer] en/of door met een vuurwapen die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen het hoofd te slaan, waarbij voornoemd feit voor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere schotverwondingen en/of een femurfractuur, ten gevolge heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Medeplegen van poging doodslag;

Ten aanzien van feit 2:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden/die diefstal gemakkelijk te maken/bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, primair, en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt aangenomen ten aanzien van de straf en/of maatregel.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 september 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 18 september 2019.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een kilo cocaïne met geweld, ook wel een ripdeal genoemd. Daarbij is gepoogd het slachtoffer opzettelijk om het leven te brengen door meerdere kogels op hem af te vuren. Het incident vond plaats op klaarlichte dag in een woning in een woonwijk in Arnhem en heeft de nodige schrik veroorzaakt in de buurt en aandacht getrokken in de media. Dat dit ernstige feiten zijn, behoeft geen betoog. Snel en adequaat medisch ingrijpen heeft er aan bijgedragen dat het slachtoffer niet aan zijn verwondingen is overleden. Uit de schadevordering en de slachtofferverklaring blijkt dat het incident nog steeds een enorme impact op het slachtoffer heeft. Hij kan zijn been nauwelijks meer kan bewegen en zijn leven is in slechte zin veranderd. Hij is erg angstig geworden, vertrouwt niemand meer en houdt zijn deur altijd op slot. Door deze gebeurtenis is aldus het veiligheidsgevoel van het slachtoffer in sterke mate aangetast. Feiten als deze zorgen ook voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten is enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur gerechtvaardigd.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder een veroordeling voor een diefstal met geweld in 2016. Verdachte heeft hiervoor een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Verdachte liep nog in de proeftijd ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De eerdere veroordelingen en met name de voorwaardelijke veroordeling van 12 maanden hebben hem er niet van weerhouden om zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening bij de bepaling van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren dient te worden opgelegd. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, primair en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.000,-, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen tot het bedrag van € 5.000,-, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag en toekenning van de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie verzocht verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de vergoeding van de schade.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn

vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, primair, en onder 2 bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank zal dan ook een bedrag ter zake van immateriële schade toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank het gevorderde bedrag, gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal matigen. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan derhalve dat deel van zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 25 februari 2019.

7b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 8 maanden gevangenisstraf die door de rechtbank Noord-Holland te Haarlem op 3 maart 2016 voorwaardelijk is opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak én gelet op de omstandigheid dat verdachte (zeer recent) door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld waarbij de vordering tenuitvoerlegging reeds is toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de resterende 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd bij vonnis van rechtbank Noord-Holland te Haarlem van 3 maart 2016 (parketnummer 15/860199-15) ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1, primair, en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.000,- (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 60 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van rechtbank Noord-Holland te Haarlem van 3 maart 2016, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen en C. van Dam, MSc, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank 4 november 2020.

mr. E.S.M. van Bergen en C. van Dam, MSc, zijn buiten staat om mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019085766, onderzoek ON4R019026 – ZULU, gesloten op 11 oktober 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 62.

3 Letselverklaring, p. 740, 745-746.

4 Letselverklaring, p. 747-748.

5 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 769.

6 NFI-rapport d.d. 8 augustus 2018, p. 790.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 62 en NFI-rapport d.d. 8 augustus 2018, p. 790.

8 NFI-rapport d.d. 8 augustus 2018, p. 790.

9 NFI-rapport d.d. 8 augustus 2018, p. 790.

10 NFI-rapport d.d. 8 augustus 2018, p. 793.

11 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 707.

12 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 707 en 710.

13 NFiDENT-rapport, p. 812.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 251.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 251.

16 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 124.

17 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 125.

18 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 126.

19 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer] , p. 131.

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer] , p. 132.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte W.F. [getuige 2] , p. 1206.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte W.F. [getuige 2] , p. 1207.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1413-1414.

24 Proces-verbaal van aangifte door [getuige 3] , p. 1417-1420.

25 Proces-verbaal nav telefoongesprek [getuige 3] , p. 1427.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1428.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2020.

28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1413-1414.

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte W.F. [getuige 2] , p. 1319.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte W.F. [getuige 2] , p. 1320.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige W.F. [getuige 2] bij de rechter-commissaris, p. 2 van 3.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige W.F. [getuige 2] bij de rechter-commissaris, p. 3 van 3.

33 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 1 oktober 2020, p. 4.