Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:59

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-01-2020
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1522, 19 _ 1532, 19 _ 1557, 19 - 5082
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor realiseren geluidsscherm en weegbrug en voor opslaan schroot wegens strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1522, 19/1532, 19/1557 en 19/5082

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1], te [woonplaats], eiser 1,

[eiseres 2], te [woonplaats], eiseres 2,

[eiser 3], te [woonplaats], eiser 3 (gemachtigde: E. Bonekamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland te Borculo, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde partijen] , allen te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser 3 een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de volgende activiteiten:

  1. “het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening” (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) voor de bouw van een geluidsscherm op het perceel aan [locatie] in [woonplaats] (hierna: het perceel);

  2. “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) voor de bouw van een geluidsscherm en weegbrug op het perceel;

  3. “het verrichten van een andere activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving (omgevingsvergunning beperkte milieutoets)” (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo) voor het opslaan van schroot op het perceel.

Bij besluit van 5 februari 2019 heeft verweerder de bezwaren van derde-partijen gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 14 augustus 2018 herroepen.

Eisers hebben tegen het besluit van 5 februari 2019 beroep ingesteld.

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning na toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) alsnog geweigerd.

Eiser 3 heeft tegen het besluit van 16 juli 2019 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Van en namens eisers zijn [eiser 1] en [eiser 3] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [eiser 3] en [eiser 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Steenhuis, G.J. Bomer en N. Boesenkool. Van derde-partijen zijn [derde partijen], [derde partijen] en [derde partijen] verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het bedrijf van eiser 3 is in of omstreeks 2018 op het perceel gevestigd. Voorheen was op het perceel een autodemontagebedrijf gevestigd. De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van eiser 3 bestaan uit de handel in- en het op- en overslaan, sorteren en be- en verwerken van metaalafvalstoffen en metaalhoudende reststoffen.

Ontvankelijkheid beroepen eisers

2. De rechtbank dient ambtshalve – dat wil zeggen ongeacht of partijen hierover iets hebben aangevoerd – te beoordelen of eisers belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn bij de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser 1 en eiseres 2 geen aan het belang van eiser 3 als aanvrager van de omgevingsvergunning tegengesteld belang hebben dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 5 februari 2019, strekkende tot herroeping van de bij besluit van 14 augustus 2018 aan eiser 3 verleende omgevingsvergunning. Eiser 1 en eiseres 2 worden door dat besluit niet in hun eigendomsrecht of enig ander recht aangetast. Hierbij is nog van belang dat het besluit van 5 februari 2019 er niet aan in de weg staat dat eiser 1, eiseres 2 of een derde een eigen aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder kunnen indienen. Indien verweerder die omgevingsvergunning uiteindelijk weigert op dezelfde gronden als waarop het aan eiser 3 gerichte weigeringsbesluit van 16 juli 2019 steunt, kunnen eiser 1, eiseres 2 of die derde daartegen rechtsmiddelen aanwenden. In dat verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3386. De beroepen van eiser 1 (zaaknummer 19/1522) en eiseres 2 (zaaknummer 19/1532) tegen het besluit van 5 februari 2019 zijn daarom niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser 3 tegen de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019 is wel ontvankelijk.

Volledige heroverweging op grondslag van het bezwaar

3. Eiser 3 betoogt dat het besluit van 5 februari 2019 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb. In dat verband wijst eiser 3 op de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4473.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het besluit van 5 februari 2019 heeft mogen volstaan met herroeping van het besluit van 14 augustus 2018 en het gelijktijdig ter inzage leggen van een ontwerpbesluit. Daartoe wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1311, r.o. 11. Nu verweerder bij het besluit van 5 februari 2019 een exemplaar van het ontwerpbesluit en van de tekst van publicatie in het Berkelbericht van 12 februari 2019 met betrekking tot de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en gelegenheid voor het indienen van een zienswijze vanaf 13 februari 2019 heeft overgelegd, is het besluit van 5 februari 2019 naar het oordeel van de rechtbank volledig als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb en behoefde verweerder geen nader inhoudelijk besluit op de bezwaren van derde-partijen te nemen. Het in een afzonderlijke procedure nieuw te nemen, met de uitgebreide voorbereidingsprocedure tot stand te komen besluit, waartegen bij de rechtbank beroep openstaat, voorziet daarin. Het betoog van eiser 3 slaagt niet.

Bestemmingsplan “[woonplaats], Bedrijventerreinen 2011”

4. Eiser 3 betoogt dat de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat aan artikel 3.1, onder ac, van de bij het bestemmingsplan behorende regels niet de betekenis toekomt die verweerder daaraan geeft.

Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1829, dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat moet worden geoordeeld dat een bouwwerk in strijd met de bestemming is indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Gelet op deze rechtspraak wordt hieronder bij de toetsing van de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd aan het bestemmingsplan, ook het beoogde gebruik van het geluidsscherm en de weegbrug beoordeeld.

In het geldende bestemmingsplan “[woonplaats], Bedrijventerreinen 2011” (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de enkelbestemming “Bedrijventerrein” en de dubbelbestemming “Waarde-archeologische verwachting 1”. Volgens de functieaanduiding zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 mogelijk. Volgens de bij het bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten is op het perceel, voor zover hier van belang, toegestaan “Overige groothandel in afval en schroot” en “Overige metaalbewerkende industrie”. De bedrijfsactiviteiten vallen daarmee onder categorie 3.2, zodat in zoverre wordt voldaan aan het bestemmingsplan.

Artikel 3.1, onder ac, van de bij het bestemmingsplan behorende regels bepaalt dat inrichtingen die zijn genoemd in de onderdelen C of D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage niet zijn toegestaan. In categorie D18.8 van de genoemde bijlage zijn in Kolom 1 de volgende activiteiten opgenomen: oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor de opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken. De rechtbank stelt met verweerder vast dat op het perceel in of omstreeks 2018 een nieuwe inrichting voor de opslag van schroot is opgericht, wat onder categorie D18.8 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage valt. De activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, zijn daarom in strijd met het bestemmingsplan.

Anders dan eiser 3 betoogt, acht de rechtbank de betreffende bij het bestemmingsplan behorende regels voldoende duidelijk, eenduidig en niet tegenstrijdig en vindt de rechtbank geen aanleiding om het bepaalde in artikel 3.1, onder ac, in dit geval uit oogpunt van rechtszekerheid buiten toepassing te laten. Het betoog van eiser 3 slaagt niet.

Verweerders bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan

5. Eiser 3 betoogt verder dat de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, niet in strijd zijn met het planologisch beleid en dat verweerder met zijn koerswijziging onzorgvuldig heeft gehandeld en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

Verweerder heeft bij het besluit van 16 juli 2019 geweigerd om de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 3°, van de Wabo in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat met artikel 3.1, onder ac, van de bij het bestemmingsplan behorende regels is bedoeld om geen nieuwe C of D bedrijven de mogelijkheid te bieden zich te vestigen op dit bedrijventerrein. Dit doorbreekt de structuur van de gewenste kleinschaligheid in combinatie met gemengde functies van dit bedrijventerrein, mede gelet op de ligging nabij burgerwoningen. Dat laat onverlet dat aan bestaande rechten van bedrijven niet wordt getornd. Ondanks het feit dat het bedrijf van eiser 3 en het voormalige autodemontagebedrijf dezelfde SBI-code (4677) hebben, hebben ze een verschillende omschrijving (overige groothandel in schroot en autodemontagebedrijf), aldus verweerder.

De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (vergelijk de uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4079).

De rechtbank heeft in wat eiser 3 heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder bij een afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bedrijfsactiviteiten van eiser 3, met name de opslag en bewerking van schroot, niet zijn aan te merken als een voortzetting van de gestaakte bedrijfsactiviteiten van het autodemontagebedrijf op het perceel waar de aanvraag betrekking op heeft. De bedrijfsactiviteiten van eiser 3 hebben een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling dan die van het autodemontagebedrijf en leiden volgens metingen van verweerder tot een aanmerkelijke overschrijding van de op grond van de geldende geluidnormen toegestane geluidbelasting op omliggende burgerwoningen. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig en niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld door de gevraagde omgevingsvergunning bij het besluit van 16 juli 2019 alsnog te weigeren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder aanvankelijk niet heeft onderkend dat de vestiging van het bedrijf van eiser 3 op het perceel niet past binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het betoog van eiser 3 slaagt niet.

6. De beroepen van eiser 3 tegen de besluiten van 5 februari 2019 (zaaknummer 19/1557) en 16 juli 2019 (zaaknummer 19/5082) zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eiser 1 en eiseres 2 tegen het besluit van 5 februari 2019 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen van eiser 3 tegen de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr.drs. M.S.T. Belt en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bestemmingsplan “[woonplaats], Bedrijventerreinen 2011”

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van de bij deze regels behorende 'Staat van Bedrijfsactiviteiten';

b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' uitsluitend voor bedrijven in categorie 1 en 2 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' uitsluitend voor bedrijven in categorie 1, 2 en 3.1 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' uitsluitend voor bedrijven in categorie 1, 2, 3.1 en 3.2 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

e. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' ook voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg, met het vulpunt ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg';

f. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' ook voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel- buitenleven' ook voor een detailhandelsbedrijf in goederen en artikelen ten behoeve van tuinaanleg en -onderhoud, dierenvoeding en -verzorging, agrarische activiteiten, buiten-recreatie en daarbij behorende en daarmee gelijk te stellen functies en activiteiten;

h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel- bouwmarkt' ook voor een bouwmarkt;

i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel- verf en behang' ook voor detailhandel in verf, behang en aanverwante artikelen;

j. ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' uitsluitend voor een antennemast;

k. volumineuze (grootschalige) detailhandel;

met daarbij behorende:

l. gebouwen, waaronder uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' ten hoogste één bedrijfswoning is begrepen tenzij anders is weergegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';

m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

n. werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden;

o. tuinen;

p. erven;

q. terreinen;

r. wegen met bijbehorende paden en bermen;

s. ontsluitingspaden;

t. parkeervoorzieningen;

u. groenvoorzieningen;

v. waterhuishoudkundige voorzieningen;

w. doeleinden van openbaar nut;

dit met inachtneming dat:

x. de omvang van een bouwperceel per bedrijf maximaal 2.500 m2 bedraagt;

met dien verstande dat niet zijn toegestaan:

y. detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel en detailhandel genoemd in 3.1, onder a tot en met i;

z. Bevi-inrichtingen;

aa. vuurwerkinrichtingen;

ab. Wgh-inrichtingen, behoudens ter plaatse van de aanduiding "gezoneerd industrieterrein";

ac. inrichtingen die zijn genoemd in de onderdelen C of D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage.

3.2

Bouwregels

Op de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

(…)