Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5871

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
NL19.22791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht, belangenafweging verdeling 3:185. Wijze van verdeling, geen uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0279
JERF Actueel 2020/363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORBLAD

Rechtbank Gelderland

Zaaknummer: NL19.22791

[partij A] . tegen [Partij B]

Vonnis van 6 november 2020

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL19.22791

Vonnis van 6 november 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisers van de vordering,
verweerders op de tegenvordering,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat S.H.J. Buitenkamp te Epe,

tegen

1 [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder op de vordering,
eiseres op de tegenvordering,
advocaat H.E. ter Horst,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder op de vordering,
eiser op de tegenvordering
advocaat H.E. ter Horst te Zwolle,

hierna samen te noemen: [verweerders]

3
3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] , niet verschenen,
verweerder op de vordering,
4. [verweerder 4] ,
wonende te Vierhouten, niet verschenen,
verweerder op de vordering,
5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] , niet verschenen,
verweerder op de vordering,
6. [verweerder 6] ,
wonende te [woonplaats] , niet verschenen,
verweerder op de vordering.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift met een tegenvordering

  • -

    het verweerschrift op de tegenvordering tevens akte wijziging van eis

  • -

    de akte uitlating tevens wijziging van eis zijdens [verweerders] van 5 juni 2020

  • -

    de akte zijdens [eisers] van 8 juli 2020

  • -

    de ter zitting overgelegde verklaring van erfrecht zijdens [verweerders]

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 17 september 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum] is overleden mevrouw [naam 1] (hierna: erflaatster). Erflaatster is gehuwd geweest met de op [datum] overleden [naam 2] (hierna: erflater). Het huwelijk tussen erflaatster en erflater is door het overlijden van erflater ontbonden.

2.2.

Uit het huwelijk van erflater en erflaatster zijn zes kinderen geboren, te weten

a. de drie eisers alsmede:

b. [eiser 2] , in de leeftijd van twee maanden oud overleden op [datum] ,

c. [naam 3] , overleden op [datum] en ten tijde van zijn overlijden gehuwd met gedaagde sub 1, uit welk huwelijk zijn geboren gedaagden sub 2 tot en met 5.

d. [naam 4] , overleden op [datum] en ten tijde van zijn overlijden gehuwd met gedaagde sub 6. Uit dit huwelijk zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren die niet in deze procedure zijn betrokken.

2.3.

Erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament van 27 december 1985 waarin zij haar kinderen als erfgenamen heeft aangewezen ieder voor een gelijk, en derhalve 1/5e deel.

2.4.

[naam 3] heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament en onder last van vruchtgebruik ten gunste van zijn echtgenote, zijn kinderen en zijn echtgenote gelijkelijk tot erfgenaam benoemd. Het in voornoemd testament verleende vruchtgebruik is gevestigd ten aanzien van de woning. Voor het overige is de nalatenschap onverdeeld.

2.5.

Volgens een verklaring van erfrecht van 8 augustus 2014 is [verweerder 6] , gedaagde sub 6, als enige en met uitsluiting bevoegd en gerechtigd alle zaken en rechten van de nalatenschap van [naam 4] op te eisen, daarover te beschikken, deze te ontvangen en voor ontvangst te kwiteren.

2.6.

Tot de nalatenschap van erflaatster behoort een onroerende zaak (de opstallen en ondergrond) staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend [plaats] [nummer] (hierna: de onroerende zaak), bestaande uit een woon/winkelpand, een garage/werkplaats en een onbemand tankstation. Erflater heeft, eerst alleen en daarna met zijn zonen [naam 3] en [naam 4] , vanuit de onroerende zaak jarenlang een garagebedrijf met tankstation gedreven.

2.7.

In 2004 heeft gedaagde sub 2 samen met zijn broer gedaagde sub 4 een v.o.f. opgericht genaamd [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ). Zij hebben de exploitatie van het bedrijf vanuit het pand aan de [adres] voortgezet.

2.8.

Uit een besluit van de provincie Gelderland van 4 december 2008 volgt, onder meer, dat de vaste bodem en het grondwater van de onroerende zaak is vervuild. Gegeven de aard, de concentratie en de omvang van de vervuiling wordt deze in het besluit aangemerkt als ernstig.

2.9.

Het onbemande tankstation is vanaf 1 april 2011 door de firma [naam bedrijf] geëxploiteerd.

2.10.

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft de provincie Gelderland de onroerende zaak nogmaals aangewezen als locatie waar sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het besluit voorziet tevens in een herziening van de spoedeisendheid van sanering. Dit resulteert erin dat bij het huidige gebruik er geen onaanvaardbare risico’s zijn en sanering bij gelijkblijvend gebruik op grond van de Wet bodembescherming niet noodzakelijk is. Een tijdstip voor saneren blijft in het besluit achterwege. Sanering kan wel noodzakelijk zijn op een "natuurlijk moment", zoals bij bouwactiviteiten.

2.11.

Op 27 mei 2015 is het tankstation gecontroleerd door de omgevingsdienst Noord – Veluwe. Er is toen onder meer geconstateerd dat er overtredingen waren waaronder, het niet plaatsvinden of ontbreken van: actuele situatietekeningen, een tankcertificaat van de ondergrondse dieseltank, het installatiecertificaat van de dieseltank, de jaarlijkse bemonstering van grondwaterpeilbuizen, een thermische beveiliging op de afleverzuil en de jaarlijkse controle van aarding.

2.12.

De firma Scherpenzeel heeft de exploitatie van het tankstation op 1 juli 2015 beëindigd. Sindsdien worden er geen activiteiten meer verricht in het tankstation.

2.13.

Bij brief van 10 juni 2015 heeft de omgevingsdienst Noord – Veluwe namens de gemeente Nunspeet de gebroeders [naam 5] (gedaagde 2 en 4) aangeschreven en verzocht om de geconstateerde overtredingen ongedaan te maken dan wel die maatregelen te treffen die nodig zijn voor het beëindiging van het tankstation.

2.14.

In een notitie van de omgevingsdienst Noord – Veluwe van 25 april 2016 aan notaris [naam 6] is onder meer het volgende over de bodemverontreiniging van de onroerende zaak geschreven:

“(…) In 1996 is bij het plaatsen van nieuwe tanks gebleken dat er een drijflaag op het grondwater lag. Dit is onderzocht en het bleek dat de omvang van de vlek niet als nieuw geval gezien kon worden. (…)

Op basis van de omvang en de ernst heeft de provincie in eerste instantie ingestoken op urgente sanering. Dit bleek lastig, want er waren meerdere partijen eigenaar en niemand voelde zich verantwoordelijk en daardoor bleef de zaak liggen (…)

Er zijn wel plannen geweest om de verontreiniging te saneren maar er is nooit echt aan gerekend. Er zijn slechts inschattingen gemaakt in het guldentijdperk (ja, zelfs zo lang geleden) en toen werd er gesproken over c.a. 350.000,00 gulden, vrij vertaald c.a. 150.000,00 euro. (…)”

2.15.

Bij brief van 27 juni 2018 heeft de omgevingsdienst Noord – Veluwe aan de erven [naam 5] bekend gemaakt dat het voornemen bestaat om over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom omdat de maatregelen noodzakelijk voor beëindiging van het tankstation nog niet zijn getroffen. Nadat de erven een zienswijze hebben ingediend, is hen een langere begunstigingstermijn gegeven.

2.16.

Uit een waarde-adviesrapport opgesteld door [naam makelaar] op verzoek van [eiser 2] op 28 augustus 2018 (hierna: het waarde-adviesrapport) blijkt dat deze makelaar de waarde van de onroerende zaak op dat moment vaststelt op € 345.000,00.

2.17.

Bij brief van 30 januari 2019 hebben de erven [eiser 1] bij monde van hun advocaat, [naam bedrijf] de huur opgezegd van de bij deze v.o.f. in gebruik zijnde delen van de onroerende zaak.

2.18.

Uit een op 7 juni 2019 gedateerd overzicht “stichtingskosten appartementen [plaats]” volgt een waarde voor de onroerende zaak van € 540.000,00.

2.19.

Op verzoek van [verweerder 2] heeft [naam adviseur] te [plaats] (hierna: [naam adviseur] ) de peilbuizen van het grondwater op de roerende zaak bemonsterd. In het door [naam adviseur] uitgebrachte rapport ter zake van 4 november 2019 is vermeld dat het grondwater nog steeds sterk verhoogde gehalten aan minerale olie en/of vluchtige aromaten bevat.

2.20.

Uit een begroting voor de saneringskosten opgesteld door [naam adviseur] op 9 december 2019 volgt dat zij de kosten voor sanering begroten op € 425.000,00.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisers] vordert – na wijziging van eis en na vermindering van eis ter zitting - dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

De verdeling vaststelt van de nalatenschap van mevrouw [naam 1] , geboren te [woonplaats] op [datum] , laatst gewoond hebbende [adres] [woonplaats] en de heer [verweerder 3] , geboren te [woonplaats] op [datum] in die zin dat:

A. de onroerende zaak, wordt toebedeeld aan de eisers, ieder voor een gelijk deel op basis van een waarde van € 540.000,00.

B. de heer [verweerder 2] en/of de vennootschap onder firma [naam bedrijf] wordt verplicht de onroerende zaak met vaststelling van het tijdstip van ontruiming op de dag die valt veertien dagen na de dag van dit vonnis, althans op een in goede justitie te bepalen dag, en met veroordeling van [verweerder 2] en/of [naam bedrijf] om de onroerende zaak, met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevindt respectievelijk bevinden, voor of uiterlijk op het vastgestelde tijdstip van ontruiming volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden.

C. het bedrag op de betaal- en spaarrekeningen aldus wordt verdeeld dat eisers en mevrouw [verweerder 6] ieder 1/5 deel ontvangen, onder bepaling dat de bedragen die zij wegens overbedeling aan de overige erfgenamen dienen te betalen, worden verrekend met het aandeel van deze erfgenamen op de gelden op de betaal- en spaarrekeningen, na aftrek van eventueel nog te betalen notariskosten, en het resterende 1/5e deel van de gelden aan gedaagde sub 1 en haar kinderen toekomt ieder voor gelijke delen des dat zij allen 1/20ste deel verkrijgen, althans vaststelling van de verdeling van de nalatenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

D. gedaagden worden veroordeeld om aan de door de rechtbank vastgestelde verdeling uitvoering te verlenen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, zulks met benoeming van een onzijdig persoon voor diegene die mocht weigeren medewerking te verlenen aan de verdeling, teneinde hen bij die verdeling te vertegenwoordigen en daarbij hun belangen naar beste inzicht te behartigen.

E. althans voor zover het onder A tot en met D gevorderde niet (geheel) wordt toegewezen, een voorziening te treffen die de rechtbank in goede justitie juist acht.

F. gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld in alle kosten van deze procedure overeenkomstig de wet, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor dat laatste geval dat voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de na het vonnis te maken kosten van de tenuitvoerlegging daarvan, waaronder de eventuele te maken ontruimingskosten op vertoon van de daartoe nodige, in dit vonnis te vermelden bescheiden op de voet van artikel 3:299 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de nalatenschappen nog steeds onverdeeld zijn en dat thans verdeling moet gaan plaatsvinden. [eisers] heeft een belang bij toedeling van de onroerende zaak en dat belang prevaleert boven het belang van [verweerder 2] om zijn bedrijf voort te zetten in de onroerende zaak. Bovendien gebruikt [verweerder 2] of [naam bedrijf] de onroerende zaak thans zonder recht of titel en dient zij deze te ontruimen. De onroerende zaak hoeft niet gesaneerd te worden en vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde. [eisers] heeft een goed bod gedaan en daarbij weegt het belang van [verweerder 2] minder dan dat van eisers die appartementen willen realiseren op de plaats van hun ouderlijk huis.

3.3.

[verweerders] voert verweer en stelt dat [verweerder 2] een belang heeft om de onroerende zaak toebedeeld te krijgen. De waarde van de onroerende zaak is bovendien nihil althans laag omdat rekening gehouden moet worden met bestaande bodemvervuiling en de verplichting om dit te saneren en de aanzienlijke kosten die daarmee gemoeid zijn. Dit drukt de waarde aanzienlijk. Er is een huurovereenkomst tussen [naam bedrijf] en de voormalige v.o.f. van grootvader en zijn zonen, zodat er wel degelijk titel is om de onroerende zaak te gebruiken. Er is bovendien steeds een tegenprestatie betaald voor het gebruik van de onroerende zaak. Van de [verweerder 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eisers] hoofdelijk in de kosten van het geding inclusief de nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, in het hierna volgende ingegaan.

4 De tegenvordering en het verweer

4.1.

[verweerders] vordert bij wijze van tegenvordering – na wijziging daarvan bij akte - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. De verdeling van de nalatenschap zodanig vast stelt dat de onroerende zaak, aan [verweerder 2] wordt toegedeeld om niet, althans tegen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen waarde;

  2. De overige vermogensbestanddelen van de nalatenschap naar evenredigheid van een

ieders aandeel aan de erfgenamen toe te delen;

3. Te bepalen dat dit vonnis ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van een akte bestemd tot levering van het eigendomsrecht aan [verweerder 2] van de onroerende zaak en dat dit vonnis vervolgens ex artikel 3:301 BW in het Kadaster kan worden ingeschreven;

Eisers hoofdelijk, dat als de een heeft betaald de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de

kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te

vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

alsmede voor nakosten voor een bedrag van € 131,00 dan wel, indien betekening van het in

deze zaak te wijzen vonnis plaatsvindt, van € 199,00.

4.2.

Aan de tegenvordering legt [verweerders] hetzelfde ten grondslag als ten verwere aangevoerd op de vordering. [eisers] voert verweer dat in grote lijnen overeen komt met haar stellingen ten aanzien van de vordering.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, in het hierna volgende ingegaan.

5 De beoordeling

van de vordering en de tegenvordering

5.1.

De samenhang van de vordering en de tegenvordering vormt aanleiding om deze tezamen te beoordelen.

Procespartijen

5.2.

Ten aanzien van de procespartijen sub 1 tot en met 5 merkt de rechtbank op dat volgens de ter zitting overgelegde verklaring van erfrecht met betrekking tot het overlijden van [naam 3] zijn kinderen en zijn echtgenote zijn erfgenamen zijn. Eveneens volgt uit deze verklaring van erfrecht dat verweerster sub 1 het vruchtgebruik over de nalatenschap is toegekend. Gesteld noch gebleken is dat dit vruchtgebruik is gevestigd ten aanzien van de nalatenschap behoudens en voor zover het de woning betreft. Verweerders 2 tot en met 5 zijn derhalve als deelgenoot van de onverdeelde (en niet met vruchtgebruik belaste) nalatenschap van hun vader in deze procedure betrokken. Eisers kunnen in de vorderingen jegens hen worden ontvangen.

Ontruiming onroerende zaak

5.3.

[eisers] heeft ontruiming van de onroerende zaak gevorderd van [verweerder 2] en van [naam bedrijf] . Uit de stellingen van eisers alsmede uit het verweer van [verweerders] begrijpt de rechtbank dat eisers in het bijzonder de ontruiming vorderen van [naam bedrijf] en dat [verweerders] dit ook zo heeft begrepen. Partijen zijn onder meer verdeeld over de vraag of er een huurovereenkomst bestaat met [naam bedrijf] of dat sprake is van gebruik. Het antwoord op deze vraag kan in het midden blijven. [verweerders] heeft aangevoerd dat de onroerende zaak met uitzondering van het woonhuis, gehuurd is door [naam bedrijf] . Dat [naam bedrijf] de onroerende zaak thans gebruikt (of dit nu berust op huur of niet) is gegeven de geformuleerde vordering eveneens uitgangspunt van [eisers] heeft echter nagelaten [naam bedrijf] in rechte te betrekken en evenmin is duidelijk of alle vennoten in rechte zijn betrokken nu een recent uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ontbreekt en [verweerder 2] ter zitting heeft verklaard dat zijn vrouw medevennoot is. Eén en ander leidt ertoe dat [eisers] niet ontvangen kan worden in zijn vordering met betrekking tot de ontruiming van de onroerende zaak.

Verdeling

5.4.

Ten aanzien van de verdeling is door [eisers] verdeling gevorderd van zowel de nalatenschap van erflater als de nalatenschap van erflaatster. Er is evenwel geen enkele onderbouwing of samenstelling van de nalatenschap van erflater overgelegd, zodat deze vordering zal worden afgewezen. De nalatenschap van erflaatster is wel door partijen toegelicht en onderbouwd, zodat de rechtbank de stellingen daarover in onderstaand zal beoordelen. Hierbij merkt de rechtbank op dat de vordering tot vaststelling van de verdeling die over en weer is gedaan door de rechtbank wordt opgevat als een vordering tot het gelasten van de wijze van verdeling nu immers uitvoering moet worden gegeven aan de tot stand te brengen verdeling en van de rechtbank bezwaarlijk kan worden gevergd dat zij deze verdeling uitputtend tot stand brengt.

5.5.

De nalatenschap van erflaatster is volgens eisers opgebouwd uit de volgende elementen:

  1. Inboedel woning erflaatster

  2. Bankrekeningen Rabobank eindigend op [nummers]

  3. De onroerende zaak

Verweerder heeft daaraan toegevoegd:

4. Latente schuld uit saneringskosten voor bodemvervuiling.

1. Inboedel

5.6.

Ter zitting hebben partijen verklaard dat er geen nadere verdeling van de inboedel behoeft te geschieden. Er is een aantal inboedelgoederen waaraan partijen gehecht zijn, deze zullen in onderling overlegd worden verdeeld. De advocaten van partijen maken een afspraak over toegang tot de woning van erflaatster om dit te bewerkstelligen. Een nader oordeel van de rechtbank op dit punt is niet langer noodzakelijk.

2. Bankrekeningen

5.7.

Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bankrekeningen gelijkelijk over de erfgenamen verdeeld moeten worden waarbij eisers en gedaagde sub 6 recht hebben op 1/5 deel en gedaagden sub 1 tot en met 5 op 1/20ste deel van de tegoeden. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de saldi op de datum van overlijden van erflaatster worden verminderd met de schulden die ten laste van de nalatenschap komen (als bedoeld in 4:7 BW). Het restant wordt dan verdeeld conform bovengenoemde breukdelen.

Verweerder heeft betwist dat de factuur van [naam adviesbureau] van € 3.417,90 en de factuur van ECHT advocatuur ten bedrage van € 251,59 ten laste van de nalatenschap zouden moeten worden gebracht. Eisers hebben aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt omdat de erven zich moesten verweren tegen een door de gemeente aangezegde last onder dwangsom die zag op de sanering van het tankstation. De facturen betreffen geen schulden van de nalatenschap zoals bedoeld in artikel 4:7 BW, zodat ze niet als zodanig ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. Evenwel kunnen deze uitgaven ten laste van de gemeenschap worden gebracht indien en voor zover er voldaan is aan de vereisten van artikel 3:172 BW. Dit is echter niet gesteld of gebleken.

3. en 4. Onroerende zaak en vervuiling

5.8.

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak, de noodzakelijkheid van sanering en over het belang bij toedeling. Bij verdeling moet gelet worden op de belangen van alle betrokkenen.

Het belang van [verweerder 2] om zijn onderneming te blijven huisvesten in de onroerende zaak is een valide belang waarbij de rechtbank wel aantekent dat in de familie reeds geruime tijd discussie bestaat over het gebruik van de onroerende zaak en de daarvoor te betalen vergoeding. Het conflict dat hieruit is ontstaan is ten dele debet aan het niet kunnen plaatsvinden van verdeling van de nalatenschap in de afgelopen zestien jaren. Partijen zitten, zoals zij zelf ter zitting hebben toegelicht, al zestien jaar in een gemeenschap waarin een familielid een garage exploiteert en er geen zicht is op een uitkomst. De stelling van [verweerder 2] dat zijn bedrijf op andere locatie ter ziele zou gaan is niet onderbouwd en komt uitsluitend door een verhuizing de rechtbank ook niet aannemelijk voor. [verweerder 2] althans [naam bedrijf] heeft baat bij een goede huisvesting maar dit kan evenwel elders in of in de nabijheid van [woonplaats] zijn. Het naast de onroerende zaak gelegen pand in eigendom van verweerster sub 1 en haar zuster is niet beschikbaar maar zonder nadere toelichting kan niet worden aangenomen dat in (de nabijheid van) [woonplaats] geen andere locatie aanwezig is om een garagebedrijf te exploiteren. Dit is ook betwist door eisers en de verklaring van [verweerder 2] ter zitting waaruit blijkt dat hij met een ander pand bezig is maar dat het een ruime tijd zal duren voordat er iets gevonden is, duidt er eveneens op dat er wél locaties aanwezig zijn. Ook de huisvesting van de onderneming van de broer van [verweerder 2] geeft aanleiding tot dit oordeel. De door [verweerders] overgelegde intenties van samenwerking met Enviem Retail Real Estate B.V. tot heropening van het tankstation in maart 2020 zijn niet concreet genoeg om te oordelen dat het gebruik van de onroerende zaak beslissend is voor de voortgang van [naam bedrijf] . Aan de andere kant is er het belang van eisers om het terrein waar hun ouders hun garagebedrijf uitoefenden te ontwikkelen en daar zélf ook een woning in te richten. Dat er nog geen vergunningen zijn verstrekt of aanvragen zijn ingediend, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de plannen van eisers op drijfzand zijn gebaseerd, zoals door [verweerders] aangevoerd. Eisers hebben immers aangetoond dat zij serieus bezig zijn met het vormgeven van de ontwikkeling van het terrein door het overleggen van berekeningen en tekeningen en hebben hierbij eveneens aangegeven dat de tijdslijn van realisatie hiervan mede afhangt van onderhavige procedure en de discussies die hieraan voorafgingen over de onroerende zaak. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de eisers 3/5 deelgenoot zijn en [verweerder 2] 1/20 deelgenoot is. De meerderheid van de kinderen van erflaatster staat dus het door eisers gevorderde voor. Al met al weegt de rechtbank de belangen van eisers zwaarder dan het belang van [verweerder 2] , zodat de rechtbank de onroerende zaak zal toedelen aan de eisers.

5.9.

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak en het al dan niet bestaan van een saneringsplicht ten aanzien daarvan. Eisers hebben verklaard dat zij wensen de onroerende zaak toebedeeld te krijgen voor € 540.000,00 waarbij zij het risico aanvaarden dat zij de onroerende zaak bij ontwikkeling daarvan moeten saneren. Hiermee kan ook de beantwoording van de vraag of er een saneringsplicht bestaat en welke kosten sanering met zich brengt onbeantwoord blijven. Eisers nemen immers het risico dat de verplichting bestaat en zullen ook de daarmee gemoeide kosten voldoen. Het overnemen van dit risico vormt overigens een voordeel voor de nalatenschap nu deze niet met een (latente) vordering inzake sanering rekening hoeft te houden. Het door eisers genoemde bedrag ligt ver boven de door verweerders gestelde waarde, zodat de gezamenlijke erven gebaat zijn bij dit hogere bedrag. De rechtbank zal de onroerende zaak toedelen aan eisers voor gelijke onverdeelde delen tegen een waarde van € 540.000,00 waarbij de verplichting bestaat om de andere deelgenoten te compenseren voor het bedrag waarvoor eisers zijn bevoordeeld uit hoofde van de verdeling.

Verrekening

5.10.

[eisers] heeft gevorderd dat de bedragen die zij wegens overbedeling aan de overige erfgenamen dienen te betalen, worden verrekend met het aandeel van deze erfgenamen op de gelden op de betaal- en spaarrekeningen, na aftrek van eventueel nog te betalen notariskosten. Dit gedeelte van de vordering is dusdanig onduidelijk geformuleerd dat zij zal worden afgewezen. Onduidelijk is immers welke erfgenamen zijn bedoeld en welke rechtsverhouding ten grondslag ligt aan de verrekening. Er is in dit kader ook niets gesteld. Voor zover [eisers] poogt te vorderen dat zij de bedragen die zij moet betalen wegens overbedeling vanwege de onroerende zaak kan voldoen door gebruik te maken van de haar toekomende bedragen op de betaal- en spaarrekeningen – en zodoende dus minder geld moet inbrengen in/ betalen aan de nalatenschap is dit mogelijk.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.11.

[eisers] heeft gevorderd dat de beslissing van de rechtbank direct na vonnis uit te voeren zal zijn zonder dat de termijn voor het instellen van hoger beroep afgewacht dient te worden. [verweerders] heeft verweer gevoerd tegen deze gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad en heeft aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat. Het bedrijf van [verweerder 2] zal ten onder gaan en toedeling van de onroerende zaak aan [verweerders] zou niet meer gerealiseerd kunnen worden waarmee feitelijk het hoger beroep wordt ontnomen aan [verweerders] , aldus [verweerders] Bovendien hebben eisers zeer lang gewacht met het instellen van hun vordering en zijn de ontwikkelingsplannen niet urgent.

5.12.

Bij de beoordeling van een vordering tot verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad dienen de belang van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven. [verweerders] heeft onbetwist aangevoerd dat de ontwikkelingsplannen van de onroerende zaak niet urgent zijn. [eisers] heeft weliswaar gesteld dat zij na al die tijd eindelijk tot verdeling wil geraken en zo spoedig mogelijk wil gaan ontwikkelen maar hiermee is de urgentie van verdeling en de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad niet onderbouwd. Anderzijds heeft [verweerders] voldoende belang bij voortbestaan van de huidige situatie en zou er mogelijk door het tijdsverloop van een hoger beroep procedure een onomkeerbare situatie bestaan als dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard. Eén en ander leidt ertoe dat dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

Onzijdig persoon

5.13.

De rechtbank zal geen onzijdig persoon benoemen zoals bedoeld in artikel 3:181 BW omdat er geen aanwijzingen zijn dat [verweerders] zijn medewerking zal onthouden aan de uitvoering van dit vonnis.

Kosten

5.14.

Gegeven de familierelatie van partijen zullen de kosten tussen hen worden gecompenseerd.

6 De beslissing

De rechtbank

op de vordering en de tegenvordering

6.1.

verklaart [eisers] niet ontvankelijk in zijn vordering onder tot ontruiming van de onroerende zaak,

6.2.

gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van [naam 1] , geboren te Ermelo op [datum] laatst gewoond hebbende [adres] op de wijze zoals uiteengezet in r.o. 5.5 tot en met 5.9,

6.3.

compenseert de kosten tussen partijen, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.