Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5867

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
C/05/374146 / KG ZA 20-277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen belang bij gevorderde informatie en machtiging om bepaalde informatie zelf op te vragen, nu aannemelijk is dat eiser reeds over die informatie beschikt. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/374146 / KG ZA 20-277

Vonnis in kort geding van 24 september 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.W. Weehuizen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten mrs. O.F. Blom en M.W.M. Mulder te Nieuwegein.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 7

  • -

    de vermeerdering van eis van [eiseres]

  • -

    de conclusie van antwoord met daarin een voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot en met 5 van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 september 2020

  • -

    de ter zitting overgelegde producties 8 en 9 van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1.

Partijen zijn op 30 september 1975 in gemeenschap van goederen gehuwd. Op

21 februari 1991 heeft (destijds) de rechtbank Arnhem de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheiding is op 12 augustus 1991 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

2.2.

[eiseres] heeft voorafgaand en gedurende de beginjaren van het huwelijk als lerares gewerkt. In die periode heeft zij pensioen opgebouwd bij het ABP. [gedaagde] studeerde ten tijde van de beginjaren van het huwelijk aan de Hogere Bosbouw- en Cultuurtechnische School en is op 1 augustus 1977 in dienst getreden van Houdringe B.V. Vanaf deze datum is [gedaagde] pensioen gaan opbouwen bij de Stichting Pensioenfonds Grontmij.

2.3.

Partijen zijn na de scheiding circa zes jaar bezig geweest de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te realiseren. Tijdens de in dat verband gevoerde overleggen is tussen partijen (onderling) niet gesproken over de verdeling van de door hen beiden opgebouwde pensioenrechten. In het kader van de afwikkeling van de gemeenschap is vervolgens op 14 oktober 1997 een akte van verdeling opgesteld. Deze akte vermeldt onder meer het volgende:

‘(…)

dat tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap thans nog slechts behoren de navolgende registergoederen, te weten:

het woonhuis met koetshuis, (…)

De comparanten verklaarden de volgende verdeling te zijn overeengekomen:

aan de man worden toebedeeld voormelde registergoederen, onder verplichting wegens overbedeling aan de vrouw uit te keren een bedrag in contanten groot vijf en zeventig duizend gulden (…).’

2.4.

[gedaagde] heeft op 14 oktober 1997 het bewijs van eigendom van de woning gekregen.

2.5.

[eiseres] heeft eind 2019 telefonisch contact gezocht met [gedaagde] over de verdeling van de tijdens het huwelijk door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten. [gedaagde] heeft tijdens dat gesprek aangegeven een en ander te willen uitzoeken.

2.6.

[eiseres] heeft op 3 december 2019 aan het ABP verzocht de hoogte van de voorwaardelijke pensioenuitkering aan [gedaagde] bekend te maken. In reactie daarop heeft het ABP bij brief van 30 maart 2020 onder meer het volgende aan [eiseres] bericht:

‘(…)

De uitkering voor uw ex-partner bedraagt 841,02 bruto per jaar

Uw ex-partner kan aanspraak maken op dit bedrag vanaf dat u ouderdomspensioen ontvangt.

De verrekening regelt u zelf in overleg met uw ex-partner. Eventueel via een advocaat of notaris. U hoeft dit niet aan ABP te laten weten.

(…)’

De bijgevoegde specificatie van deze opgave vermeldt dat de eenmalige uitkering aan [gedaagde] in geval daarvoor wordt gekozen € 5.103,74 bedraagt.

2.7.

[gedaagde] heeft op 23 januari 2020 aan Stichting Pensioenfonds Grontmij verzocht de waarde van het ouderdomspensioen en de waarde van het bijzonder partnerpensioen, beide berekend op de scheidingsdatum van 12 augustus 1991, bekend te maken. In reactie daarop is namens de Stichting Pensioenfonds Grontmij bij brief van 28 januari 2020 onder meer het volgende aan [gedaagde] bericht:

‘(…)

Het bijzonder partnerpensioen ad € 5.919,52 hebben wij in 1991 gereserveerd voor uw ex-partner, mevrouw W.M.H. [eiseres], en zal tot uitkering komen vanaf uw overlijden.

Het ouderdomspensioen ad € 7.383,91 is in 1994 overgedragen naar een andere pensioenuitvoerder.

(…)’

Achter deze brief zit een specificatie van de waarde-opgave.

2.8.

Partijen hebben in de periode daarna via hun advocaten gecorrespondeerd over het al dan niet uitkeren of verrekenen van de (waarde van de) opgebouwde pensioenrechten. Daarbij hebben zij de van het ABP en Stichting Pensioenfonds Grontmij verkregen opgaves niet aan elkaar ter beschikking gesteld. Partijen zijn tot op heden niet tot onderlinge overeenstemming gekomen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan [eiseres] mede te delen bij welke pensioenuitvoerder zijn ten processe bedoelde ouderdomspensioen is ondergebracht, met vermelding van het door die pensioenuitvoerder gehanteerde kenmerk, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

II [gedaagde] te veroordelen om de bij de voornoemde vordering bedoelde pensioenuitvoerder te machtigen om aan [eiseres] schriftelijk mee te delen welke pensioenrechten hij tot 12 augustus 1991 heeft opgebouwd en op welk bedrag zij over de periode tot 12 augustus 1991 aanspraak kan maken, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

III [gedaagde] te veroordelen om op eerste verzoek van [eiseres] mee te werken aan de berekening van het haar toekomende bedrag uit hoofde van de door [gedaagde] tot

12 augustus 1991 opgebouwde pensioenrechten, met de bepaling dat, zo daaraan kosten verbonden zijn, die kosten door partijen gezamenlijk worden gedragen (elk de helft);

IV [gedaagde] te veroordelen om de Stichting Pensioenfonds Grontmij te machtigen om [eiseres] schriftelijk te informeren/schriftelijk mede te delen welke pensioenrechten [gedaagde] blijkens de bij de Stichting Pensioenfonds Grontmij aanwezige registraties tot

12 augustus 1991 heeft opgebouwd, onder overlegging van een inzichtelijke berekening waaruit kan volgen op welke periode die berekening ziet en welke pensioenrechten in die berekening als uitgangspunt worden genomen, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

V [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I in conventie de vorderingen van [eiseres] af te wijzen;

II in voorwaardelijke reconventie, indien de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] geheel of gedeeltelijk toewijst, [eiseres] te veroordelen tot verrekening van de aan [gedaagde] toekomende waarde van de door [eiseres] voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken;

III in conventie en in voorwaardelijke reconventie [eiseres] te veroordelen in de proceskosten waarin begrepen de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten, de nakosten en de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

3.5.

[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie

4.1.

De vorderingen van [eiseres] komen er in de kern genomen op neer dat zij de beschikking wenst te krijgen over alle (relevante) informatie over de waarde van het oudersdomspensioen dat [gedaagde] gedurende het huwelijk voor haar heeft opgebouwd. [eiseres] legt aan deze vordering ten grondslag dat de voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten van partijen niet in de akte van verdeling van 1997 zijn meegenomen zodat deze rechten tot op heden niet zijn verdeeld, terwijl zij daar op grond van het Boon/Van Loon-arrest wel aanspraak op heeft. [eiseres] stelt dat [gedaagde] haar geen informatie wil verstrekken over waar het ouderdomspensioen op dit moment is ondergebracht en over de waarde daarvan, zodat zij genoodzaakt is in dit kort geding informatie over de pensioenuitvoerder te vorderen en een machtiging om bij die betreffende uitvoerder namens [gedaagde] de gewenste informatie over die waarde op te vragen. [gedaagde] voert verweer en voert aan dat de pensioenrechten in 1997 al zijn verdeeld, dat sprake is van verjaring en rechtsverwerking en dat bovendien alle informatie die [eiseres] nodig heeft om te kunnen vaststellen waar het ouderdomspensioen is ondergebracht en welke waarde dat pensioen vertegenwoordigd reeds aan haar is verstrekt.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ter zitting heeft [eiseres] haar vordering tot veroordeling van [gedaagde] maandelijks de helft van het aan hem uitgekeerde pensioen aan haar te betalen ingetrokken. Dat leidt ertoe dat enkel de vorderingen met betrekking tot het verkrijgen van informatie over de pensioenuitvoerder en de waarde van het voor [eiseres] gereserveerde ouderdomspensioen resteren. Uit het Boon/Van Loon-arrest (HR 27 november 1981, NJ 1982/503 (Boon/Van Loon) volgt de wijze waarop de waarde van de voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken dient te worden verrekend, als daartoe op basis van redelijkheid en billijkheid aanleiding bestaat. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het vaststellen van die waarde bepaalde informatie nodig is. Op basis van de stellingen van [gedaagde] en de ter onderbouwing daarvan door hem ingediende stukken, is voldoende aannemelijk dat de pensioenuitvoerder tot wie [eiseres] zich moet wenden om informatie over de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen waarop zij aanspraak zou kunnen maken Stichting Pensioenfonds Grontmij is. Ter zitting heeft [gedaagde] in dat verband de door hem op 23 januari 2020 gestuurde brief aan dit pensioenfonds overgelegd, waarin hij heeft verzocht een opgave te verstrekken van de waarde van het ouderdomspensioen en het bijzonder partnerpensioen op 12 augustus 1991. Geconstateerd moet worden dat Stichting Pensioenfonds Grontmij in reactie daarop bij brief van 28 januari 2020 beide waardes aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt, met daarachter een specificatie van de opgave. Deze opgave met specificatie heeft [gedaagde] voorafgaand aan de zitting aan [eiseres] ter beschikking gesteld en ter zitting heeft [gedaagde] daarnaast ook de door hem gedane opvraag als productie ingebracht. Hoewel [eiseres] stelt dat zij geen vertrouwen heeft in de juistheid van die gegevens en op basis daarvan bovendien nog altijd niet de door haar gewenste berekening kan maken van hetgeen haar toekomt, is de voorzieningenechter van oordeel dat de overgelegde stukken alle relevante informatie en specificaties bevatten die [eiseres] nodig heeft om in lijn met het eerdergenoemde Boon/Van Loon-arrest de waarde van de betreffende pensioenrechten te kunnen vaststellen. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de door Stichting Pensioenfonds Grontmij verstrekte gegevens te twijfelen.

4.3.

Verder staat vast dat ook [eiseres] zelf bij het ABP de waarde van het voor [gedaagde] opgebouwde ouderdomspensioen heeft opgevraagd en die informatie ook heeft gekregen. Bij deze stand van zaken is aannemelijk dat [eiseres] aan de hand van alle beschikbare informatie de door haar gewenste waardeberekening kan maken. Dat leidt ertoe dat [eiseres] reeds over de door haar in dit kort geding gevorderde informatie beschikt en dat zij geen belang (meer) heeft bij het verkrijgen van die informatie en een machtiging om bepaalde (overige) informatie rechtstreeks bij de pensioenuitvoerder van [gedaagde] op te vragen. Daarom zullen de vorderingen van [eiseres] strekkende daartoe en de daarover gevorderde dwangsommen worden afgewezen. Nu de vorderingen voorts niet (langer) zien op feitelijke verdeling/verrekening en uitbetaling van het opgebouwde pensioen, behoeven de verschillende verweren van [gedaagde] aangaande verjaring, rechtsverwerking en de finale kwijting die op het moment van verdeling zou zijn overeengekomen in deze procedure geen bespreking (meer).

4.4.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten bestaat in deze procedure geen aanleiding. Daarmee worden de kosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 937,00

  • -

    salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.917,00

4.5.

De nakosten en wettelijke rente daarover zullen worden toegewezen als na te melden.

in voorwaardelijke reconventie

4.6.

[gedaagde] heeft een vordering ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiseres] in conventie geheel of gedeeltelijk zouden worden toegewezen. Nu reeds is geoordeeld dat de vorderingen van [eiseres] in dit kort geding worden afgewezen, is aan de voorwaarde voor het instellen van de vordering in reconventie niet voldaan en zal de behandeling daarvan achterwege blijven.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.917,00, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op

€ 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

verstaat dat de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld niet is vervuld.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 24 september 2020.