Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5860

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
C/05/371329 / HZ ZA 20-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

erfrecht. vordering tot informatieverstrekking 4:78 verzetprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0278
FJR 2021/15.6
JERF Actueel 2020/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/371329 / HZ ZA 20-249

Vonnis in verzet van 4 november 2020

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. B.H. van den Tooren te Zutphen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. A.H. Kiesouw te Zutphen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het bericht van de rechtbank van 2 juli 2020

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 september 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 4 juni 2010 gehuwd met [naam 1], hierna ook erflaatster. Erflaatster is overleden op 9 augustus 2017 te [woonplaats].

2.2.

[eiser] is een zoon van erflaatster uit een eerder huwelijk. Uit dit huwelijk is ook de broer van [eiser] geboren. Daarnaast heeft erflaatster nog twee dochters gekregen dit zijn halfzusters van [eiser].

2.3.

Op 17 januari 2007 is overleden [naam 2], (hierna ook: [naam 2]) de vader van erflaatster en dus de grootvader van [eiser]. [naam 2] heeft in zijn testament van 26 oktober 1990 erflaatster tot zijn erfgename benoemd. Het testament bevat een uitsluitingsclausule, waarmee wordt uitgesloten dat hetgeen uit deze nalatenschap wordt verkregen deel gaat uitmaken van enige gemeenschap van goederen.

[naam 2] heeft op 22 april 2005 een codicil (hierna: het codicil) opgesteld. Daarin staat onder meer: “(…) Het kristal naar [eiser]. (…)”.

2.4.

Erflaatster heeft op 13 januari 2010 haar testament gemaakt en daarin [gedaagde] aangewezen als haar enig erfgenaam. Het testament van erflaatster bevat een tweetrapsmaking. Daarbij is [gedaagde] de bezwaarde en zijn de kinderen van erflaatster met uitzondering van [eiser] de verwachters. Erflaatster heeft [eiser] en diens kinderen uitdrukkelijk uitgesloten als haar erfgenaam. Erflaatster heeft [gedaagde] als executeur benoemd en in het geval deze benoeming geen effect sorteert haar zoon [eiser] als executeur benoemd. [gedaagde] noch [eiser] hebben deze benoeming geaccepteerd.

2.5.

[eiser] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I [gedaagde] veroordeelt tot het verstrekken van inzage in en afgifte van afschriften van stukken en bescheiden als onder 5 [de rechtbank leest 6] in de dagvaarding opgesomd,

zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag waarmee [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen 14 dagen na betekening van het vonnis,

II [gedaagde] veroordeelt uitvoering te geven aan het codicil om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het voormelde glasservies af te geven aan [eiser] door aflevering ten kantore van diens advocaat aan de Zaadmarkt 105 te Zutphen,

alsmede [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de schade aan dit glasservies, indien en voor zoveel het servies bij afgifte als hiervoor bedoeld incompleet blijkt te zijn en/of beschadigd, welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zo nodig zal worden gevorderd in een schadestaatprocedure,

III. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van een smartengeld ad € 1.000,00, althans een smartengeldvergoeding welke naar redelijkheid en billijkheid door de rechtbank zal worden vastgesteld ter zake van het achterhouden van een persoonlijke aan eiser gerichte brief van erflaatster en de respectloze manier waarop [gedaagde] hiermee omgaat,

IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,

V. bepaalt dat de proceskosten niet in mindering strekken op de legitimaire aanspraak van eiser en niet in mindering komen op het door [gedaagde] ter zake nog aan [eiser] te betalen bedrag.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [eiser] en concludeert hem te benoemen tot goed opposant en hem te ontheffen van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij vonnis van 22 april 2020 onder zaaknummer/rolnummer: C/05/366581/ HZ ZA 20-84 tussen [eiser] als eiser en [gedaagde] als gedaagde en [eiser] in zijn oorspronkelijke vordering alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren althans hem deze zal ontzeggen en [eiser] te veroordelen in de kosten van de verzetprocedure.

5. De beoordeling

5.1.

Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

5.2.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij is gedagvaard zonder verdere aanduiding van de hoedanigheid waarin dat gebeurt en zonder een rechtsgrond voor de vorderingen te noemen. [eiser] dient daarom volgens [gedaagde] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Dit verweer wordt verworpen. Artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult. De rechter moet zelfstandig en in beginsel onafhankelijk van hetgeen partijen hebben aangevoerd nagaan of en zo ja op welke juridische grondslagen de feiten de vordering kan dragen, ook als partijen die grondslag niet zelf hebben gesteld. Bij de verschillende vorderingen van [eiser] zal steeds worden nagegaan welke rechtsregel(s) daaraan ten grondslag ligt.

De vordering tot afgifte van stukken

5.3.

Voor wat betreft de door [eiser] gevorderde informatieverstrekking geldt het volgende.

[eiser] is legitimaris die niet erfgenaam is. Artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat hij tegenover de erfgenamen en de met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Zij verstrekken hem daartoe desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.

[gedaagde] heeft weliswaar zijn benoeming tot executeur niet aanvaard, maar de verplichting [eiser] de voor de berekening van zijn legitieme portie nodige informatie is verschaffen rust ook op [gedaagde] als enig erfgenaam. In zoverre is [gedaagde] pro sé dus juist in rechte betrokken en gaat het gevoerde verweer van hoedanigheid niet op. Dat [eiser] pas na het overlijden van [gedaagde] aanspraak kan maken op uitbetaling van de legitieme betekent niet dat de benodigde informatie pas na het overlijden van [gedaagde] verstrekt dient te worden. [eiser] heeft er een gerechtvaardigd belang bij nu al de omvang van de legitieme portie te kunnen berekenen.

5.4.

[eiser] vordert afgifte van de volgende stukken:

a. alle bankafschriften van bank- en girorekeningen waarop erflaatster volledig of gedeeltelijk gerechtigd was op de datum van haar overlijden, 9 augustus 2017,

b. alle bankafschriften van die rekeningen over de periode 9 augustus 2012 tot en met 9 augustus 2017,

c. een opgave van alle door erflaatster gedane schenkingen over de periode 9 augustus 2012 tot en met 9 augustus 2017, met daarbij de namen en adressen van degenen die die schenkingen hebben ontvangen,

d. een opgave van alle (mede) ten name van erflaatster gestelde levensverzekeringen, afschriften van de polissen en een gespecificeerde opgave van de daaruit ontvangen uitkeringen,

e. alle belastingaangiften en –aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2017,

f. een gespecificeerde boedelbeschrijving van de privé-vermogensbestanddelen (baten en schulden) met de daarbij behorende waarden van erflaatster per datum overlijden,

g. een volledige boedelbeschrijving van de huwelijksgoederengemeenschap (baten en schulden) met de daarbij behorende waarden,

h. een volledige boedelbeschrijving van de nalatenschap met de daarbij behorende waarden,

i. alsook een kopie van de financiële en administratieve stukken en/of taxaties waaruit die waarden blijken.

5.5.

Nagegaan moet worden tot hoever de informatieplicht van [gedaagde] strekt. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften (en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW). Artikel 4:67 BW bepaalt voorts welke door de erflater gedane giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking worden genomen.

[gedaagde] vermeldt in het door hem als productie 4 overgelegde overzicht onder meer dat de bankafschriften zijn opgevraagd. Omdat ze niet bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht, zal [gedaagde] veroordeeld worden tot afgifte van kopieën van de bankafschriften van de drie bankrekeningen betreffend per datum sterfdag erflaatster. De vordering bankafschriften over de laatste vijf jaren van erflaatster te verstrekken zal worden afgewezen, omdat [eiser] daar geen belang bij heeft. Dat zou anders kunnen zijn als er aanwijzingen zijn dat door erflaatster schenkingen zouden zijn gedaan die van belang zijn voor de berekening van de legitieme portie, maar die aanwijzingen zijn niet gesteld noch gebleken. Gelet op de vermoedelijke omvang van de nalatenschap is het ook niet aannemelijk dat erflaatster zodanige giften heeft gedaan.

De vorderingen met betrekking tot de bankafschriften over de laatste vijf jaar en tot de schenkingen zullen daarom worden afgewezen.

[gedaagde] heeft als productie K een kopie in het geding gebracht van de kostenbegroting van 11 augustus 2017 van de uitvaart van erflaatster, opgesteld door [naam 3] uitvaartverzorging. Daaruit blijkt dat de kosten van de uitvaart zijn voldaan uit een aantal uitvaartpolissen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet bekend is met levensverzekeringen ten name van erflaatster.

Aanwijzingen dat er ten name van erflaatster levensverzekeringen bestonden die tot uitkering zijn gekomen, zijn niet gesteld noch gebleken. De vordering daarop betrekking hebbende stukken in het geding te brengen wordt dan ook afgewezen.

Ook de vordering alle belastingaangiftes en –aanslagen over vijf jaar in het geding te brengen zal worden afgewezen, omdat [eiser] daar geen belang bij heeft. [gedaagde] dient wel de aangifte en aanslag inkomstenbelasting over 2017 erflaatster betreffende te verstrekken, indien die aangifte is gedaan.

5.6.

Ten aanzien van de vorderingen tot het verstrekken van boedelbeschrijvingen van de privé bezittingen van erflaatster, van de huwelijksgoederengemeenschap en de nalatenschap wordt het volgende geoordeeld. De door [eiser] enerzijds en [gedaagde] anderzijds overgelegde lijsten bevatten dezelfde bestanddelen die -met uitzondering van de Renault Megane- dezelfde waarde krijgen toegekend. [eiser] heeft de overzichten niet bestreden noch de daarop vermelde waardes maar slechts aangevoerd dat de door hem overgelegde en door [gedaagde] opgestelde boedellijst niet compleet is, omdat de erfenis die erflaatster ontving uit de nalatenschap van (groot)vader [naam 2] niet staat vermeld. Die erfenis bedroeg ongeveer € 8.000,00 en is besteed aan een vakantiewoning. Die vakantiewoning is later verkocht en van de opbrengst is het chalet in Eibergen gekocht, aldus [eiser]. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er ten tijde van zijn huwelijk met erflaatster –anderhalf haar na het overlijden van [naam 2]- alleen nog goederen uit de nalatenschap van [naam 2] waren, maar geen vermogen, geen spaargeld. Deze verklaring van [gedaagde] vindt steun in de verklaring van [eiser] dat het geld is besteed aan (uiteindelijk) het chalet in Eibergen. Dat chalet staat vermeld op zowel de lijst die [eiser] in het geding heeft gebracht als op de lijst van [gedaagde]. De vraag of het chalet tot de huwelijksgoederengemeenschap met [gedaagde] behoort dan wel privé-eigendom van erflaatster was, ligt niet ter beantwoording voor in deze procedure.

De roerende goederen die tot de nalatenschap van grootvader [naam 2] behoorden, staan vermeld op de tweede lijst die [eiser] als productie 3 in het geding heeft gebracht. Deze lijst is niet in geschil. In zoverre bestaat er dus geen onzekerheid over de roerende goederen die ingevolge de uitsluitingsclausule tot het privévermogen van erflaatster behoorden. De stelling van [eiser] dat de boedellijsten niet compleet zijn, wordt gelet op dit alles verworpen. Dat er naast de in de boedellijsten genoemde bestanddelen nog bestanddelen missen is niet gebleken. De vorderingen tot het verstrekken van boedellijsten zullen dan ook worden afgewezen.

5.7.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van de waarde van de inboedel van het woonhuis, de Peugeot 306 en de vakantiewoning in Eibergen foto’s daarvan in het geding gebracht. [gedaagde] heeft voorts prints van WhatsAppberichten in het geding gebracht en aangevoerd dat daaruit blijkt dat de Renault Megane voor een bedrag van € 1.500,00 is aangekocht. Naar het oordeel heeft hij daarmee voldoende de waarde van deze bestanddelen aangetoond. Mede gelet op de geringe omvang van de nalatenschap zal de vordering administratieve stukken en/of taxaties te overleggen waaruit de verschillende waardes blijken, worden afgewezen. Dit temeer omdat de door [gedaagde] gestelde waardes door [eiser] niet worden bestreden.

5.8.

Resumerend zal de vordering tot het afgeven van stukken als gemeld in het dictum worden toegewezen. De daarin genoemde dwangsom komt voldoende voor waarbij de rechtbank aanleiding ziet om een maximum aan de dwangsomveroordeling te verbinden.

Het glasservies

5.9.

[eiser] heeft aangevoerd dat op grond van het codicil hem een kristallen glasservies toekomt. Dit glasservies heeft zijn moeder onder zich gehad. Omdat [eiser] in die tijd een slechte relatie met haar had, is het servies toen niet aan hem afgegeven. De verplichting tot afgifte van het kristal is overgegaan om [gedaagde] als enig erfgenaam, aldus [eiser].

De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] aan deze vordering revindicatie van zijn eigendom ten grondslag legt.

5.10.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat deze ziet op de afwikkeling van de nalatenschap van [naam 2] en buiten de reikwijdte van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster valt. Hij is niet bekend met de afwikkeling van de nalatenschap van [naam 2]. Hij heeft pas een maand na het overlijden van [naam 2] kennis gemaakt met erflaatster en zich niet bemoeid met de afwikkeling van diens nalatenschap. [eiser] heeft zeven jaar de tijd gehad de nalatenschap van [naam 2] af te wikkelen. Van zijn echtgenote, erflaatster, heeft hij begrepen dat het kristal ook aan [eiser] is afgegeven, aldus [gedaagde]. Hij weet niet om welk servies het gaat. Hij heeft nooit een kristal servies gezien. Er zijn slechts enkele borrelglaasjes van kristal, sommige van opa [naam 2] en sommige gekocht op rommelmarkten. [gedaagde] is bereid deze aan [eiser] af te geven. Volgens [eiser] behoort het glaswerk op de door [gedaagde] in het geding gebrachte foto’s niet tot het servies. Na deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] onvoldoende gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat [gedaagde] een glasservies als door [eiser] bedoeld onder zich heeft. Dit en de onbepaaldheid van de vordering leiden tot afwijzing van de vorderingen tot afgifte van het servies en vergoeding van eventuele schade.

De vordering tot betaling van smartengeld

5.11.

[eiser] heeft aangevoerd dat erflaatster voor al haar kinderen een persoonlijke brief heeft achtergelaten, te overhandigen na haar overlijden. [gedaagde] heeft deze brieven in zijn bezit gehad, maar de voor [eiser] en diens broer bestemde brieven niet afgegeven. Hij heeft de voor de twee halfzussen van [eiser] bestemde brieven wel aan de geadresseerden afgegeven. Naar de brief gevraagd, heeft [gedaagde] geantwoord dat hij de brief heeft weggegooid. [eiser] heeft er veel verdriet van dat hij de brief niet heeft ontvangen en ook van de respectloze manier waarop [gedaagde] hiermee omgaat. Hij heeft hem uitgelachen, aldus [eiser]. Hij vordert daarom smartengeld.

5.12.

[gedaagde] heeft dit alles weersproken. Ter onderbouwing van zijn verweer dat er nooit een brief voor [eiser] is geweest, heeft hij een verklaring van een van de halfzusters van [eiser] in het geding gebracht. Daarin schrijft zij: “(...) In de map zat 1 brief, deze brief was belangrijk voor mijn zus en mij en deze moest door [gedaagde] geopend worden. verder heeft onze moeder Geen brieven voor ons achtergelaten. Was dat maar zo! (…)”

5.13.

De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] deze vordering baseert op het bepaalde in artikel 6:95 BW en verwijst naar hetgeen in het verstekvonnis is overwogen. Deze vordering is in het verstekvonnis afgewezen, omdat -kort gezegd- [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat er sprake is van een van de in artikel 6:106 BW genoemde situaties.

[eiser] heeft ook in de verzetprocedure daartoe onvoldoende gesteld. De rechtbank blijft daarom bij dit oordeel. Daar komt bij dat [eiser] in deze procedure na betwisting onvoldoende heeft aangevoerd ter onderbouwing van de door hem gestelde gang van zaken.

5.14.

De relatie tussen partijen en het onderwerp van geschil zijn aanleiding de kosten van deze procedure tussen hen te compenseren, zodanig dat zij ieder de eigen kosten dragen.

5.15.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd, voor zover daarin [gedaagde] is veroordeeld is tot het om op straffe van een dwangsom afgeven van de daarin vermelde stukken, tot het uitvoering geven aan het codicil door afgifte van het servies, tot vergoeding van de schade aan dat servies alsmede in de proceskosten. In plaats daarvan zal [gedaagde] veroordeeld worden om op straffe van een dwangsom afschriften van de hierna te noemen stukken aan [eiser] af te geven.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

vernietigt het door deze rechtbank op 22 april 2020 onder zaaknummer / rolnummer 366581 HZ ZA 20-84 gewezen verstekvonnis, voor zover [gedaagde] daarbij is veroordeeld tot het op straffe van een dwangsom afgeven van de daarin vermelde stukken, tot het uitvoering geven aan het codicil door afgifte van het servies, tot vergoeding van de schade aan dat servies en in de proceskosten,

en opnieuw beslissend

6.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken van afschriften van:

a. alle bankafschriften van bank- en girorekeningen waarop erflaatster volledig of gedeeltelijk gerechtigd was op de datum van haar overlijden, 9 augustus 2017,

b. de belastingaangifte en –aanslag inkomstenbelasting over 2017,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure de eigen kosten draagt,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

6.7.

bekrachtigt het verstekvonnis voor het overige.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.

AP | MS