Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5664

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
05/880607-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/880607-17

Datum uitspraak : 15 oktober 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

Raadsman: mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 juni 2020 en 1 oktober 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2017, te Arnhem,

- een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool ( [wapen 1] ) (pag 67) en/of een pistool ( [wapen 2] ) (pag 67) en/of

een gasalarmrevolver ( [wapen 3] ) (pag 66) en/of een gaspistool [wapen 4] (pag 68) en/of

-een of meer wapens van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen (pag 54/55) en/of een stroomstootwapen (pag 56/57) en/of

-een of meer wapens van categorie III onder 3, te weten twee werpmessen (pag 56/57) en/of

-munitie van categorie III, te weten (in totaal) 26 patronen (pag 66) voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2017, te Arnhem,

een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes (pag 54/55) en/of twee vlindermessen en/of twee valmessen (pag 57) en/of een of meer wapens van categorie I onder 1e, 3de en 4de lid van de wet wapens en munitie, te weten een aantal (7) boksbeugels (pag 56) en/of een of meer heimelijk wapen(s), te weten een mes (hout, met de initialen MS en/of een mes (hout, met opschrift [merknaam] met de initialen MS) (pag 56)

voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 12 maart 2017, te Arnhem en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of andere personen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of een hoeveelheid van een stof bevattende LSD en/of een hoeveelheid van een middel bevattende GHB, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of LSD en/of GHB (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte wapens van categorie I (feit 2), II en III (feit 1) voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte wapens van categorie I, II en III voorhanden heeft gehad, maar dat de tenlastelegging een dubbeltelling bevat ten aanzien van het stroomstootwapen en de vlindermessen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat in de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is van een dubbeltelling ten aanzien van de stroomstootwapens en de vlindermessen. De rechtbank ziet dit als een kennelijke verschrijving en zal dit bij het bewezenverklaring (onder 3) herstellen.

Indachtig de correctie in het aantal wapens, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 39-45

- kennisgeving van inbeslagneming, p. 600-608;

- proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55;

- proces-verbaal van bevindingen, p. 56-57;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2020.

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in drugs in de periode van half juli 2016 tot en met 12 maart 2017. De officier van justitie meent echter dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit in vereniging met een of meer anderen heeft gedaan. Van dit onderdeel dient verdachte te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, al dan niet in vereniging, in LSD heeft gehandeld . Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken. Met betrekking tot de periode waarin verdachte in drugs zou hebben gehandeld heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze periode beperkt dient te worden tot de periode van 1 juli 2017 tot en met 12 maart 2017.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich geheel aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 1 juli 2016 tot en met 12 maart 2017 in drugs heeft gehandeld, met dien verstande dat, zoals gesteld door de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in vereniging met een of meer anderen heeft gehandeld. Voorts acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in LSD heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

In het licht van de partiële vrijspraak als hiervoor aangeduid, in relatie tot het standpunt van zowel de officier van justitie en de verdediging, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- kennisgeving van inbeslagneming, p. 600-608;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2020.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2017, te Arnhem,

- een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool ( [wapen 1] ) (pag 67) en/of een pistool ( [wapen 2] ) (pag 67) en/of

een gasalarmrevolver ( [wapen 3] ) (pag 66) en/of een gaspistool [wapen 4] (pag 68) en/of

-een of meer wapens van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen (pag 54/55) en/of een stroomstootwapen (pag 56/57) en/of

-een of meer wapens van categorie III onder 3, te weten twee werpmessen (pag 56/57) en/of

-munitie van categorie III, te weten (in totaal) 26 patronen (pag 66) voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2017, te Arnhem,

een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes (pag 54/55) en/of twee vlindermessen en/of twee valmessen (pag 57) en/of een of meer wapens van categorie I onder 1e, 3de en 4de lid van de wet wapens en munitie, te weten een aantal (7) boksbeugels (pag 56) en/of een of meer heimelijk wapen(s), te weten een mes (hout, met de initialen MS en/of een mes (hout, met opschrift [merknaam] met de initialen MS) (pag 56)

voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 12 maart 2017, te Arnhem en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of andere personen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of een hoeveelheid van een stof bevattende LSD en/of een hoeveelheid van een middel bevattende GHB, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of LSD en/of GHB (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

“Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 eerste lid van de Wet wapens en munitie”

Ten aanzien van feit 2:

“Handelen in strijd met artikel 13 eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 eerste lid van de Wet wapens en munitie”

Ten aanzien van feit 3:

“Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 vierde lid van de Opiumwet”

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Iriszorg, het volgen van een gedragsinterventie leefstijl training en Werk aan Werk, een ambulante behandeling bij Kairos met mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname en meewerken aan schuldhulpverlening.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn fors overschreden is. Het eindproces-verbaal is van eind 2017. Verdachte is afgekickt en krijgt op vrijwillige basis behandeling voor zijn problemen. Verdachte is daarnaast bezig zijn schulden op orde te krijgen. De verdediging heeft gesteld dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden passend zijn.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 september 2020;

- een voorlichtingsrapport van reclassering IrisZorg, gedateerd 6 januari 2020.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben verschillende wapens, zoals twee vuurwapens, een gas-alarmrevolver en -pistool, een stroomstootwapen en meerdere messen. Het onbevoegd voorhanden hebben van wapens, met name vuurwapens, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens kunnen gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van wapens. De rechtbank neemt daarbij, anders dan de officier van justitie bij diens eis, niet de recente ontwikkelingen met betrekking tot strafopleggingen voor wapenbezit in – met name –het arrondissement Amsterdam tot uitgangspunt. Uitgangspunt voor de rechtbank bij de strafoplegging is de stand van het recht op het moment waarop de verdachte de feiten heeft gepleegd.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het handelen in drugs.

Hierdoor heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke activiteiten plegen te leiden tot nadelige maatschappelijke gevolgen als gezondheidsschade voor gebruikers en sociale overlast.

De rechtbank houdt, in het voordeel van de verdachte, rekening met de verklaring van verdachte dat hij niet meer dan gedurende vijf maanden in drugs gehandeld heeft en drugs heeft geleverd aan een beperkte kring van afnemers die bovendien hoofdzakelijk bestond uit vrienden en bekenden van verdachte en dat zijn voornamelijke doel was om te voorzien in zijn eigen drugsgebruik. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafsoort en -maat ook rekening met diens open houding tijdens het onderzoek door de politie en tijdens de terechtzitting. Verdacht nam en neemt verantwoordelijkheid voor zijn daden. Dat komt mede tot uitdrukking in het feit dat verdacht na zijn aanhouding hulp is gaan zoeken en heeft aanvaard.

Uit het reclasseringsadvies en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt dat verdachte zich ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten in een negatief sociaal netwerk van gebruikers en justitiabelen bevond. Verdachte is daardoor strafbare feiten gaan plegen. Verdachte heeft bij de reclassering verantwoordelijkheid getoond voor zijn problemen en wil tot een positieve gedragsverandering komen. Hij volgt een schuldhulp-traject bij de bewindvoerder en krijgt behandeling bij Kairos.

Bij de berechting van een zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 13 maart 2017 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn daarom aangevangen.

Tussen 13 maart 2017 en de datum van dit vonnis ligt een periode van ruim drieënhalf jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 2 jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van bijna anderhalf jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

Voor het bezit van de wapens en de handel in verdovende middelen,

zoals bewezenverklaard, zou de rechtbank, in het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn gekomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een wettelijk maximale taakstraf, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld heeft gezeten, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd, passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter

later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden

voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij de Reclassering IrisZorg, op het adres [adres 2] . De reclassering is telefonisch bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] . Veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd blijven melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Huisbezoeken, de methodiek “Stap voor Stap” en urinecontroles kunnen onderdeel uitmaken van het toezicht. Veroordeelde dient hier aan medewerking te verlenen.

- zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op middelengebruik en de relatie met het delict gedrag, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

- zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een gedragsinterventie Werk aan Werk. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, van ambulante verslavingszorg IrisZorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering vanwege middelenproblematiek. De behandeling duurt de hele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Bij ernstige zorgen over psychiatrische problematiek of ernstig middelengebruik ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

 Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

en veroordeelt verdachte tot

 een taakstraf gedurende 240 tweehonderdenveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter),

mr. E.H.T. Rademaker en mr. R.W.H. van Brandenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Kök, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLON4R01 (onderzoek Dalton), gesloten op 19 september 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld en het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20170919.1419 (onderzoek Rataplan), gesloten op 21 september 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.