Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5560

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-10-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
C/05/361284 / HZ ZA 19-117
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Raamovereenkomst met jeugdhulpverleningsinstantie door gemeente onrechtmatig ontbonden. Verklaring voor recht toegewezen. Brieven en uitlatingen in de media door gemeente niet onrechtmatig. Daarop betrekking hebbende vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/361284 / HZ ZA 19-117

Vonnis van 14 oktober 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VERBORGEN KRACHT B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VERBORGEN KRACHT HOLDING B.V.,

beide gevestigd te Deventer,

eiseressen,

advocaat mr. B. Wallage te Utrecht,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE APELDOORN,

zetelend te Apeldoorn,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BRUMMEN,

zetelend te Brummen,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EPE,

zetelend te Epe,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HATTEM,

zetelend te Hattem,

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HEERDE,

zetelend te Heerde,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LOCHEM,

zetelend te Lochem,

7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VOORST,

zetelend te Twello,

8. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZUTPHEN,

zetelend te Zutphen,

gedaagden,

advocaat mr. C.A.M. Nijhuis te Arnhem.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk DVK c.s. worden genoemd en ieder afzonderlijk DVK en DVK Holding. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Gemeenten of de ZorgRegio, en ieder afzonderlijk als de gemeente Apeldoorn, de gemeente Brummen, de gemeente Epe, de gemeente Hattem, de gemeente Heerde, de gemeente Lochem, de gemeente Voorst en de gemeente Zutphen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 maart 2020

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 2 juli 2020.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

DVK, bestuurd door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), voert een onderneming die een zorginstelling exploiteert op het gebied van jeugdhulp en zorg verleent binnen de regio Zutphen-Apeldoorn.

2.2.

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet. In het kader van de uitvoering van de Jeugdwet kan de gemeente contracteren met een zorgaanbieder. Indien geen contract is afgesloten, kan de jeugdhulpverlening worden ingezet door middel van het verstrekken van een persoonsgebonden budget (pgb). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna ook: IGJ) is op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de kwaliteit van de jeugdhulpverlening door jeugdhulpaanbieders.

2.3.

De uitvoering van de Jeugdwet is in de regio Zutphen-Apeldoorn zodanig geregeld dat de inkoop vanaf 2015 is ondergebracht in een zogenoemde zorgregio: de “ZorgRegio Midden-IJssel/Oost-Veluwe” (hierna: de ZorgRegio).

2.4.

De diverse contracten, waaronder de raamovereenkomsten met de zorgaanbieders, worden gesloten door de aangesloten gemeenten, te weten: de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Hattem, Heerde, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen (de Gemeenten).

2.5.

Over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 heeft de ZorgRegio namens de Gemeenten, in verband met de inwerkingtreding van de Jeugdwet, met DVK gecontracteerd. Bij raamovereenkomst van 16 mei 2018 (productie 1 bij dagvaarding) is de samenwerking tussen de ZorgRegio en DVK gecontinueerd voor de duur van drie jaar, te weten over de periode van 31 december 2018 tot en met 31 december 2021.

2.6.

Op de raamovereenkomst zijn de “Algemene Voorwaarden Sociaal Domein” van de Zorgregio van toepassing. Deze algemene voorwaarden (eveneens productie 1 bij dagvaarding) luiden onder meer als volgt:

3.1. NIET-NAKOMING VAN DE OVEREENKOMST

1. Als de geleverde dienstverlening niet voldoet aan de gestelde eisen in de overeenkomst, kan opdrachtgever eisen dat de opdrachtnemer voor zijn eigen rekening en risico zo spoedig mogelijk zorg draagt voor nakoming op een zodanige wijze dat alsnog volledig wordt voldaan aan alle eisen.

2. Als opdrachtnemer in gebreke wordt gesteld, kan er direct een plan van aanpak gevraagd worden. De ingebrekestelling wordt schriftelijk verstuurd aan de opdrachtnemer en daarin wordt een redelijke termijn opgenomen voor opdrachtnemer worden om alsnog zijn verplichtingen na te komen. Deze termijn heeft het karakter van een fatale termijn.

3. Indien er een plan van aanpak wordt gevraagd, dient het plan van aanpak vertrouwenwekkende maatregelen te bevatten. Tijdens de herstelperiode, zoals gedefinieerd in het plan van aanpak, kan opdrachtnemer geen dienstverlening starten voor cliënten welke op de wachtlijst van opdrachtnemer staan dan wel voor geheel nieuwe cliënten.

4. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is de opdrachtnemer die toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van één of meer verplichtingen uit deze overeenkomst aansprakelijk voor vergoeding van de door opdrachtgever en cliënt(en) geleden c.q. te lijden schade, rekening houdend met het feit dat opdrachtnemer er alles aan heeft te doen, wat redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden, om de schade te beperken.

5. Als blijkt dat het nakomen van de betreffende verplichtingen blijvend onmogelijk is, is de opdrachtnemer daarmee onmiddellijk in verzuim.

6. Opdrachtgever behoudt zich het recht voor om ook een beroep te doen op dit artikel indien er onoverbrugbare verschillen bestaan tussen opdrachtgever en opdrachtnemer dan wel tussen opdrachtnemers onderling die de dienstverlening en integratie van het Sociaal Domein in gevaar brengt. Wanneer dit gebeurt hoeft er niet per definitie sprake te zijn van beëindiging van de overeenkomst, maar kan dat ook betekenen dat de dienstverlening beëindigd wordt voor een of meerdere cliënten.

3.2.

ONTBINDING VAN DE OVEREENKOMST

1. Deze overeenkomst kan met onmiddellijke ingang zonder enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst, geheel of gedeeltelijk, schriftelijk worden ontbonden (inclusief een kopie via het contractmanagementplatform):

a. Indien de wederpartij (voorlopige) surceance van betaling verkrijgt;

b. Indien de wederpartij zich in staat van kennelijk onvermogen bevindt of onderwerp uitmaakt van een procedure tot faillissement, gerechtelijk akkoord, vereffening, beslaglegging of van elke andere soortgelijke procedure.

Door opdrachtgever indien:

a. De onderneming van opdrachtnemer wordt beëindigd;

b. Opdrachtnemer niet meer voldoet aan de geschiktheidseisen en vereisten zoals geformuleerd in de voorgaande artikelen;

c. De toelating van opdrachtnemer voor de Wet Toelating Zorginstellingen (Wij) wordt ingetrokken, indien de WTZi op de opdrachtnemer van toepassing is;

d. De opdrachtnemer in een situatie van niet-toerekenbare tekortkoming verkeert en het aannemelijk is dat deze situatie langer zou kunnen duren dan veertien kalenderdagen;

e. Het in artikel 3.1 lid 2 gevraagde plan van aanpak door opdrachtnemer geen vertrouwenwekkende maatregelen bevat;

f. De opdrachtnemer een ernstige fout maakt.

3. Als één van de partijen op grond van het vorige lid tot ontbinding met onmiddellijke ingang overgaat, is de wederpartij aan de ontbindende partij verplicht om vergoeding te geven van de schade die door tekortschieten of andere grond voor ontbinding mocht zijn ontstaan.

4. Opdrachtgever heeft het recht de overeenkomst te ontbinden indien de opdrachtnemer niet voldoet aan wettelijke vereisten dan wel professionele normen als het aankomt op de uitoefening van de werkzaamheden die onderwerp zijn van deze overeenkomst. Opdrachtgever kan pas ontbinden na toepassing van artikel 3.1. lid 2.

(…)

3.10.

TOETSING VAN KWALITEIT

1. De opdrachtgever behoudt zich het recht voor – al dan niet middels de Toezichthouder – de administratie en locaties waar dienstverlening wordt verleend van opdrachtnemer te controleren teneinde de juiste nakoming van opdrachtnemers verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst te kunnen waarborgen. Opdrachtnemer dient hieraan zijn volle medewering te verlenen. De opdrachtgever heeft eveneens het recht om de kwaliteit van de dienstverlening bij de cliënt door een onafhankelijke derde te laten toetsen aan de gestelde kaders van de overeenkomst en de toewijzing. Opdrachtnemer dient hieraan zijn volle medewerking te verlenen.

2. Indien de opdrachtgever van voornoemde bevoegdheid gebruikmaakt, zijn de kosten van deze controle voor haar rekening, tenzij uit de controle blijkt dat er sprake is van onregelmatigheden aan de zijde van de opdrachtnemer in het nadeel van de opdrachtgever.

2.7.

In 2017 is een conflict ontstaan tussen de gemeente Zutphen en DVK. Naar aanleiding van klachten die het Centrum Jeugd en Gezin (hierna: CJG) van de gemeente Zutphen zou hebben ontvangen over DVK, heeft de gemeente Zutphen aangekondigd geen nieuwe cliënten meer te verwijzen naar DVK en herindicaties slechts af te geven voor een periode van maximaal drie maanden. Daarnaast heeft de gemeente Zutphen in april 2017 aan een aantal ouders van cliënten van DVK een brief gestuurd over haar vermoedens ten aanzien van de kwaliteit van de zorgverlening door DVK en het onderzoek dat zij daarnaar was begonnen.

2.8.

Bij brief van 13 april 2017 (productie 6 bij dagvaarding) heeft de gemeente Zutphen aan DVK laten weten dat zij een onderzoek is gestart naar drie punten waarover zij zich zorgen maakte, namelijk (1) het opsluiten van een cliënt zonder daartoe bevoegd te zijn, (2) signalen die duiden op een verschil tussen geleverde en gedeclareerde zorg en (3) de samenwerking. Daarbij heeft de gemeente Zutphen gemeld dat zij verder geen gevolg zal geven aan het onbevoegd opsluiten van een cliënt, omdat de IGJ heeft meegedeeld geen verdere maatregelen te nemen, met name niet omdat met DVK tot een verbeterplan is gekomen. Over de aanwijzingen die duiden op een verschil tussen geleverde en gedeclareerde zorg heeft de gemeente Zutphen meegedeeld dat uit intern onderzoek in de administratie niet blijkt dat DVK aantoonbaar meer zorg heeft gedeclareerd dan is geleverd. Benadrukt is verder dat een constructieve wijze van met elkaar communiceren nodig is om de samenwerking voort te zetten en dat de samenwerking de nodige verbeteringen vraagt.

2.9.

Bij vonnis in kort geding van 12 december 2017 (productie 14 bij dagvaarding) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats op vordering van DVK onder meer het volgende beslist (waarbij “de gemeente” de gemeente Zutphen betreft):

5.1. gelast de gemeente over te gaan tot het op reguliere wijze – zoals zij dit heeft gedaan tot 1 januari 2017 – doorverwijzen van cliënten naar DVK en tot het verlengen van indicaties op basis van de door de betreffende cliënt benodigde hulp,

5.2.

bepaalt dat de gemeente voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde een dwangsom van € 25.000,- aan DVK verbeurt, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt (…).”

2.10.

Bij brief van 16 januari 2018 (productie 7 bij dagvaarding) heeft de IGJ DVK aangeschreven met het verzoek om een vragenlijst in te vullen. DVK heeft aan dit verzoek gehoor gegeven. Bij brief van 21 februari 2018 (productie 8 bij dagvaarding) heeft de IGJ aan DVK laten weten dat zij op basis van de ingevulde vragenlijst geen aanleiding zag voor nader onderzoek bij DVK.

2.11.

Bij vonnis van 16 januari 2019 (productie 13 bij dagvaarding) heeft deze rechtbank en zittingsplaats, op vordering van DVK, onder meer voor recht verklaard dat de gemeente Zutphen onrechtmatig heeft gehandeld jegens DVK door:

- vanaf 13 april 2017 niet (voldoende) op reguliere wijze cliënten door te verwijzen naar DVK en/of indicaties te verlengen voor door DVK te verlenen zorg en

- na afronding van het onderzoek op 13 april 2017 de eerder aangeschreven (ouders van) cliënten niet te informeren over de uitkomst van het onderzoek,

waardoor de gemeente Zutphen vanaf 13 april 2017 geen gelijke kansen voor DVK heeft gecreëerd als voor andere (vergelijkbare) zorgaanbieders en aansprakelijk is voor de schade die DVK als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden. Daarbij heeft de rechtbank de gemeente Zutphen onder meer veroordeeld tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat. Daarnaast heeft de rechtbank de gemeente Zutphen veroordeeld om een rectificatie te sturen aan in het vonnis nader omschreven geadresseerden, in welke rectificatie de gemeente Zutphen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud moest meedelen dat het onderzoek is afgerond en dat de gemeente Zutphen op basis daarvan heeft beslist dat er geen aanleiding meer is om maatregelen te nemen ten aanzien van DVK.

2.12.

Naar aanleiding van bovengenoemd vonnis heeft de gemeente Zutphen rectificatiebrieven gestuurd aan twintig gezinnen die onder behandeling waren bij DVK (productie 10 bij dagvaarding).

2.13.

Bij brief van 29 april 2019 (productie 19 bij dagvaarding) heeft de ZorgRegio DVK in gebreke gesteld, omdat DVK volgens de ZorgRegio een aantal van de gestelde eisen in de raamovereenkomst en bijbehorende annexen niet nakomt. De brief luidt verder onder meer als volgt:

“(…)

U krijgt hierbij een laatste mogelijkheid om de raamovereenkomst en bijbehorende annexen na te komen. U moet daartoe:

1. uiterlijk op maandag 13 mei 2019 aan de regio overleggen alle diploma’s van de bij DVK werkzame personen waaruit hun algemene en specifieke deskundigheid, kwalificaties en bevoegdheden blijken;

2. uiterlijk op maandag 13 mei 2019 aan de regio overleggen een plan van aanpak , waarin vertrouwenwekkende maatregelen zijn opgenomen, waarmee door DVK aan de door de regio geconstateerde tekortkomingen uiterlijk op en vanaf maandag 27 mei 2019 dan wel binnen een op voorstel van DVK en door de regio te bepalen redelijke termijn een einde wordt gemaakt;

3. in het uiterlijk op maandag 13 mei 2019 over te leggen plan van aanpak zonder enig voorbehoud en ook zonder het stellen en/ of daaraan verbinden van voorwaarden verklaren dat DVK zich met ingang van maandag 27 mei 2019, dan wel zoveel eerder als voor DVK en naar het uiteindelijke oordeel van de regio in redelijkheid voor dat onderdeel mogelijk is , houdt aan dat wat hieronder in deze brief in het specifieke kader is opgenomen;

4. in het uiterlijk op maandag 13 mei 2019 over te leggen plan van aanpak vermelden hoe DVK de geconstateerde tekortkomingen weg gaat nemen door in het plan van aanpak op te nemen:

a. de tot aan maandag 27 mei 2019 al getroffen vertrouwen maatregelen, en

b. de door DVK op en vanaf maandag 27 mei 2019 te treffen vertrouwenwekkende maatregelen;

5. in het uiterlijk op maandag 13 mei 2019 over te leggen plan van aanpak een herstelperiode opnemen, als bedoeld in artikel 3.1, lid 3 AVSD, waarin DVK de vertrouwenwekkende maatregelen gaat treffen, als hiervoor onder 4. bedoeld, voor zover het treffen van deze vertrouwenwekkende maatregelen niet eerder dan maandag 27 mei 2019 of op en vanaf maandag 27 mei 2019 mogelijk is

(…)

Wij beperken ons bij deze ingebrekestelling tot de geconstateerde tekortkomingen vanaf 1 januari 2019 tot en met medio april 2019. Het is de regio immers in deze periode in voldoende mate gebleken dat u er een werkwijze op na houdt die niet strookt met de raamovereenkomst, ook in vergelijking met andere vergelijkbare zorgaanbieders. U dwingt ons er dan ook toe om DVK opmerkzaam te maken op de geconstateerde tekortkomingen, in gebreke te stellen en om daarbij aanvullende afspraken met DVK te maken.

1. Niet accepteren van de verantwoordelijkheid van de Toegang over beslissen over passende zorg, waaronder het afgeven van indicaties en afgeven van zorgtoewijzingen, alsmede geen open en constructieve houding, geen professionele houding aannemen en een gebrek aan samenwerking

(…)

2. Starten met zorg zonder zorgtoewijzing

(…)

3. Overige geconstateerde tekortkomingen

(…)

- het niet werken met regieberichten in het ijW/iWmo berichtenverkeer,

- het niet aannemen van een open en constructieve houding

- het niet lezen van de website van de zorgregio en daar naar handelen

- het niet werken conform de professionele normen,

- het niet tijdig aanleveren van (benodigde) gegevens

- het niet delen van relevante informatie over zorg/ cliënten, en

- het niet melden als er iets van invloed is op de levering van zorg.

Op grond van de raamovereenkomst is DVK hier wel uitdrukkelijk toe gehouden.

Een laatste geconstateerde tekortkoming is nog dat DVK in één geval is overgegaan tot het vervoeren van een jeugdige, zonder de medewerkers van de Toegang hierin vanaf het begin af aan te betrekken.

(…)

Onderbouwing geconstateerde tekortkomingen

Ter onderbouwing van al deze hierboven vermelde tekortkomingen verwijzen wij, zonder daarbij uitputtend te zijn, naar de casus C.M., D.B., D.M., E.L. en J.A., voor zover in het kader van deze ingebrekestelling relevant vanaf 1 januari 2019. Aanvullend merken wij hierbij op dat in al deze casus DVK welhaast structureel vindt dat er meer zorg nodig is, dan er is geïndiceerd en waar DVK ook zelf om vraagt. (…)

Daarbij is er soms zelfs sprake van zorg waarvoor DVK niet op grond van de raamovereenkomst is gecontracteerd. (…)

De gemeente Zutphen is er inmiddels uit gesprekken met ouders mee bekend geworden dat DVK in één of meer gesprekken met ouders heeft aangegeven dat ‘DVK de strijd over de af te geven indicatie/ de te beschikken zorg wel aangaat met de gemeente’, in die zin dat de ouders zich daar geen zorgen over hoeven te maken. Volgens DVK kon de zorg daarmee dan alvast starten. Dit is uitdrukkelijk strijdig met de overeengekomen werkwijze op basis van de aangegane raamovereenkomst. (…)

In dit verband kan tot slot ook niet onvermeld blijven dat DVK op de eigen website de term ‘jeugd-ggz’ gebruikt en zich op de eigen website ook presenteert als een ‘jeugd-ggz organisatie’. DVK is echter op dit moment niet gekwalificeerd (en ook niet gecontracteerd) om geestelijke gezondheidszorg te bieden. DVK is hier herhaaldelijk op aangesproken. (…)”

2.14.

Bij e-mails van 7 en 10 mei 2019 (productie 21 bij dagvaarding) heeft DVK op de ingebrekestelling gereageerd en meegedeeld, kort gezegd, dat zij zich niet herkent in de gestelde tekortkomingen en dat deze ook feitelijke onjuistheden bevatten, zodat DVK geen plan van aanpak kan aanleveren. DVK heeft verder aangekondigd dat zij nog inhoudelijk op de ingebrekestelling zal reageren, maar daarvoor eerst alle argumentatie moet verzamelen.

2.15.

Bij brief van 20 mei 2019 (productie 22 bij dagvaarding) heeft de ZorgRegio de raamovereenkomst ontbonden per 1 juli 2019.

2.16.

Eveneens op 20 mei 2019 hebben de bij de ZorgRegio aangesloten gemeenten een brief (productie 23 bij dagvaarding) gestuurd naar de cliënten van DVK, waarin staat dat de overeenkomst met DVK per 1 juli 2019 wordt ontbonden en dat de zorgverlening door DVK per die datum stopt. Als reden staat in de brief vermeld dat de samenwerking met DVK moeizaam verloopt, dat afspraken uit het contract niet worden nagekomen en dat DVK is gevraagd een verbeterplan te maken, maar dat zij dat niet heeft gedaan.

2.17.

Op 29 mei 2019 is een bericht verschenen in De Stentor (productie 27 bij dagvaarding), waarin een wethouder van de gemeente Zutphen zich uitlaat over de beëindiging van de samenwerking van de Gemeenten met DVK en de redenen daarvoor (zie nader 4.36).

2.18.

Per 1 juli 2019 is de zorgverlening aan alle cliënten van DVK beëindigd en heeft DVK de exploitatie van haar onderneming feitelijk beëindigd.

2.19.

Bij brief van 29 juli 2019 (productie 29 bij dagvaarding) heeft de advocaat van DVK namens DVK aan de ZorgRegio meegedeeld, kort gezegd, dat de ZorgRegio de raamovereenkomst op onrechtmatige gronden heeft ontbonden, dat hierdoor en door het vervolgens onzorgvuldige handelen door de ZorgRegio en de aangesloten gemeenten de verdere exploitatie van DVK feitelijk onmogelijk is gemaakt en dat DVK als gevolg hiervan forse schade heeft geleden, waarvoor DVK de ZorgRegio aansprakelijk stelt.

2.20.

Bij brief van 22 augustus 2019 (productie 30 bij dagvaarding) heeft de advocaat van de ZorgRegio namens de ZorgRegio iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.21.

De gemeente Zutphen is in hoger beroep gegaan van het onder 2.11 bedoelde vonnis en van twee kortgedingvonnissen in executiegeschillen. Op 2 juni 2020 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden in die drie hoger beroepen arrest gewezen (ECLI:NL:GHARL:2020:4199). In het hoger beroep tegen het vonnis genoemd onder 2.11 heeft het hof, kort gezegd en onder meer, geoordeeld dat een vermoeden bestaat dat de gemeente Zutphen tot 1 januari 2019 geen nieuwe indicatiestellingen meer aan DVK heeft willen gunnen. Het hof heeft de gemeente Zutphen toegelaten tot het tegenbewijs daarvan, en DVK tot (nader) bewijs daarvan. Ten aanzien van de kortgedingvonnissen heeft het hof grotendeels de veroordelingen van de gemeente Zutphen tot betaling van dwangsommen bekrachtigd. Ten aanzien van een casus heeft het hof het kortgedingvonnis vernietigd omdat het hof tot het oordeel is gekomen dat ook ten aanzien van die casus de gemeente Zutphen het gebod van de voorzieningenrechter – dat kort gezegd inhield dat de gemeente Zutphen weer regulier naar DVK zou verwijzen – heeft overtreden.

3 Het geschil

3.1.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ten aanzien van de oorspronkelijke vorderingen van DVK c.s. onder IV, V en VI een minnelijke regeling getroffen. Op die vorderingen hoeft de rechtbank dus niet meer te beslissen.

DVK c.s. vordert nog wel, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat (1) DVK niet blijvend in verzuim is geweest en/of (2) de Gemeenten de raamovereenkomst met DVK onrechtmatig hebben ontbonden en/of (3) de Gemeenten aansprakelijk zijn voor als gevolg daarvan door DVK c.s. te lijden schade, alsmede de veroordeling van de Gemeenten tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2019;

II. een verklaring voor recht dat de op 20 mei 2019 door de gemeenten Zutphen, Voorst, Lochem, Brummen en Apeldoorn verzonden brieven (productie 23 bij dagvaarding) onrechtmatig zijn jegens DVK c.s., alsmede de uitlatingen door deze gemeenten dat de cliënten van DVK c.s. niet in aanmerking kwamen voor een persoonsgebonden budget, onrechtmatig zijn jegens DVK c.s. en de gemeenten Zutphen, Voorst, Lochem, Brummen en Apeldoorn aansprakelijk zijn voor de door DVK c.s. als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, alsmede de veroordeling van voornoemde gemeenten tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2019;

III. een verklaring voor recht dat de uitlatingen namens de gemeente Zutphen in de media en/of richting andere zorgaanbieders en/of andere gemeenten, waarin door de gemeente Zutphen werd gesteld dat zorgverlening van DVK van onvoldoende kwaliteit is, onrechtmatig is jegens DVK c.s. en de gemeente Zutphen aansprakelijk is voor de door DVK c.s. als gevolg daarvan geleden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2019, dan wel een in goede justitie te bepalen andere datum;

IV. de veroordeling van de Gemeenten in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

3.2.

DVK c.s. legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag.

In het kader van haar vordering onder I betoogt zij dat de ZorgRegio namens de aangesloten gemeenten de raamovereenkomst met DVK op onrechtmatige gronden heeft ontbonden. Volgens DVK c.s. is geen sprake van enige tekortkoming aan haar zijde in de nakoming van de raamovereenkomst, althans niet van een tekortkoming die een ontbinding van de raamovereenkomst rechtvaardigt.

Met betrekking tot haar vordering onder II stelt DVK c.s. zich op het standpunt dat de ZorgRegio bij de ontbinding van de raamovereenkomst onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde – bedrijfseconomische – belangen van DVK en de vergaande gevolgen van de ontbinding van de raamovereenkomst voor DVK, mede gezien de korte termijn die zij heeft gekregen voor de overdracht van de patiënten.

In het kader van haar vordering onder III voert DVK c.s. aan dat de ZorgRegio en de aangesloten gemeenten onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. DVK c.s. wijst op de brief die de Zorgregio en de aangesloten gemeenten hebben gestuurd aan de cliënten van DVK, waarin zij hebben aangegeven dat de zorg bij DVK per 1 juli 2019 moest worden beëindigd. Ook hebben zij aan patiënten meegedeeld dat het niet mogelijk is de zorgverlening te continueren op grond van een persoonsgebonden budget. Deze informatie is in strijd met de bepalingen hieromtrent in de Jeugdwet, en jegens DVK c.s. onrechtmatig, aldus DVK c.s. Verder heeft de ZorgRegio volgens DVK c.s. onrechtmatig jegens haar gehandeld door in de media onjuiste uitlatingen te doen over de gestelde tekortkomingen door DVK, met onherstelbare reputatie- en imagoschade als gevolg.

3.3.

De Gemeenten voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van DVK c.s. in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van DVK c.s. in de proceskosten.

3.4.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4 De beoordeling

Ten aanzien van DVK Holding

4.1.

Voor zover de vorderingen zijn ingesteld door DVK Holding, stelt DVK c.s. zich op het standpunt dat DVK Holding, als aandeelhouder van DVK, als gevolg van de onrechtmatige ontbinding van de raamovereenkomst en de onrechtmatige uitlatingen van de Gemeenten schade heeft geleden, die bestaat uit het “verdampen” van de bedrijfs- of goodwillwaarde van de onderneming. De Gemeenten voeren hiertegen als verweer aan dat DVK Holding in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat haar vorderingen moeten worden afgewezen, omdat zij geen enkele verbintenis heeft met de Gemeenten en van enig onrechtmatig handelen van de ZorgRegio/de Gemeenten richting DVK Holding geen sprake is.

4.2.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het standpunt van DVK c.s. komt erop neer dat DVK Holding door toedoen van de Gemeenten aandeelhoudersschade heeft geleden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over aandeelhoudersschade volgt dat – kort gezegd – de schade die een individuele aandeelhouder lijdt als gevolg van onrechtmatig handelen door een derde jegens de vennootschap niet door de individuele aandeelhouder tegen die derde te gelde kan worden gemaakt (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 (ABP/Poot)). Indien aan een vennootschap, in dit geval DVK, door een derde, in dit geval de Gemeenten, vermogensschade wordt toegebracht door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit – aanvankelijk – voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken. Van een eventuele vergoeding van schade aan een aandeelhouder kan slechts dan sprake zijn indien jegens die aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hem in privé in acht had moeten worden genomen. Hetgeen DVK c.s. in de dagvaarding aanvoert, biedt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake zou zijn van schending door de Gemeenten van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens DVK Holding. Dat daarvan sprake zou zijn, is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Hieruit volgt dat de vorderingen moeten worden afgewezen voor zover zij zijn ingesteld namens DVK Holding.

Ten aanzien van DVK

Vordering I: (on)rechtmatige ontbinding raamovereenkomst, schade

4.3.

De vordering onder I strekt ertoe dat de rechtbank voor recht verklaart dat (1) DVK niet blijvend in verzuim is geweest en/of (2) de Gemeenten de raamovereenkomst met DVK onrechtmatig hebben ontbonden en/of (3) de Gemeenten aansprakelijk zijn voor als gevolg daarvan door DVK c.s. te lijden schade, alsmede tot de veroordeling van de Gemeenten tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat.

4.4.

De vraag die voorligt, is of de Gemeenten de raamovereenkomst op goede gronden buitengerechtelijk hebben ontbonden. Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Op grond van lid 2 ontstaat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is.

4.5.

De rechtbank zal in het navolgende de tekortkomingen bespreken die de Gemeenten aan DVK verwijten volgens de ingebrekestelling van 29 april 2019 (productie 19 bij dagvaarding, zie hierboven 2.13). Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de Gemeenten zich in de ingebrekestelling uitdrukkelijk beperken tot de periode van 1 januari 2019 tot en met medio april 2019. Eventuele tekortkomingen van DVK in de periode daarvóór of daarna spelen dus geen rol bij de beantwoording van de vraag of de Gemeenten de raamovereenkomst op goede gronden hebben ontbonden.

Tekortkoming 1: niet accepteren verantwoordelijkheid de Toegang, geen open, constructieve en professionele houding, gebrek aan samenwerking

4.6.

De eerste tekortkoming waaraan DVK zich volgens de Gemeenten schuldig heeft gemaakt, houdt in dat DVK niet de verantwoordelijkheid van de Toegang accepteert over het beslissen over passende zorg, waaronder het afgeven van indicaties en het afgeven van zorgtoewijzingen. Ook neemt DVK volgens de Gemeenten geen open, constructieve en professionele houding aan en is sprake van een gebrek aan samenwerking. De Gemeenten werken deze tekortkoming in de ingebrekestelling als volgt nader uit.

4.7.

Om te beginnen blijft DVK volgens de Gemeenten continu af te geven en ook afgegeven indicaties ten behoeve van jeugdhulp ter discussie stellen, evenals zorgtoewijzingen aan haarzelf als zorgaanbieder. De Gemeenten wijzen er in de conclusie van antwoord op dat volgens artikel 5.10 van de raamovereenkomst de Toegang de (omvang van de) zorgbehoefte van de jeugdige vaststelt en een daarbij behorende indicatie afgeeft. Volgens de Gemeenten stelt DVK zich onverkort op het standpunt dat de Toegang van de gemeente Zutphen niet regulier verwijst en niet regulier zorgtoewijzingen verleent en verlengt. Door de indicaties constant ter discussie te stellen, handelt DVK niet conform de professionele normen als bedoeld in artikel 3.2 lid 4 AVSD, aldus de Gemeenten in de conclusie van antwoord. De rechtbank overweegt dat de opdrachtgever op grond van laatstgenoemde bepaling het recht heeft de raamovereenkomst te ontbinden indien de opdrachtnemer niet voldoet aan de wettelijke vereisten dan wel professionele normen als het aankomt op de uitoefening van de werkzaamheden die onderwerp zijn van de overeenkomst. De verplichting om te voldoen aan “professionele normen” is een vage norm. De verplichting is onvoldoende concreet en kenbaar, waardoor niet-nakoming ervan niet objectief kan worden vastgesteld. Daarbij komt dat DVK weerspreekt dat zij veelvuldig indicaties ter discussie stelt. Zij betoogt dat zij slechts in een aantal gevallen heeft aangekaart dat de in haar ogen onjuiste indicatie leidde tot zorgelijke situaties en dat zij op grond van haar contractuele en professionele verantwoordelijkheden juist verplicht is om dit te doen, zodat dit haar niet kan worden verweten. Mede in het licht hiervan had het op de weg van de Gemeenten gelegen haar standpunt nader te concretiseren, dit toegespitst op de periode januari tot en met medio april 2019, en ook om te onderbouwen waaróm DVK indicaties niet ter discussie zou mogen stellen. Bij antwoord stellen de Gemeenten zich op het standpunt dat DVK hierdoor niet de verhoudingen respecteert zoals die voortvloeien uit de raamovereenkomst. Zonder nadere onderbouwing, die de Gemeenten niet hebben gegeven, ziet de rechtbank echter niet in dat het ter discussie stellen van indicaties impliceert dat “de verhoudingen zoals die voortvloeien uit de raamovereenkomst” niet zouden worden gerespecteerd, nog daargelaten dat de Gemeenten niet concreet maken welke verhoudingen zij daarmee precies bedoelen. Dit had wel op hun weg gelegen. Het enkele feit dat het de taak van de Toegang is om over indicaties te beslissen, betekent niet dat DVK daarover geen vragen zou mogen stellen of hier niet kritisch op zou mogen zijn. De Gemeenten voeren in dit verband ook nog aan dat indicatietrajecten als gevolg van de opstelling van DVK langer duren dan gebruikelijk, in vergelijking met andere jeugdhulpaanbieders. Wat daarvan verder ook zij, ook hier onderbouwen de Gemeenten niet op grond waarvan dit een tekortkoming van DVK in de nakoming van de raamovereenkomst zou opleveren. Gelet op het voorgaande kan hetgeen de Gemeenten hier aan DVK verwijten geen grond zijn voor ontbinding van de overeenkomst.

4.8.

Volgens de ingebrekestelling blijft DVK ook anderszins de confrontatie met de Toegang zoeken door “stappen te zetten”, waardoor de gemeente Zutphen is gedwongen zich telkens tot de rechter te wenden. Deze tekortkoming wordt in de ingebrekestelling echter niet of nauwelijks uitgewerkt. Dat DVK aangeeft dat zij zaken aan een onafhankelijke instantie of derde zal voorleggen, is op zichzelf haar goed recht. De Gemeenten verwijten DVK in dit kader verder dat gesprekken met haar niet tot resultaat leiden, waar dat met andere, vergelijkbare zorgaanbieders wel het geval is. De Gemeenten concretiseren dit echter niet. Daarnaast ontvangen de Gemeenten kennelijk veel e-mails met vragen van DVK, maar de Gemeenten onderbouwen ook hier niet waarom DVK daarmee zou tekortschieten in de nakoming van de raamovereenkomst.

4.9.

Verder schiet DVK volgens de Gemeenten tekort doordat zij medewerkers van de Toegang, ook in e-mailberichten waarbij ouders/vertegenwoordigers in de cc worden meegenomen, in een onjuist daglicht stelt. In de conclusie van antwoord (onder 6.17) verwijzen de Gemeenten naar een e-mail van DVK van 14 februari 2019 aan het CJG, die DVK cc heeft gestuurd aan de moeder van cliënt J.A., en waaruit de Gemeenten citeren: “De extra zorg die nodig is, wordt door jou on hold gezet, waardoor de situatie verergerd. Ook hiervan zijn helaas al meerdere gevallen bekend.” Het gaat hier slechts om één e-mail, waarvan de Gemeenten bovendien onvoldoende onderbouwen waarom deze medewerkers van de Toegang in een onjuist daglicht zou stellen. Voor zover al sprake zou zijn van een tekortkoming van DVK, rechtvaardigt deze naar het oordeel van de rechtbank niet de ontbinding van de raamovereenkomst met haar gevolgen.

4.10.

Ten slotte betogen de Gemeenten in de ingebrekestelling dat het met ingang van 1 januari 2019 zeer moeilijk is om met DVK reguliere account- en periodieke gesprekken in te plannen en te voeren. Volgens de Gemeenten verschijnt DVK niet op gesprek, laat zij een gesprek verzetten naar een latere datum, heeft zij maar beperkt tijd voor het gesprek of zegt zij het gesprek af. Al met al hebben in het eerste kwartaal van 2019 maar drie gesprekken plaatsgevonden, waar er genoeg reden en aanleiding was om vaker met DVK om de tafel te gaan, aldus de Gemeenten. In de dagvaarding heeft DVK hiertegen ingebracht dat het één en ander niet aan haar is te wijten, maar aan de ZorgRegio. DVK wijst erop dat de ZorgRegio heeft laten weten dat het accountgesprek op 15 januari 2019 geen doorgang kon vinden en zou worden verzet, en dat pas vlak voor het gesprek werd aangegeven dat het toch doorgang zou vinden. Op dat moment kon DVK daarvoor haar agenda niet meer vrijmaken. Het gesprek heeft uiteindelijk wel plaatsgevonden, aldus DVK, maar – zo begrijpt de rechtbank uit het gespreksverslag van 15 januari 2019 (productie 35 bij dagvaarding) – buiten aanwezigheid van DVK. Daarnaast heeft DVK aangevoerd dat de ZorgRegio de accountgesprekken wilde voeren in aanwezigheid van de gecertificeerde instellingen, terwijl DVK daarop tegen was omdat dit de instellingen waren die eerder onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en uitlatingen hebben moeten rectificeren. Ten slotte heeft DVK gewezen op artikel 7 van de raamovereenkomst, waarin staat dat het de opdrachtnemer vrij staat uitnodigingen voor regionale overlegvormen te aanvaarden of af te wijzen. In het licht van wat DVK heeft aangevoerd, hebben de Gemeenten naar het oordeel van de rechtbank hun verwijt met betrekking tot de account- en periodieke gesprekken onvoldoende onderbouwd en hun standpunt hieromtrent onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. De handelwijze van DVK op dit punt kan niet worden aangemerkt als een tekortkoming in de nakoming van de raamovereenkomst en levert dus ook geen grond voor ontbinding van die overeenkomst op.

4.11.

De slotsom ten aanzien van de eerste (vermeende) tekortkoming is dat DVK niet is tekortgeschoten in de nakoming van de raamovereenkomst en dat hetgeen de Gemeenten in dit kader aan DVK verwijten dus geen grond oplevert voor ontbinding van de raamovereenkomst.

Tekortkoming 2: starten met zorg voordat een zorgtoewijzing is afgegeven

4.12.

De tweede tekortkoming houdt volgens de Gemeenten in dat DVK in sommige gevallen met de zorg start voordat zij over een door de gemeente afgegeven zorgtoewijzing beschikt. DVK heeft volgens de Gemeenten in één of meerdere gesprekken met ouders gezegd dat zij de strijd met de gemeente wel aangaat over de wijze van indiceren en dat de zorg alvast kan worden gestart zonder indicatie. Ook stelt DVK ouders in de gelegenheid zich aan te melden voor bijvoorbeeld vakantieopvang, waarna DVK zich – al dan niet via de ouder – tot de gemeente wendt om hiervoor alsnog een (extra) indicatie of zorgtoewijzing te krijgen, omdat dit volgens de opvatting van DVK niet past in de uren zoals deze in de eerder afgegeven indicatie of zorgtoewijzing zijn vermeld, aldus de Gemeenten. Het optreden van DVK is volgens de Gemeenten in strijd met artikel 5.10 van de raamovereenkomst en strijdig met de professionele normen als bedoeld in artikel 3.2 lid 4 AVSD.

4.13.

DVK weerspreekt dat zij over (het eerste kwartaal van) 2019 met zorg is gestart zonder indicatie, met uitzondering van één vervoersvoorziening. Of dit nu juist is of niet, doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet ter zake. Uit de raamovereenkomst blijkt immers niet dat pas mag worden gestart met de zorg na ontvangst van een indicatie. Het starten met zorg voordat een indicatie is afgegeven heeft hooguit tot gevolg dat de verleende zorg niet voor vergoeding in aanmerking komt. Als DVK dat risico wil nemen, staat dat haar vrij. Het levert in elk geval geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op, dus ook geen grond voor ontbinding.

Tekortkoming 3: overige tekortkomingen

4.14.

Ten derde is volgens de Gemeenten sprake van een aantal overige tekortkomingen van DVK, die de rechtbank hierna achtereenvolgens zal bespreken.

4.15.

De Gemeenten betogen dat DVK tekortschiet in haar verplichtingen, doordat zij niet werkt met regieberichten in het iJW/iWMO berichtenverkeer. Bij antwoord voegen de Gemeenten hieraan toe dat het werken met deze regieberichten staat beschreven in het Regionaal Administratieprotocol (Annex 4 bij de Raamovereenkomst) en dat DVK hierover dus was geïnformeerd. DVK betoogt bij dagvaarding dat de ZorgRegio haar nooit heeft geïnformeerd over dit systeem. Zij voert aan dat zij altijd heeft gewerkt met haar huidige administratieve systeem en dat dit voor de ZorgRegio, tot aan de ingebrekestelling, ook nooit een probleem is geweest. De Gemeenten hebben dit laatste niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat het niet werken met regieberichten in het iJW/iWMO berichtenverkeer niet kan worden aangemerkt als tekortkoming in de nakoming van de raamovereenkomst, althans niet als een tekortkoming die de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt.

4.16.

Verder voeren de Gemeenten aan dat DVK geen open en constructieve houding aanneemt. Bij antwoord voeren de Gemeenten (onder 6.2) aan dat dit al volgt uit de door DVK overgelegde producties en de bij antwoord door henzelf overgelegde producties. Daarbij verwijzen de Gemeenten naar productie 17 van DVK (verslag accountgesprek 2 april 2019) en hun eigen productie 4 (e-mailcorrespondentie). De Gemeenten vermelden daarbij echter niet op welke passages in deze stukken zij concreet doelen. Onder 4.8 in de conclusie van antwoord – dus in een ander kader dan in het kader van de “overige tekortkomingen” – verwijzen de Gemeenten wél naar diverse passages in het verslag van het accountgesprek. Voor zover dit ook moet worden aangemerkt als concretisering van wat de Gemeenten onder 6.2 van de conclusie van antwoord aanvoeren, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om daaruit in zijn algemeenheid de conclusie te trekken dat DVK geen open en constructieve houding aanneemt. Verder verwijzen de Gemeenten bij antwoord onder 4.24 ook nog naar de bovengenoemde e-mailcorrespondentie (productie 4). Volgens de Gemeenten volgt uit die correspondentie dat DVK zaken op de spits drijft, indicaties niet accepteert, medewerkers van de Toegang in een onjuist daglicht stelt, slecht accountgesprekken kan voeren, uitnodigingen en verzoeken om informatie negeert en weigert met andere betrokkenen bij de zorgverlening om de tafel te gaan zitten. De Gemeenten verwijzen echter niet naar specifieke passages uit deze correspondentie waaruit dit zou blijken, hoewel dit op hun weg had gelegen. Daarmee hebben de Gemeenten hun standpunt onvoldoende onderbouwd. Voor zover de Gemeenten in dit verband mede het oog hebben op hetgeen zij in het kader van de eerste tekortkoming hebben aangevoerd, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover in het voorgaande heeft overwogen (4.6-4.11). Gezien het voorgaande komt dan ook niet vast te staan dat op dit onderdeel sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de raamovereenkomst.

4.17.

Voorts vermeldt de ingebrekestelling dat DVK de website van de ZorgRegio niet leest en daar niet naar handelt. In de dagvaarding weerspreekt DVK dat zij dit niet doet. Verder voert zij aan dat de Gemeenten dit verwijt niet onderbouwen en dat het ook geen verplichting is op grond van de raamovereenkomst. In reactie hierop voeren de Gemeenten bij antwoord aan dat het feit dat DVK niet de website van de ZorgRegio leest en daarnaar handelt, al volgt uit het feit dat DVK bleef werken met haar eigen administratieve systeem en niet met de regieberichten in het iJW/iWMO berichtenverkeer en dat zij niet was ingeschreven op de nieuwsbrief van de ZorgRegio. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank echter niet in dat uit het enkele feit dat DVK met haar eigen administratiesysteem is blijven werken de conclusie moet worden getrokken dat zij de website van de ZorgRegio niet leest. Nog afgezien daarvan is het lezen van de website geen verplichting op grond van de raamovereenkomst, en ook als het dat wel zou zijn, is het niet nakomen van die verplichting niet een zodanige tekortkoming dat die de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt.

4.18.

Verder betogen de Gemeenten dat DVK niet werkt volgens de professionele normen. Zij lichten dit in dit onderdeel van de ingebrekestelling echter niet verder toe. Mogelijk doelen de Gemeenten op hetgeen zij in het kader van de eerste tekortkoming naar voren hebben gebracht over “voldoen aan professionele normen”. Onder verwijzing naar hetgeen zij in het voorgaande (4.7) heeft overwogen, herhaalt de rechtbank echter dat de verplichting om te voldoen aan “professionele normen” een vage norm is, die onvoldoende concreet en kenbaar is, waardoor niet-nakoming ervan niet objectief kan worden vastgesteld. Gelet hierop en aangezien de Gemeenten hun standpunt op dit punt in de ingebrekestelling niet nader hebben toegelicht of onderbouwd, levert dit geen tekortkoming in de nakoming van de raamovereenkomst op.

4.19.

Daarnaast vermeldt de ingebrekestelling dat DVK niet tijdig (benodigde) gegevens aanlevert. Volgens de Gemeenten is dit een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, omdat artikel 3.10 van de AVSD bepaalt dat DVK haar volle medewerking moet verlenen aan kwaliteitscontroles. Artikel 8 lid 2 van de raamovereenkomst bepaalt daarnaast dat opdrachtnemer verplicht is mee te werken aan monitoring en onderzoeken volgens door opdrachtgever vastgestelde methodieken, waaronder het periodiek aanleveren van informatie over in-, door- en uitstroom en beschikbare capaciteit per locatie van de opdrachtnemer. In dit verband wordt onder “tijdig” verstaan: binnen tien werkdagen (artikel 4 lid 3 van de raamovereenkomst). In de ingebrekestelling is DVK in dit verband gevraagd om van alle bij en voor haar werkzame personen alle diploma’s over te leggen, waaruit hun algemene en specifieke deskundigheid, kwalificaties en bevoegdheden blijken. Ter zitting heeft DVK echter aangevoerd dat de Gemeenten over alle diploma’s beschikken. De Gemeenten hebben dit vervolgens niet weersproken. Hierin kan dus geen grond zijn gelegen voor ontbinding van de raamovereenkomst.

4.20.

Ter zitting hebben de Gemeenten dit onderwerp vervolgens nader toegespitst op de discussie over een gedragswetenschapper. De Gemeenten hebben aangevoerd dat een gedragswetenschapper bij DVK was vertrokken en dat zij stukken wilden zien waaruit bleek hoe de “gedragswetenschapskant” bij DVK nadien was geborgd. In de ingebrekestelling is dit echter niet opgenomen als een eis waaraan DVK moest voldoen. Als het de Gemeenten daar om te doen was, dan had zij DVK in de ingebrekestelling moeten verzoeken of sommeren aan te tonen dat zij een gedragswetenschapper in dienst had. Dat hebben de Gemeenten echter nagelaten. Voor zover hier al sprake zou zijn van een tekortkoming van DVK, geldt dat deze van te geringe betekenis is om de ontbinding van de raamovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen.

4.21.

De volgende vermeende tekortkoming houdt in dat DVK geen relevante informatie deelt over zorg of cliënten. Ter zitting hebben de Gemeenten deze informatieverplichting geplaatst in het kader van artikel 4 lid 3 van de raamovereenkomst. Op grond van die bepaling legt de opdrachtnemer (hier: DVK) op eerste verzoek van opdrachtgever binnen tien werkdagen de gevraagde documentatie en verklaringen over. Ook hebben de Gemeenten ter zitting gewezen op artikel 8 lid 2 van de raamovereenkomst, dat een verplichting inhoudt tot medewerking aan monitoring en onderzoeken en het periodiek aanleveren van informatie. Ten slotte hebben zij gewezen op artikel 2 lid 3 (over kwaliteitseisen) en artikel 3 lid 10 (over toetsing van kwaliteit) van de AVSD.

De Gemeenten maken echter noch in de ingebrekestelling, noch bij antwoord of ter zitting concreet om welke “relevante informatie” het nu precies gaat. Daarmee is dit verwijt aan DVK onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Het levert dus geen tekortkoming in de nakoming van de raamovereenkomst op.

4.22.

Verder schiet DVK volgens de Gemeenten tekort doordat zij het niet meldt als er “iets” van invloed is op de levering van zorg. Dit verwijt wordt echter op geen enkele wijze geconcretiseerd en onderbouwd, zodat de rechtbank eraan voorbijgaat.

4.23.

De Gemeenten verwijten DVK voorts dat zij in één geval is overgegaan tot het vervoeren van een jeugdige zonder de medewerkers van de Toegang hierin vanaf het begin te betrekken. De urgentie van het vervangende vervoer was aanwezig en is ook onderkend, aldus de Gemeenten. Dit geeft DVK volgens de Gemeenten echter niet het recht om daarvoor vervolgens ook een vergoeding te verlangen op basis van de zorgcode “behandeling basis”. Het is immers de Toegang die hierover beslist en DVK had haar actie van tevoren moeten afstemmen met de medewerkers van de Toegang, aldus de Gemeenten in de ingebrekestelling. Naar de rechtbank begrijpt, schuilt de tekortkoming er volgens de Gemeenten in dat DVK een vergoeding heeft gevraagd voor het vervoer van een jeugdige zonder dat zij daarover vooraf overleg heeft gepleegd met de Toegang. Nu de Gemeenten zich echter op het standpunt stellen dat de urgentie van het vervoer aanwezig was en ook is onderkend, levert het vragen van een vergoeding voor dat vervoer geen tekortkoming op in de nakoming van de raamovereenkomst, althans niet een tekortkoming die de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt.

4.24.

Ten slotte voeren de Gemeenten in de ingebrekestelling nog aan dat DVK op haar eigen website de term “jeugd-ggz” gebruikt en zich op de eigen website ook als “jeugd-ggz-organisatie” presenteert, terwijl zij op dit moment niet is gekwalificeerd – en ook niet is gecontracteerd – om geestelijke gezondheidszorg te bieden. Dat DVK zich op haar website als ggz-instelling presenteert terwijl zij dat niet is, komt neer op het verstrekken van onjuiste informatie. Aangezien DVK echter niet was gecontracteerd voor ggz-zorg, is de onjuiste vermelding op haar website geen tekortkoming jegens de Gemeenten en dus ook geen grond voor ontbinding.

Slotoverwegingen ten aanzien van vordering I

4.25.

Het is de rechtbank uit de overgelegde correspondentie, de mondelinge behandeling en het feit dat partijen al eerder, en meerdere keren, tegen elkaar hebben geprocedeerd duidelijk geworden dat sprake is van een moeizame werkrelatie tussen partijen. Dat is op zichzelf echter geen grond voor ontbinding van de raamovereenkomst. Wil een overeenkomst kunnen worden ontbonden, dan moet in de eerste plaats duidelijk zijn aan welke concrete verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst moet worden voldaan. Daaraan schort het in deze zaak. Zo moet de opdrachtnemer volgens de overeenkomst bijvoorbeeld voldoen aan “professionele normen”. In het voorgaande (4.7) heeft de rechtbank daarover overwogen dat dit een vage norm is, waardoor pas aan de hand van een concrete invulling van die norm en de wijze waarop DVK daaraan invulling heeft gegeven kan worden vastgesteld of sprake is van niet-nakoming. Dat is in deze procedure onvoldoende uit de verf gekomen. Verder is voor ontbinding een ingebrekestelling vereist waaruit duidelijk blijkt wat de opdrachtnemer moet doen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. De Gemeenten hebben conform artikel 3.1 lid 2 AVSD een ingebrekestelling aan DVK gestuurd en daarin om een plan van aanpak gevraagd. DVK heeft vervolgens weliswaar nagelaten een plan van aanpak op te stellen en aan de Gemeenten te sturen, maar zij heeft gemotiveerd uiteengezet dat zij dit wel wilde, maar niet kon doen, omdat de ingebrekestelling onvoldoende concreet was om daaruit te kunnen opmaken wat precies van haar werd verwacht. Zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank in het kader van vordering I heeft overwogen, is de ingebrekestelling inderdaad op diverse punten onvoldoende duidelijk en concreet. Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank hier op hetgeen zij heeft overwogen over de discussie over de gedragswetenschapper (4.20). Gelet hierop kan aan DVK dus niet worden tegengeworpen dat zij geen plan van aanpak heeft ingediend. Voor zover de Gemeenten zich beroepen op artikel 3.2 lid 6 AVSD – op grond waarvan de overeenkomst kan worden beëindigd of de dienstverlening voor één of meerdere cliënten kan worden beëindigd in geval van onoverbrugbare verschillen tussen opdrachtgever en opdrachtnemer die de dienstverlening en integratie van het Sociaal Domein in gevaar brengen – geldt dat de Gemeenten onvoldoende hebben onderbouwd dat van dergelijke onoverbrugbare verschillen sprake is.

4.26.

De slotsom ten aanzien van hetgeen de rechtbank hierboven in het kader van vordering I heeft overwogen, is dat de tekortkomingen die de Gemeenten aan DVK in de ingebrekestelling verwijten niet kwalificeren als tekortkomingen in de nakoming van de raamovereenkomst, althans niet als tekortkomingen die de ontbinding van de raamovereenkomst met haar gevolgen rechtvaardigen. Voor ontbinding van de raamovereenkomst bestond dus geen grond. De rechtbank zal de vordering onder I dan ook toewijzen in die zin, dat zij voor recht zal verklaren dat de Gemeenten de raamovereenkomst met DVK onrechtmatig hebben ontbonden. Daarnaast zal de rechtbank voor recht verklaren dat de Gemeenten aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door DVK c.s. te lijden schade.

4.27.

DVK vordert onder I ook de veroordeling van de Gemeenten tot vergoeding van haar schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2019. Volgens DVK bestaat haar schade uit meerjarige omzetderving, hoge afvloeiingskosten personeel, overige liquidatiekosten en kosten voor rechtsbijstand.

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden, aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DVK voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de ontbinding van de raamovereenkomst schade lijdt of zal lijden. Per 1 juli 2019 is immers de zorgverlening aan alle cliënten van DVK beëindigd en heeft DVK de exploitatie van haar onderneming feitelijk beëindigd. Het ligt voor de hand dat zij daardoor omzet misloopt, personeel heeft moeten ontslaan en andere kosten heeft moeten maken. De omvang van de schade laat zich nu niet vaststellen. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure is dan ook toewijsbaar. In de schadestaatprocedure zal moeten worden beslist over de toewijsbaarheid van de gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding.

Vordering II: (on)rechtmatigheid brieven 20 mei 2019 en uitlatingen over pgb

4.28.

DVK vordert een verklaring voor recht dat de brieven die op 20 mei 2019 zijn verzonden door de gemeenten Zutphen, Voorst, Lochem, Brummen en Apeldoorn (productie 23 bij dagvaarding) onrechtmatig zijn jegens haar, evenals de uitlatingen door deze gemeenten dat de cliënten van DVK niet in aanmerking kwamen voor een persoonsgebonden budget, en dat de betreffende gemeenten aansprakelijk zijn voor de schade die DVK als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat.

4.29.

DVK wijst erop dat in de betreffende brieven is geschreven:

“(…) De zorg wordt stopgezet, maar onze verantwoordelijkheid voor uw kind blijft uiteraard bestaan. Het contract met De Verborgen Kracht stopt met ingang van 1 juli 2019. Dit betekent dat wij met u gaan zoeken naar een goed alternatief. Afhankelijk van uw situatie start de zorg bij een andere aanbieder uiterlijk op 1 juli 2019 of eerder als u dat wenselijk vindt en dat ook mogelijk is. (…)”

4.30.

DVK betoogt in de eerste plaats dat de Gemeenten ten onrechte in de brieven hebben vermeld dat de zorg bij DVK per 1 juli 2019 moest stoppen en ook niet kon worden voortgezet op grond van een pgb. De Gemeenten voeren echter terecht aan dat in de brieven met geen woord wordt gerept over het pgb. DVK verwijt de Gemeenten dus iets te hebben geschreven wat zij niet hebben geschreven. Op dit punt kan geen sprake zijn van onrechtmatigheid van de brieven.

4.31.

Ter zitting heeft DVK onderkend dat in de brieven niets staat over het pgb. Zij heeft echter aangevoerd dat wel tegen ouders is gezégd dat de zorg niet op grond van een pgb kon worden voortgezet bij DVK. Daaraan heeft DVK nog toegevoegd dat ten onrechte niet in de brieven staat dat de zorg bij DVK wél kon worden voortgezet op grond van een pgb. Doordat deze informatie niet in de brief is vermeld, is de brief onvolledig, en daarmee onrechtmatig, aldus DVK. DVK heeft vervolgens echter niet haar eis op dit punt vermeerderd of gewijzigd, zodat de rechtbank hierop niet hoeft te beslissen.

4.32.

DVK heeft ter zitting ook aangevoerd dat de Gemeenten op grond van de Jeugdwet verplicht zijn om ouders te wijzen op de vrijheid die zij hebben in hun keuze voor een zorgaanbieder. Volgens DVK hebben de Gemeenten niet aan die informatieplicht voldaan en hebben zij inbreuk gemaakt op de keuzevrijheid van de ouders, doordat zij in de brieven aan de ouders hebben geschreven dat de zorg bij DVK als gevolg van de ontbinding van de raamovereenkomst zou stoppen. Aangezien de brief echter is geschreven aan ouders van kinderen die bij DVK zorg in natura kregen, is de mededeling dat de zorg bij DVK als gevolg van de ontbinding van de raamovereenkomst zou worden beëindigd, op zichzelf juist en dus niet onrechtmatig. De brief vermeldt ook dat op zoek zal worden gegaan naar een andere zorgaanbieder. De keuzevrijheid waarop DVK doelt, is daarbij hooguit met één aanbieder – namelijk DVK – verminderd. Ook in dat opzicht is de mededeling in de brief op zichzelf nog niet onrechtmatig.

4.33.

Dan betoogt DVK nog dat de mededeling in de brieven dat de zorg bij DVK wordt beëindigd en uitsluitend kan worden voortgezet bij een andere zorgaanbieder, in de praktijk in veel gevallen geen mogelijkheid is gebleken en dus onjuist is en daarmee onrechtmatig jegens DVK. DVK heeft deze stellingname echter niet met feiten onderbouwd. Bovendien heeft zij niet weersproken dat de Gemeenten alles in het werk hebben gesteld voor een zorgvuldige overdracht van alle cliënten van DVK naar andere zorgaanbieders.

4.34.

De slotsom is dat van enige onrechtmatigheid in de brieven van 20 mei 2019 geen sprake is, zodat de vordering onder II moet worden afgewezen.

Vordering III: (on)rechtmatigheid uitlatingen gemeente Zutphen in de media/richting derden

4.35.

DVK vordert onder III een verklaring voor recht dat de uitlatingen die de gemeente Zutphen in de media en/of richting andere zorgaanbieders en/of andere gemeenten heeft gedaan, en waarin door de gemeente Zutphen werd gesteld dat de zorgverlening van DVK van onvoldoende kwaliteit is, onrechtmatig zijn jegens DVK en dat de gemeente Zutphen aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die DVK als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat.

4.36.

Daarbij is het DVK in de eerste plaats te doen om een artikel in De Stentor van 29 mei 2019 (productie 77 bij dagvaarding), waarin wordt bericht over de ontbinding van de raamovereenkomst. In het artikel komt een wethouder van de gemeente Zutphen aan het woord over de beëindiging van de samenwerking met DVK. Zij motiveert het besluit om niet langer met DVK samen te werken onder meer als volgt: “Er is (…) onvoldoende zicht op de kwaliteit van de jeugdzorg die geleverd wordt (…). We hebben in gesprek willen gaan met De Verborgen Kracht, maar we weten nog steeds niet hoe het gaat. Dat maakt dat we onvoldoende onze vinger kunnen leggen op de kwaliteit van zorg die geleverd wordt en daar zijn we als gemeente wel verantwoordelijk voor.” Volgens DVK is de uitlating van de wethouder, dat onvoldoende zicht bestaat op de kwaliteit van de zorg die door DVK wordt geleverd, een voor DVK schadelijke conclusie en diffamerende beschuldiging. DVK meent dat de wethouder hiermee doelbewust en opzettelijk de reputatie en goede naam van DVK duurzaam en onherstelbaar heeft beschadigd, niet alleen in de regio, maar ook landelijk. De rechtbank volgt DVK hierin niet. De wethouder heeft enkel gezegd dat onvoldoende zicht bestaat op de kwaliteit van de jeugdzorg door DVK. Dat is nog geen waardeoordeel over de kwaliteit van die zorg, laat staan dat sprake is van een mededeling met de strekking dat de zorgverlening door DVK onder de maat zou zijn. De uitlatingen van de wethouder zijn dan ook niet onrechtmatig te noemen.

4.37.

In de tweede plaats wijst DVK op andere, volgens DVK negatief getoonzette, communicatie door de gemeente Zutphen over DVK jegens andere zorgaanbieders. DVK doelt daarbij concreet op de stukken die zij heeft overgelegd als productie 79.

4.38.

Het eerste stuk is een brief van Jeugdbescherming Gelderland aan DVK van 17 mei 2018. In die brief staat vermeld: “(…) Vanuit het CJG is aan Jeugdbescherming nadrukkelijk het advies gegeven zorgvuldig te zijn in de afgifte van een bepaling jeugdhulp in verband met negatieve ervaringen met u als aanbieder (…)”. Volgens DVK blijkt uit deze passage dat negatieve uitlatingen over haar zijn gedaan aan het CJG Zutphen en van daaruit aan Jeugdbescherming. DVK heeft echter nagelaten, hoewel dit op haar weg had gelegen, concreet te onderbouwen hoe en op grond waarvan deze uitlatingen van het CJG zijn toe te rekenen aan de gemeente Zutphen. De passage in de brief levert dan ook geen onrechtmatige uitlating door de gemeente Zutphen op en kan ook niet dienen als onderbouwing van de stelling dat daarvan sprake is geweest.

4.39.

Het andere stuk in productie 79 is een e-mail van een beleidsadviseur Jeugd van de gemeente Voorst aan een geanonimiseerde geadresseerde bij Jeugdbescherming Gelderland, van 20 mei 2019. In die e-mail staat echter alleen dat is besloten het contract met DVK te ontbinden, dat dit betekent dat DVK geen zorg meer kan aanbieden, dat aanvullende informatie over dit besluit is te vinden in de bijlage bij de e-mail en ten slotte de naam van een contactpersoon. Dit is allemaal puur feitelijke informatie, waarin de rechtbank niets onrechtmatigs kan bespeuren en al helemaal geen onrechtmatige uitlating van de gemeente Zutphen.

4.40.

In de dagvaarding (onder 6.4) voert DVK ook nog aan dat de gemeente Zutphen andere gemeenten, waaronder de gemeente Deventer, op de hoogte heeft gebracht van “de door haar gestelde ‘slechte kwaliteit’ bij De Verborgen Kracht.” DVK heeft echter op geen enkele wijze met feiten en/of stukken onderbouwd dat en hoe de gemeente Zutphen dit zou hebben gedaan, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

4.41.

Gezien het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen door de gemeente Zutphen in de media en/of richting derden. Voor toewijzing van de vordering onder III bestaat dan ook geen grond.

Slotoverwegingen

4.42.

De rechtbank zal de vordering onder I toewijzen als vermeld onder de beslissing. De vorderingen onder II en III zullen worden afgewezen. De toewijzing van de vordering onder I brengt mee dat DVK is te beschouwen als de overwegend in het gelijk gestelde partij. De Gemeenten moeten daarom als de overwegend in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van DVK dragen. De rechtbank begroot die kosten op:

- dagvaarding € 127,53

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 4.180,53

4.43.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als vermeld onder de beslissing. Hetzelfde geldt voor de gevorderde nakosten.

4.44.

DVK vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten, maar zij heeft die vordering op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Gemeenten de raamovereenkomst met DVK onrechtmatig hebben ontbonden en dat de Gemeenten aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door DVK te lijden schade,

5.2.

veroordeelt de Gemeenten tot vergoeding van de onder 5.1 bedoelde schade van DVK, nader op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt de Gemeenten in de proceskosten, aan de zijde van DVK tot op heden begroot op € 4.180,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt de Gemeenten in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Gemeenten niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart de onderdelen 5.2, 5.3 en 5.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2020.

JE/PB/Vr/GM