Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:548

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-01-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3771
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatwerkvoorschrift lozing koelwater. Verweerder heeft terecht geen norm voor benzeen opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3771

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2020

in de zaak tussen

Stichting Veiliger Zaltbommel, te Zaltbommel, eiseres,

en

het college van dijkgraaf en heemraden van waterschap Rivierenland, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Sachem Europe B.V., te Zaltbommel,

(gemachtigde: mr. H.M.F.F. Verbeet).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2016 heeft verweerder aan Sachem maatwerkvoorschriften opgelegd met betrekking tot het lozen van koelwater.

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft de maatwerkvoorschriften gewijzigd en de motivering van het besluit aangevuld.

Eiseres heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Sachem heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Namens eiseres zijn [Naam A] , [Naam B] en [Naam C] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P.J. Steenland-Mulder en ing. F.A. Remmerswaal. Namens Sachem zijn verschenen R. Rosman en J. Knaapen, bijgestaan door gemachtigde mr. H.M.F.F. Verbeet.

Overwegingen

1. Op 12 september 2002 heeft het waterschap aan Sachem een vergunning verleend voor de lozing van koelwater op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

In het besluit van 17 november 2016 heeft het waterschap voorschriften 2, lid 4, voorschrift 3, lid 3, 4 en 5 en voorschrift 4, lid 1 en 2 uit deze vergunning vastgesteld als maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.6, vierde lid, van het Activiteitenbesluit.

In de beslissing op bezwaar van 30 mei 2017 heeft verweerder een calamiteitenvoorschrift (voorschrift 4) toegevoegd.

2. De maatwerkvoorschriften luiden als volgt:

Voorschrift 1

1. De navolgende (afval)waterstromen moeten rechtstreeks op oppervlaktewater worden geloosd:

a. niet verontreinigd hemelwater afkomstig van daken van gebouwen,

b. koelwater afkomstig doorstroomkoelsystemen.

Voorschrift 2

1. Het in lid 1 van voorschrift 1 genoemde hemelwater en koelwater moet ter plaatse van het lozingspunt voor elk willekeurig genomen monster aan de volgende eisen voldoen:

1. de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, moet een waarde hebben tussen 6.5 en 9;

2. het gehalte aan vrije zuurstof mag niet minder bedragen dan 5 mg/l;

3. de temperatuur mag niet hoger zijn dan 25 oC;

4. het gehalte aan ijzer mag niet meer bedragen dan 3 mg/l;

5. het gehalte aan chloride mag niet meer bedragen dan 200 mg/l.

2. Ter plaatse van het lozingspunt moet een monitoring plaats vinden. De monitoring moet van dien aard zijn dat op elk moment een organische verontreiniging van het geloosde hemelwater en koelwater wordt gesignaleerd en gealarmeerd.

3. Het in lid 1 en 2 genoemde lozingspunt heeft betrekking op een bemonsteringspunt waarbij alle, de in lid 1 van voorschrift 1 genoemde waterstromen gezamenlijk worden geloosd.

(…).”

Benzeen en monitoring

3.1.

Eiseres betoogt dat in de maatwerkvoorschriften ook een norm voor benzeen op had moeten worden genomen, evenals een monitoringsvoorschrift.

3.2.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat op de lozing op het oppervlaktewater twee delen van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn, namelijk artikel 3.1 voor de lozing in het kader van de bodemsanering en artikel 3.6 voor de lozing van koelwater.

De voorliggende maatwerkvoorschriften hebben betrekking op de lozing van koelwater, en zijn gebaseerd op artikel 3.6, vierde lid, van het Activiteitenbesluit.

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen maatwerk-voorschriften opgenomen voor de lozing van benzeen. Dit is niet noodzakelijk omdat artikel 6.2 van de Waterwet deze lozing reeds verbiedt.

Op de lozing in het kader van de bodemsanering is artikel 3.1 van het Activiteitenbesluit van toepassing. In artikel 3.1, derde lid, is voor benzeen een norm van 2 microgram per liter opgenomen. Ook op dit punt is een aanvullend voorschrift dus niet nodig.

De beroepsgrond slaagt niet.

4. In maatwerkvoorschrift 2.2 is monitoring ter plaatse van het lozingspunt voorgeschreven. Het betoog van eiseres dat een monitoringsvoorschrift ontbreekt is daarom onjuist.

Eiseres heeft ook niet nader onderbouwd waarom dit monitoringsvoorschrift onvolledig of onjuist zou zijn. Ter zitting hebben verweerder en Sachem in dat verband toegelicht dat monitoring van de lozing ’grofmazig’ plaatsvindt, omdat meting van lage concentraties niet altijd mogelijk is, en dat in verband met de waterwetvergunning elk half jaar monsters worden genomen voor analyse in het laboratorium. In het laboratorium kunnen de concentraties van benzeen exact worden gemeten.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S.T. Belt, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. M.J.M. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 31 januari 2020

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.