Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5426

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-10-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8629519
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatstaf toetsen i-grond; niet een cumulatie van gronden is bepalend, maar een cumulatie van omstandigheden genoemd in twee of meer gronden. Geen mathematische benadering beoogd. Ontbinding afgewezen.

Ontslag op staande voet na niet nakomen re-integratieverplichting vernietigd. Eerst loonsanctie vereist.

Artikelen:

7:681, 7:671b en 7:669 lid 3 aanhef en onder i BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1226
JAR 2020/259
XpertHR.nl 2020-20004909
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8629519 \ HA VERZ 20-117 \ 498

uitspraak van 13 oktober 2020

beschikking

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij, tevens verwerende partij

gemachtigde mr. A. Hofman

en

de besloten vennootschap [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

gevestigd te [vestigingsplaats]

verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij

gemachtigde mr. A. Heijink

Partijen worden hierna [werknemer] en [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift aan de zijde van [werknemer] , ontvangen op 3 juli 2020;

- het verweerschrift, tevens houdende een tegenverzoek aan de zijde van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , ontvangen op 14 augustus 2020;

- het verweerschrift op het zelfstandig tegenverzoek, aan de zijde van [werknemer] , ontvangen op 31 augustus 2020;

- de bij brief van 28 augustus 2020 aan de zijde van [werknemer] ingediende productie 15;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 1 september 2020, waar [werknemer] is verschenen, bijgestaan door mr. A. Hofman en [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] is verschenen, vertegenwoordigd door de heer [persoon A] , directeur, bijgestaan door mr. A. Heijink. Mr. Heijink heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen welke zijn overgelegd.

1.2.

Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben op 8 en 9 september 2020 laten weten geen regeling te hebben getroffen en verzocht alsnog een beschikking te geven.

1.3.

Bij brief van 8 september 2020 heeft mr. Heijink namens [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] ook nog inhoudelijk gereageerd en stukken (salarisspecificaties) overgelegd. Mr. Hofman heeft daartegen bezwaar gemaakt en verzocht deze buiten beschouwing te laten. Nu de mondelinge behandeling op 1 september 2020 was beëindigd, zal op genoemde stukken geen acht worden geslagen.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is, nadat hij eerder van (ca.) [datum 1] tot en met [datum 2] bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] in dienst is geweest, op [datum 3] (opnieuw) voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] in de functie van [functie] . Het laatstelijk overeengekomen salaris bedroeg € 3.900,- bruto per maand, exclusief emolumenten, waaronder vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, netto onkostenvergoeding van € 75,- per maand en het gebruik van een auto van de zaak.

2.2.

[werknemer] is in de periode van [periode ziekteverzuim] ziek geweest. Op 8 oktober 2019 heeft de heer [persoon A] (directeur van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , verder: [persoon A] ), in aanwezigheid van mevrouw [persoon B] (HR adviseur) een gesprek met [werknemer] gevoerd. [werknemer] heeft zich op [datum 4] ziek gemeld per WhatsApp. [werknemer] schreef: ‘Vandaag en de komende periode kan ik niet werkzaam zijn bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] . De emmer loopt over en krijg steeds meer klachten. Ga naar de dokter en bespreken hoe verder.’ In een WhatsApp bericht van diezelfde dag refereert [persoon A] aan het feedbackgesprek dat de dag ervoor plaats heeft gevonden en schreef hij onder meer: ‘Pak je rust vandaag, laten we morgen even bij elkaar komen om het verdere te bespreken’.

2.3.

In de probleemanalyse van 29 oktober 2019 schrijft de bedrijfsarts onder meer:

"Knelpunt huidige functie meneer heeft op dit moment niet de energie op het overzicht in het werk te houden.

Arbeidsmogelijkheden er zijn benutbare mogelijkheden, maar betrokken is tijdelijk niet belastbaar voor arbeid. Alle tijd en ruimte is nodig voor herstelactiviteiten.

(....)

Advies stappenplan re-integratie activiteiten mijn advies is om belangstellend contact te houden. Overleg regelmatig of er nieuwe mogelijkheden zijn ontstaan en pas het plan van aanpak daarop aan. Ik schakel een behandelaar in. De verzuimconsultant neemt de begeleiding over.

(...)."

2.4.

In het verslag van 13 februari 2020 schreef de bedrijfsarts:

"Stand van zaken meneer was vandaag op mijn spreekuur. De beperkingen zijn bekend, deze zijn onveranderd aanwezig. Er is behandeling en onderzoek gaande. Meneer werkt op dit moment niet.

Re-integratie voorstel betrokkene is tijdelijk niet belastbaar voor arbeid. Alle tijd en ruimte is nodig voor herstel activiteiten.

(....)"

2.5.

In het spreekuurverslag van 21 april 2020 schreef de bedrijfsarts:

"Ik sprak meneer vandaag op mijn telefonisch spreekuur. Ik constateer op dit moment een beperking in energie. Meneer is momenteel beperkt voor veelvuldige deadlines, productiepieken en veelvuldige werkonderbrekingen. Meneer kan op dit moment maximaal 10 minuten achter elkaar een voertuig besturen. Meneer vertelt mij dat hij sinds 2 weken ongeveer 2 twee uur per week in aangepaste taken werkt.

(....)

Mijn advies is om deze opbouw in werk iets verder te structureren. Om samen eerst aangepaste taken af te spreken die rekening houden met de bovenstaande beperkingen. Mijns inziens is meneer op dit moment belastbaar voor 3 keer 1 uur per week. Mijn advies is om binnenkort met 3 keer 1 uur per week te beginnen, vanuit huis, in eigen tempo. (....)"

De bedrijfsarts verwacht, zo staat in het verslag, dat [werknemer] in (de loop van) september 2020 volledig inzetbaar zal zijn.

2.6.

In april 2020 heeft [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] aan [werknemer] voorgesteld om in het kader van re-integratie andere werkzaamheden te verrichten, te weten commerciële werkzaamheden ten behoeve van een door meerdere vennootschappen ontwikkeld duurzaamheidsproject. [werknemer] zou in die functie zelfstandiger kunnen werken. [werknemer] heeft deze aangeboden werkzaamheden niet geaccepteerd. [persoon A] heeft daarop aan [werknemer] op 30 april 2020 een e-mail gestuurd met, samengevat, de conclusie dat er na 29 weken ziekte nog geen re-integratieplan lag en [persoon A] zich afvroeg wat hij nog kon of moest doen om tot afspraken over re-integratie te komen. [werknemer] heeft daarop geen (tegen)voorstel gedaan. Ook heeft [persoon A] voorgesteld de schoonvader van [werknemer] , met wie [persoon A] ook goed bekend was en die daar geschikt voor leek, te vragen om te bemiddelen. [persoon A] heeft daartoe, zonder voorafgaand overleg met [werknemer] , contact met zijn schoonvader gezocht.

2.7.

Per e-mail van 4 mei 2020 21.23 uur schrijft [persoon A] onder meer aan [werknemer] :

"Ik had gevraagd te reageren op mijn mail voor a.s. woensdag 17:00 uur.

Je hebt besloten niet per email te reageren maar me zojuist te bellen.

Na een korte toelichting op mijn email heb ik je opnieuw verwezen naar het antwoord op mijn e-mail.

Je bleef vragen houden, waardoor het gesprek zijn voortgang hield.

Waarin ik op één van je laatste vragen heb aangegeven dat wanneer je kiest om verder te gaan, ik je ondanks alle aantijgingen, niet terugblik op het verleden maar alleen positieve energie wil steken in de toekomst. En ik me vol zal geven om er naast jou een succes van te maken. Maar wanneer na alle pogingen die er zijn gedaan om tot re integratieplan te komen, en het voorstel van deze morgen zoals die er staat opnieuw afgewezen wordt, er een ontslag op staande voet volgt.

Waarna je reageerde dan niet voor dit voorstel te kiezen, maar voor het laatste voorstel van de Arbo arts, welke je in een eerder stadium op donderdag 30 april telefonisch hebt aangegeven deze niet te willen volgen zoals voorstelde. Waarmee je opnieuw het laatste voorstel tot re integreren zoals in de onderstaande mail uitvoerig is beschreven werd afgewezen. Je had moeite met het opbouwende schema, en je had moeite met locatie, waar dit een bewust gekozen locatie was, om je te beschermen zoals eerder toegelicht.

Zoals ik vanmorgen mailde, had ik juist jouw gevraagd om met een plan te komen, om zo te voorkomen dat ons voorstel opnieuw afgewezen zou worden. Maar in plaats van dat er voorstel kwam met jouw zienswijze tot re integratie, kwam er juist een mail waarin werd aangestuurd op een breuk. Desondanks heb ik toch nog een poging ondernomen om onzerzijds het plan zoals afgelopen zaterdag besproken met jou persoonlijk besproken nog ruimer weg te zetten en zelf op papier te zetten. Waarop opnieuw een afwijzing op volgde.

Na het breekpunt wat door jezelf afgelopen zaterdag reeds was gecreëerd en de uitkomst van dit gesprek zoals hierboven omschreven, hierbij de bevestiging dat ik je op volgend hierop 'per direct op staande voet ontslag heb gegeven'.

Waarop ik nogmaals wil aangeven zoals in het telefoongesprek afgesloten, 'dat het breekpunt door jezelf is gecreëerd door elke poging tot re integratie af te wijzen en dat ik het hierdoor enorm jammer vind om tot deze beslissing gedwongen te zijn'.

(...)"

2.8.

Bij e-mail van 6 mei 2020 bevestigt [persoon A] namens [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] het aan [werknemer] op 4 mei 2020 mondeling gegeven ontslag op staande voet.

2.9.

[werknemer] heeft na het ontslag op staande voet een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV met de vraag "Is het werk dat ik moet of wil doen passend?" De uitkomst is niet bekend.

2.10.

[naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] heeft op 28 juli 2020 een deskundigenoordeel aangevraagd als bedoeld in artikel 7:629a BW met de vraag: “Doet mijn werknemer genoeg om weer aan het werk te gaan?”. De uitkomst is niet bekend.

3.1.

Het verzoek van [werknemer]

verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 4 mei 2020 ingevolge artikel 7:681 BW te vernietigen;

II [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] te veroordelen om binnen 24 uur na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking aan [werknemer] werkzaamheden aan te bieden tot re-integratie in eigen werk overeenkomstig de door de bedrijfsarts gegeven of nog te geven adviezen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] in gebreke blijft;

III [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] te veroordelen tot (door)betaling van het loon aan [werknemer] van € 3.900,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de overige emolumenten vanaf 4 mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;

IV [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 500,- alsmede in de kosten van de procedure.

3.2.

Het verweer van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [werknemer] en tot compensatie van de proceskosten.

3.3.

Het voorwaardelijk tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden met ingang van 1 september 2020, althans een door de kantonrechter vast te stellen datum en aan [werknemer] een transitievergoeding te ontzeggen, een en ander met compensatie van de kosten.

3.4.

Het verweer van [werknemer] op het voorwaardelijk tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

[werknemer] verzoekt primair de tegenverzoeken van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] af te wijzen, subsidiair, te bepalen dat aan [werknemer] , naast zijn aanspraak op de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding toe komt ten bedrage van € 80.000,- bruto. Voorts verzoekt [werknemer] te veroordelen in de kosten van de procedure.

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van het verzoek van [werknemer]

4.1.1.

[naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] heeft [werknemer] op 4 mei 2020 op staande voet ontslagen vanwege het, kort gezegd, niet meewerken aan zijn re-integratieverplichtingen. Dit ontslag dient, overeenkomstig het verweer van [werknemer] , te worden vernietigd nu het niet dan wel onvoldoende meewerken aan re-integratieverplichtingen in dit geval, waarin [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] niet eerder een loonsanctie heeft opgelegd, geen dringende reden oplevert.

4.1.2.

Als een werkgever van oordeel is dat zijn werknemer onvoldoende aan re-integratie doet omdat zijn werknemer weigert aangeboden passend werk te verrichten, ligt het op de weg van de werkgever om een loonsanctie op te leggen (artikel 7:629 lid 3 aanhef en onder c BW). Pas als een werknemer ook na een (enige tijd durende of herhaalde) loonsanctie blijft weigeren aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen kan beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan de orde zijn.

4.1.3.

Nu [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] voorafgaand aan het ontslag op staande voet geen loonsanctie heeft opgelegd is van een dringende reden, en derhalve een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, geen sprake. Het verzoek van [werknemer] tot vernietiging daarvan zal worden toegewezen. Derhalve duurt de arbeidsovereenkomst onverminderd voort en is [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] gehouden het loon door te betalen tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn dan wel tot de datum dat de loondoorbetalingsverplichting ingevolge artikel 7:629 lid 1 BW geëindigd zal zijn en [werknemer] geen (passend) werk verricht. [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] zal, overeenkomstig het verzoek van [werknemer] , worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon ten bedrage van € 3.900,- bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten. Over de vervallen loontermijnen zal de wettelijke verhoging, gematigd tot 20%, worden toegewezen, evenals de wettelijke rente.

4.1.4.

Nu, zoals hierna zal blijken, het (voorwaardelijk) tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, zal [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] ook worden veroordeeld om [werknemer] werkzaamheden aan te bieden, niet zoals door [werknemer] verzocht uitsluitend in eigen werk, maar in eigen of passend werk. Zodra een werknemer wegens arbeidsongeschiktheid zijn eigen werk niet in volle omvang qua inhoud en uren kan verrichten, is immers sprake van passend werk. Als [werknemer] überhaupt niet (deels) in de voormalige eigen arbeid kan re-integreren zal re-integratie in andere (passende) arbeid, al dan niet bij een andere werkgever (tweede spoor), plaats moeten vinden. Derhalve wordt [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] veroordeeld om [werknemer] werkzaamheden aan te bieden tot re-integratie in eigen dan wel passend werk overeenkomstig de door de bedrijfsarts gegeven of nog te geven adviezen. Aan de veroordeling hoeft niet binnen 24 uur, maar moet uiterlijk na 10 werkdagen na betekening van deze beschikking worden voldaan. Er zal immers enige tijd nodig zijn om, in overleg met de bedrijfsarts en [werknemer] , tot concretisering van re-integratiewerkzaamheden te komen. De verzochte dwangsom wordt afgewezen nu er vooralsog geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] niet aan deze veroordeling zal voldoen.

4.1.5.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen, als redelijkerwijs gemaakt, worden toegewezen als verzocht, € 500,-.

4.2.

Van het voorwaardelijk tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

4.2.1.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, moet het voorwaardelijk ingestelde ontbindingsverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] eveneens beoordeeld te worden.

Gestelde grondslagen

4.2.2.

[naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens disfunctioneren van [werknemer] (d-grond), verwijtbaar handelen door [werknemer] (e-grond), een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en subsidiair op de i-grond, namelijk voorzover de d-, e- en/of g-grond niet voldragen zijn, omdat de arbeidsverhouding gaandeweg verstoord is geraakt. Tot slot baseert [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] haar verzoek op de h-grond. Herplaatsing ligt, aldus [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , niet in de rede.

4.2.3.

[naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] heeft aan haar ontbindingsverzoek deels dezelfde feiten en gebeurtenissen ten grondslag gelegd als die [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] bij haar verweer tegen het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet heeft aangevoerd en die vervolgens gesplitst naar de verschillende ontslaggronden van artikel 7:669 lid 3 BW. Het gaat dan, samengevat, onder meer om de stellingen van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] dat [werknemer] al voor zijn uitval onvoldoende functioneerde (d-grond) op dezelfde wijze als tijdens zijn eerdere dienstverband bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , [werknemer] op 8 oktober 2019 op zijn disfunctioneren is aangesproken en daags daarna (opnieuw) uitviel wegens ziekte en [werknemer] al langere tijd problemen had met zijn directe collega’s omdat de productiecapaciteit van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] de verkoop door [werknemer] niet kon bijbenen. Dat leidde tot te late leveringen. De oorzaak daarvan zou gelegen zijn in onvoldoende afstemming door [werknemer] . Zijn collega’s wilden en willen, aldus [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , niet meer met [werknemer] werken en waren van plan om hun dienstverband met [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] op te zeggen. Inmiddels is sprake van een verstoorde relatie (g-grond). Voorts stelt [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] dat [werknemer] verwijtbaar (e-grond) heeft gehandeld door (tijdens zijn ziekmelding) op vakantie te gaan zonder dat te melden, hij schade aan de ter beschikking gestelde auto (met toegestaan privégebruik) heeft veroorzaakt en heeft laten repareren zonder dat bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] te melden, [werknemer] niet heeft meegewerkt aan een mogelijk versneld medisch onderzoek in een privékliniek zoals door [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] voorgesteld en [werknemer] heeft geweigerd passend werk te verrichten. Voor zover de d-grond, e-grond of g-grond niet voldragen zijn, beroept [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] zich op cumulatie, de i-grond. Vervolgens stelt [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] dat er sprake is van een onverenigbaarheid van karakters, [werknemer] solistisch en eergevoelig is, hetgeen samenwerken in een team onmogelijk maakt. Dat levert, aldus [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , een h-grond op.

4.2.4.

Ter zake wordt als volgt overwogen, waarbij, voor zover van belang, ook wordt ingegaan op het verweer van [werknemer] .

Opzegverbod?

4.2.5.

Allereerst moet onderzocht worden of het verzoek verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] , in welke geval dat aan ontbinding in de weg staat (artikel 7:671b lid 2 en 7:671b lid 6 aanhef en onder a BW).

4.2.6.

Voor zover het verzoek is gebaseerd op de stelling dat [werknemer] niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan houdt het verzoek verband met de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] en dient het verzoek reeds om die reden te worden afgewezen. Ten overvloede wordt verwezen naar r.o. 4.1.2. waar is overwogen dat een werkgever bij onvoldoende re-integratieverplichtingen van een werknemer eerst een loonsanctie moet toepassen en pas, bij een voortdurende weigerachtige houding beëindiging van het dienstverband aan de orde kan komen.

4.2.7.

Voorzover het verzoek is gebaseerd op beweerdelijk disfunctioneren, verwijtbaar handelen (anders dan wegens niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen), een verstoorde arbeidsrelatie, onverenigbaarheid van karakters of een combinatie van een of meerdere gronden, houdt het verzoek geen (direct) verband met de de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] en staat die niet reeds aan ontbinding in de weg. Voor zover het ontbindingsverzoek daarop ziet zal het hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

d-grond

4.2.8.

Op 8 oktober 2019 heeft een gesprek tussen de heer [persoon A] , mevrouw [persoon B] en [werknemer] plaatsgevonden waarin, anders dan [werknemer] lijkt te betogen, (ook) kritiek op het functioneren van [werknemer] is gegeven. Dat blijkt uit de WhatsApp-correspondentie tussen [persoon A] en [werknemer] rondom die datum. Zo schrijft [persoon A] op [datum 4] aan [werknemer] : “(…) Dat je tegen een dag als vandaag opziet snap ik (….) Dat je na de feedback van gisteren het moeilijk vind snap ik, maar haal er wel het positieve uit. (…)”

4.2.9.

Uit het, van het op 8 oktober 2019 gevoerde gesprek, opgemaakte verslag blijkt van forse kritiek op het functioneren van [werknemer] . [werknemer] betwist dat hetgeen in het verslag staat met hem is besproken, de inhoud van het verslag niet te herkennen en het verslag eerst in april 2020 te hebben ontvangen. Gelet op dit verweer dient dit verslag, nu gesteld noch gebleken is dat [werknemer] het wel eerder heeft ontvangen, bij de beoordeling van het beweerdelijke disfunctioneren buiten beschouwing te worden gelaten. In dit verband wordt nog opgemerkt dat het opmerkelijk is dat het verslag is gedateerd op ‘8 oktober 2020’. Uit de WhatsApp-correspondentie rondom 8 oktober 2019 blijkt weliswaar van kritiek op [werknemer] maar niet van disfunctioneren, laat staan van zodanig disfunctioneren dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst werd overwogen of (bijna) in het verschiet lag. Dat de planning en/of de contacten met collega’s niet goed verliep werd blijkens die correspondentie ook niet uitsluitend aan [werknemer] toegeschreven. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] in de WhatsApp op 14 oktober 2020 onder meer aan [werknemer] schreef: “Heb [voornaam] gisteravond ook nog lang gesproken. Jouw zijde uitgelegd, hij gaf zijn fouten ruiterlijk toe en beloofde beterschap, ook missen [naam opdracht] betrok hij op zichzelf. Laat mij maar leiding nemen in het wekelijks verkoopoverleg en de zorg dat calculaties op tijd de deur uit zijn. Dan proberen we voor jou, [voornaam] en [voornaam] de lijnen uitzetten.(…)” Dit wijst niet op disfunctioneren van [werknemer] zodanig dat van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Daargelaten dat van een verbetertraject niet is gebleken, kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat de kritiek op [werknemer] thans wordt gekwalificeerd als disfunctioneren en zwaar(der) is aangezet om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te kunnen komen. Voor zover het verzoek op disfunctioneren is gebaseerd, wordt het afgewezen.

e-grond

4.2.10.

Zoals hiervoor is overwogen kan het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen in dit geval niet tot ontbinding leiden. [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] heeft evenwel aan de e-grond ook ten grondslag gelegd dat [werknemer] verwijtbaar heeft gehandeld door (tijdens zijn ziekmelding) op vakantie te gaan zonder dat te melden, schade aan de ter beschikking gestelde auto (met toegestaan privégebruik) heeft veroorzaakt en laten repareren zonder dat te melden en collega’s als gevolg van de opstelling van [werknemer] wilden vertrekken. Ter zake wordt als volgt overwogen.

4.2.11.

[werknemer] heefttijdens zijn ziekte deels verbleven in een tweede woning/vakantiewoning van zijn familie. Daargelaten de vraag of het verblijf daar, tegen de achtergrond van de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] , waaraan (mede) spanningsklachten ten grondslag liggen, als vakantie geduid moet worden, had [werknemer] de wijziging van zijn verblijfplaats met de bedrijfsarts en [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] moeten bespreken. Dat hij dat heeft nagelaten kan hem verweten worden. Wat daar ook van zij, het nalaten daarvan kwalificeert niet als verwijtbaar handelen zodanig dat van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten.

4.2.12.

[werknemer] heeft gemotiveerd betwist dat hij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] niet heeft geïnformeerd over de schade aan en reparatie van de auto. [werknemer] heeft bij wijze van verweer aangevoerd dat hij in maart 2020 bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] op kantoor is geweest en de schade heeft besproken. Toen werd hem geen enkel verwijt gemaakt. Nu [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] indachtig deze betwisting geen gespecificeerd bewijs heeft geleverd of heeft aangeboden, zijn deze aan het beweerdelijk verwijtbaar handelen ten grondslag gelegde feiten niet komen vast te staan. Reeds om die reden kan dit verwijt de e-grond niet dragen. Voor zover het verzoek op verwijtbaar handelen van [werknemer] is gebaseerd, wordt het afgewezen.

g-grond

4.2.13.

Dat de verhouding tussen [werknemer] en zijn collega’s zodanig verstoord is dat zijn collega’s niet meer met hem willen samenwerken en zouden willen vertrekken is door [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] weliswaar gesteld maar door [werknemer] gemotiveerd betwist. [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] heeft zich ter onderbouwing beroepen op het gespreksverslag van het gesprek van 8 oktober 2019. Nu de juistheid van dat verslag niet is komen vast te staan en, zoals hiervoor is overwogen, buiten beschouwing dient te blijven, kan daaraan ter onderbouwing van die stelling dat collega’s niet meer met [werknemer] willen werken geen waarde worden toegekend. 4.2.14. Dat de relatie met [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , in het bijzonder met de heer [persoon A] , behoorlijk onder druk staat is wel duidelijk geworden uit de e-mail van [persoon A] van 4 mei 2020 en tijdens de mondelinge behandeling. Zoals door [werknemer] is aangevoerd blijkt uit de frequente WhatsApp-correspondentie tussen parijen tot kort voor het gegeven ontslag op staande voet helemaal niet van een stroeve, laat staan verstoorde, relatie. Begin mei 2020, toen [werknemer] niet conform het voorstel van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] meewerkte aan re-integratie in de door [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] voorgestelde functie, is de situatie geëscaleerd, mede doordat, zo bleek tijdens de mondelinge behandeling, bij [persoon A] het geduld meer dan op raakte en de houding van [werknemer] de druppel leek die de emmer in hoog tempo liet vollopen en deed overlopen. [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] had zich al geërgerd aan het nalaten duidelijk antwoord te geven op c.q. het niet aanvaarden door [werknemer] van het aanbod naar een privékliniek te gaan. Toen [werknemer] ook niet wilde re-integreren in de aangeboden passende functie, evenmin met een adequaat tegenvoorstel kwam om de re-integratie op te pakken, en [werknemer] weigerde met behulp van zijn schoonvader, zoals door [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] voorgesteld, te proberen om tot een oplossing te komen is het licht bij [persoon A] uitgegaan. Dat heeft geleid tot het ontslag op staande voet. De e-mail van 4 mei 2020, onder de feiten aangehaald, spreekt in dit verband boekdelen. Hoe voorstelbaar wellicht dat het geduld bij [persoon A] , die door de coronacrisis en de langdurige uitval van [werknemer] onder grote druk stond, op was, heeft hij als werkgever op dat moment niet gehandeld zoals hij had moeten handelen. Het zij herhaald, [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] had een loonsanctie moeten opleggen. De spanningen tussen partijen zijn verder opgelopen doordat [persoon A] , desgevraagd door hem ter zitting erkend, zonder overleg met [werknemer] diens schoonvader heeft benaderd ter bemiddeling. Hoe goed bedoeld dat ook was, daar is de katonrechter ter zitting wel overtuigd van geraakt, [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] had dat indachtig de privacy van [werknemer] , niet mogen doen. De kantonrechter wil overigens niet onvermeld laten dat ook [werknemer] heeft bijgedragen aan verstoring van de relatie. De vraag of [werknemer] al dan niet heeft geweigerd te re-integreren is voorbehouden aan bedrijfs- en verzekeringsartsen. Wat daar van zij, uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt een passieve houding en niet altijd even adequate wijze van communiceren door [werknemer] jegens [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] over onderwerpen rondom zijn arbeidsongeschiktheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om zijn gewijzigde verblijfplaats, het niet informeren van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] of hij al dan niet gebruik wilde maken van het aanbod ter zake de privékliniek en het niet adequaat in overleg treden over zijn re-integratie met inachtneming van het opbouw advies van de bedrijfsarts. Niet gesteld of gebleken is dat [werknemer] tot dergelijke communicatie vanwege zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat was en hij heeft door voornoemd gedrag onnodig voeding gegeven aan de bij [persoon A] oplopende ergernissen. Dat kan [werknemer] euvel geduid worden.

4.2.15.

De kantonrechter is er niet van overtuigd dat de relatie, die flink onder druk staat, zodanig ernstig en duurzaam verstoord is dat van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De relatie is in korte tijd verstoord geraakt. Er lijken mogelijkheden voor [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] en [werknemer] om met elkaar in gesprek te gaan en tot re-integratie, eventueel in het tweede spoor te komen. Van [werknemer] mag dan wel een constructieve opstelling verwacht worden. Mede indachtig de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] en zijn belang bij mogelijkheden voor re-integratie, is enige terughoudendheid bij ontbinding ook geboden.

i-grond

4.2.16.

Nu het verzoek, voor zover gebasseerd op de d-, e- en g-grond wordt afgwezen, komt de door [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] gestelde cumulatie van de verschillende gronden, wettelijke mogelijk gemaakt door invoering van de i-grond, aan de orde.

4.2.17.

Bij beoordeling van de vraag of op basis van de i-grond moet worden ontbonden dringt zich, zo blijkt uit de literatuur en de (lagere) rechtspraak, telkens de vraag op in hoeverre verschillende gronden voldragen moeten zijn om in het kader van de cumulatie te kunnen worden meegenomen, althans om voldoende gewicht in de schaal te leggen. Zo is in het kader van disfunctioneren meermaals de vraag opgeworpen of voor cumulatie van de d-grond in ieder geval het disfunctioneren moet vast staan en/of er enig verbetertraject moet zijn geweest en speelt bij cumulatie met de e- en g- grond de vraag ‘hoe verwijtbaar het handelen van de werknemer ’ repsectievelijk ‘hoe verstoort de arbeidsverhouding’ moet zijn om bij de cumulatie een rol van betekenis te kunnen spelen.

4.2.18.

Blijkens de wettekst gaat het bij de i-grond evenwel niet om een combinatie van de (meer of minder voldragen) gronden, maar om ‘een combinatie van omstandigheden1 genoemd in twee of meer van de gronden, bedoeld in de onderdelen c tot en met h’ (art. 7:669 lid 3 aanhef onder i BW). Ook in de parlementaire geschiedenis wordt niet gesproken over cumulatie van de gronden, laat staan naar de mate waarin deze voldragen moeten zijn voor succesvolle cumulatie. Toetsingsmaatstaf is, aldus de parlementaire geschiedenis (MvT Algemeen deel, Kamerstukken II 2018/2019, 35074, nr 3, p. 53-58), ‘dat er een zodanige combinatie van omstandigheden2 uit twee of meer van de onder c tot en met h genoemde gronden is dat in redelijkheid van de werkgever niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. Dat duidt meer op maatwerk dan op algemeen geformuleerde uitgangspunten, hoe wenselijk dat laatste voor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid ook zou zijn. Dat er voor cumulatie omstandigheden moeten zijn die in ieder geval genoemd worden in twee of meer van de gronden c t/m h is uitgangspunt. Dat betekent dat als beweerdelijke omstandigheden, gelinkt aan een bepaalde grond niet zijn komen vast te staan, deze omstandigheden bij de cumulatie niet kunnen worden meegenomen. ‘Nul’ plus ‘iets dat niets is’ wordt niet meer dan dat ‘iets dat niets is’. Als derhalve niet is gebleken van door de werkgever gestelde omstandigheden passend binnen een bepaalde grond, kunnen die niet meewegen bij cumulatie. Dan zijn er immers geen omstandigheden genoemd in de betreffende grond (c t/m h).

4.2.19.

In de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis staat het volgende voorbeeld: ‘Het kan bijvoorbeeld gaan om zaken waarin disfunctioneren van de werknemer niet voldoende kan worden aangetoond door de werkgever en de verstandhouding tussen partijen verstoord is geraakt en deze gronden op zich niet voldoende zijn om daarop tot een ontbinding te komen.’ Uitgaande dat er wel ‘iets’van het aangevoerde disfunctioneren moet komen vast te staan moet dit voorbeeld zo begrepen worden dat het gaat om gevallen waarin wel vast staat dat van (enig) disfunctioneren sprake is, maar niet voldoende om tot ontbinding op de d-grond over te gaan. Uitgaande van de wettekst, dat het moet gaan om omstandigheden genoemd in de betreffende grond, in dit voorbeeld de d-grond, en gelet op dit voorbeeld zijn er geen aanwijzingen dat voor het meenemen van omstandigheden die kwalificeren als disfunctioneren die zodanig moeten zijn dat die in volle omvang moeten vast staan en evenmin dat er - zonder meer - enige vorm van een verbetertraject moet zijn geweest. De eisen die gesteld moeten worden aan de beoordeling van de omstandigheden die in twee of meer van de gronden c t/m h genoemd worden, lijken beperkt en in ieder individueel geval beoordeeld te moeten worden.

4.2.20.

Waar het vooral, en veel meer om draait dan aan een fictieve nogal mathematische optelsom van gronden, is of, de verschillende aangedragen omstandigheden, die genoemd worden in twee of meer van de gronden c t/m h, overziend, ervoor zorgen dat van een werkgever in het conrete geval niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Die situatie doet zich hier niet voor. De kern van dit geschil is dat bij [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] , toen [werknemer] in de beleving van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] niet adequaat meewerkte aan zijn re-intergratie, het geduld op was en na het gegeven ontslag op staande voet alles uit de kast lijkt te zijn gehaald om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen als het ontslag op staande voet onverhoopt geen stand zou houden. Daarvoor is de cumulatiegrond niet bedoeld.

4.2.21.

Maar ook in de meer mathematische benadering die tot op heden veelal gevolgd lijkt te worden is van een ‘voldragen’ i-grond geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen is weliswaar van kritiek op [werknemer] gebleken, maar van disfunctioneren in de zin van de d-grond niet. Aan verwijtbaarheid is er niet meer dan dat [werknemer] de wijziging van zijn verblijfplaats tijdens ziekte niet aan [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] en/of de bedrijfsarts heeft gemeld. Die beide zeer onvoldragen gronden zijn onvoldoende om met de, weliswaar veel verder maar niet volledig voldragen, g-grond tot een geslaagde cumulatie te leiden.

h-grond

4.2.22.

Dat [werknemer] solistisch is en/of er sprake is van onverenigbaarheid van karakters is niet, althans onvoldoende onderbouwd. Nu [werknemer] dat ook betwist is dit niet aannemelijk geworden, laat staan voldoende komen vast te staan. Wat [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] ter zake heeft aangevoerd dringt zich meer op als onderdeel uitmakend van de feiten die ter onderbouwing van de g-grond zijn aangevoerd. Ook de h-grond kan niet tot ontbinding leiden.

4.2.23.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt afgewezen.

In het verzoek van [werknemer] en het voorwaardelijk tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

Proceskosten

4.3.

[naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

5.1.

Op het verzoek [werknemer] :

- vernietigt het op 4 mei 2020 gegeven ontslag op staande voet;

veroordeelt [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] :

- om binnen 10 werkdagen na betekening van deze beschikking [werknemer] werkzaamheden aan te bieden tot re-integratie in eigen of passend werk overeenkomstig de door de bedrijfsarts gegeven of nog te geven adviezen;

- tot (door)betaling van het loon van € 3.900,- bruto per maand te vermeerderen met emolumenten vanaf 4 mei 2020 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geeindigd, te vermeerderen met de, over de reeds vervallen loontermijnen wettelijke verhoging tot maximaal 20% en de wettelijke rente;

- betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 500,-.

5.2.

In het het voorwaardelijk tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] :

- wijst de verzoeken af.

5.3.

In het verzoek van [werknemer] en het voorwaardelijk tegenverzoek van [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij]

- veroordeelt [naam verwerende partij, tevens (voorwaardelijk) verzoekende partij] in de kosten van de procedure aan de zijde van [werknemer] begroot op € 83,- ter zake van griffierecht en € 720,- ter zake salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2020.

1 Onderstreping kantonrechter.

2 Onderstreping kantonrechter.