Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5408

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-10-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2590
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schenkbelasting. Leeftijdsgrens van 40 jaar bij eenmalige verhoogde vrijstelling niet in strijd met verbod op (leeftijds)discriminatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2020
V-N Vandaag 2020/2850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 20/2590

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 19 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2017 opgelegde aanslag schenkbelasting ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser tijdig beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020. Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [persoon 1] .

Ter zitting is met partijen de mogelijke verwijzing naar de meervoudige belastingkamer besproken. Partijen hebben ter zitting toestemming verleend dat een meervoudige kamer uitspraak doet zonder nieuwe zitting.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer. Op verzoek van verweerder heeft alsnog een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het onderzoek ter zitting van de meervoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [persoon 1] .

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Op 27 april 2017 hebben eiser en zijn broer ieder een schenking van hun vader ontvangen van € 40.000. Eiser was op het moment van schenking 43 jaar en zijn broer 39 jaar. De partner van eiser was op het moment van schenking ook 43 jaar. De schenking is door eiser gebruikt voor de aflossing van de hypothecaire schuld op zijn woning.

2. In de aangifte schenkbelasting heeft eiser, net als zijn broer, een beroep gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor verkrijgingen van ouders. Eiser heeft in de aangifte meer bepaald een vakje aangekruist voor een schenking die is gedaan door een ouder aan zijn kind en die wordt gebruikt ten behoeve van een eigen woning.1

3. Bij de vaststelling van de aanslag schenkbelasting heeft verweerder geen eenmalige verhoogde vrijstelling toegepast.

Geschil

4. In geschil is of de aanslag schenkbelasting moet worden verminderd.

5. Eiser stelt dat hij alsnog in aanmerking moet komen voor een eenmalige verhoogde vrijstelling. Hij vindt de leeftijdsgrens van 40 jaar onterecht. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij onevenredig belast wordt in vergelijking met zijn broer, die als gevolg van de toegepaste vrijstelling over een bedrag van € 25.526 geen belasting hoefde te betalen. Hij wil minimaal hetzelfde worden behandeld als zijn broer. Verder stelt eiser dat sprake is van een dringende morele verplichting. Deze verplichting bestond, omdat de vader van eiser niet eerder een schenking kon doen, omdat hij pas in april 2017 zijn huis had verkocht. Als hij eerder had geschonken, dan had eiser minder belasting hoeven te betalen. Eiser stelt ook dat verweerder laat is geweest met het reageren op de ingediende aangifte.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de algemene eenmalige vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen is gebaseerd op beleidsoverwegingen die niet iedere redelijkheid ontberen. De wetgever heeft zijn beoordelingsvrijheid niet overschreden. Van een morele verplichting tussen schenker en eiser is geen sprake.

Beoordeling van het geschil

7. Schenkbelasting wordt geheven op grond van de Successiewet 1956. Op grond van artikel 33, ten vijfde, van de Successiewet is een schenking van een ouder aan zijn kind of kinderen vrijgesteld van belasting tot een bepaald bedrag. De vrijstelling geldt tot een bedrag van € 5.320 (tekst 2017) zonder voorwaarden. De vrijstelling kan eenmalig worden verhoogd voor schenkingen aan kinderen tussen de 18 en 40 jaar, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Het gaat dan om een verhoging tot € 25.526 waarvoor geen andere voorwaarden gelden (hierna ook te noemen vrijstelling zonder bestedingsdoel), om een verhoging tot € 53.176 als de schenking is bestemd voor de betaling van bovenmatige studiekosten en om een verhoging tot € 100.000 als de schenking is gedaan ten behoeve van een eigen woning (tekst 2017).

Verhoogde vrijstelling ten behoeve van de eigen woning

8. Eiser heeft in 2017 van zijn vader een schenking ontvangen van € 40.000 en is in beginsel schenkbelasting verschuldigd. Eiser heeft in de aangifte een beroep gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling voor een schenking ten behoeve van een eigen woning. Omdat eiser (en zijn partner) op het moment van schenken ouder waren dan 40 jaar, heeft verweerder de verhoogde vrijstelling in beginsel terecht geweigerd. Verweerder heeft de wet gevolgd en hij heeft de wet ook juist toegepast.

9. Eiser is echter van mening dat hij minder schenkbelasting hoeft te betalen, omdat zijn broer alleen vanwege het feit dat hij jonger is minder belasting heeft betaald. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser zo dat hij van mening is dat de leeftijdsgrens tot 40 jaar leidt tot (ongeoorloofde) leeftijdsdiscriminatie en dat om die reden de aanslag moet worden verminderd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

10. De rechter is niet bevoegd wetgeving in formele zin, zoals de Successiewet, te toetsen aan de Grondwet en aan algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel.2 Ook kan de rechter niet beoordelen of de wet rechtvaardig is.3 Wel dient de rechter, op grond van artikel 94 van de Grondwet, wettelijke voorschriften buiten toepassing te verklaren als de toepassing ervan niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

11. In het licht van de stellingen van eiser is met name het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM van belang. Het EVRM verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen de gevallen die als discriminatie moeten worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie als het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of als er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel.

12. Op fiscaal gebied heeft de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en als dit zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen.4

13. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 33, ten vijfde, van de Successiewet kan worden opgemaakt dat de wetgever met de structurele verhoging van de vrijstelling van een schenking ten behoeve van een eigen woning tot € 100.000 heeft beoogd een bijdrage te leveren aan de reductie van de eigenwoningschuld. Voor de leeftijdsgrens tot 40 jaar is gekozen, omdat de leeftijdsgroep tot 40 jaar het meest heeft te maken met onderwaarde van hun woning en de jonge huishoudens tot 40 jaar over kleine financiële buffers beschikken.5

14. Gelet op de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid, mag de fiscale wetgever een onderscheid baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing, tenzij deze veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat het evident onredelijk is ze aan het onderscheid ten grondslag te leggen.6 Met de onderhavige vrijstelling heeft de wetgever een oplossing willen bieden voor in de praktijk gesignaleerde problemen met onderwaarde van woningen bij de leeftijdsgroep tot 40 jaar. Niet kan worden gezegd dat de veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zijn. Dit brengt mee dat de leeftijdsgrens berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van iedere redelijke grond is ontbloot, althans dat er niet een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. De wetgever heeft daarom met de gestelde leeftijdsgrens de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden.

15. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hanteren van een leeftijdsgrens tot 40 jaar voor de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning niet leidt tot discriminatie in de zin van het EVRM.


Verhoogde vrijstelling zonder bestedingsdoel

16. Ter eerste zitting heeft eiser aangegeven hetzelfde te willen worden behandeld als zijn broer. De broer van eiser heeft gebruik gemaakt van de eenmalige verhoogde vrijstelling zonder bestedingsdoel.7 De rechtbank begrijpt dat eiser alsnog in aanmerking zou willen komen voor de vrijstelling zonder bestedingsdoel, indien hij geen aanspraak kan maken op de verhoogde vrijstelling in verband met de eigen woning.

17. De vraag die daarbij eerst beantwoord moet worden, is of eiser alsnog aanspraak kan maken op de eenmalige verhoogde vrijstelling zonder bestedingsdoel, terwijl hij in de aangifte een kruisje heeft gezet bij de eenmalige verhoogde vrijstelling voor de eigen woning. Naar het oordeel van de rechtbank is dit mogelijk, omdat er gelet op de wettekst sprake is van één verhoogde vrijstelling, naar drie verschillende bedragen. Eiser heeft in de aangifte daadwerkelijk een beroep gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling. De systematiek van de aangifte, waarbij een keuze gemaakt moet worden tussen de genoemde verhogingsbedragen, beoogt te voorkomen dat de vrijstellingen van artikel 33, ten vijfde, van de Successiewet cumuleren. Het alsnog opteren voor het bedrag van de verhoogde vrijstelling zonder bestedingsdoel, in plaats van die voor de eigen woning is mogelijk, mits hier in het verleden geen beroep op is gedaan. Van cumuleren van vrijstellingen is dan immers geen sprake.

17. Ook voor de verhoogde vrijstelling zonder bestedingsdoel geldt een leeftijdsgrens van 18 tot 40 jaar. Ook hierbij begrijpt de rechtbank de stelling van eiser aldus, dat hij meent dat met het hanteren van een leeftijdsgrens tot 40 jaar sprake is van discriminatie in de zin van het EVRM. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze vrijstelling oorspronkelijk een vrijstelling was voor het recht van schenking in het jaar van huwelijk tot een bedrag van 25.000 gulden, zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht.8 De gerechtvaardigdheid van die vrijstelling staat in deze procedure niet ter discussie. Met een amendement werd later beoogd aan alle kinderen een vrijstelling toe te kennen van maximaal 25.000 gulden.9 Deze vrijstelling diende ter vervanging van de vrijstelling in het huwelijksjaar. De voorwaarde van het huwelijksjaar werd onjuist geacht tegenover hen die niet huwen of kunnen huwen en ook eenmalige steun nodig hebben. De wetgever heeft de voorwaarde van huwelijksjaar vervangen door leeftijdsgrenzen. Dit heeft de wetgever gedaan omdat uitbreiding van de vrijstelling tot schenkingen ter gelegenheid van andere gebeurtenissen dan een huwelijk de wetgeving aanzienlijk zou compliceren.10 Daarnaast was de wetgever bang voor een schokeffect met betrekking tot budgettaire consequenties als de vrijstelling voor alle kinderen zou gaan gelden. De wetgever heeft daarom gekozen om de voorwaarde van het huwelijksjaar te vervangen door leeftijdsgrenzen. De wetsgeschiedenis als geheel in aanmerking genomen, kan worden gezegd dat de verhoogde vrijstelling er inmiddels – min of meer – toe strekt een schenking te faciliteren die tot doel heeft kinderen eenmalige steun te verlenen bij het (ook) in financieel opzicht op eigen benen gaan staan.11 Dat de wetgever in dit verband heeft gekozen leeftijdsgrenzen als criterium te hanteren, is niet van redelijke grond ontbloot, omdat het een objectief en praktisch hanteerbaar criterium oplevert en omdat in redelijkheid mag worden aangenomen dat de meeste kinderen tussen hun 18e en 40e op eigen benen gaan staan.12 De wetgever heeft de hem op fiscaal gebied toekomende ruime beoordelingsmarge met deze keuze niet overschreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de leeftijdsgrens tot 40 jaar ook bij deze vrijstelling niet leidt tot discriminatie in de zin van het EVRM.

19. Omdat ook de leeftijdsgrens van de eenmalige verhoogde vrijstelling zonder bestedingsdoel niet leidt tot discriminatie, is het voor eiser gezien zijn leeftijd niet mogelijk hier alsnog gebruik van te maken.

Dringende morele verplichting

20. Eiser doet ook nog een beroep op de vrijstelling voor schenkingen die zijn gedaan in verband met een dringende morele verplichting omdat zijn vader pas een schenking kon doen toen hij zijn huis verkocht had.13 De rechtbank is van oordeel dat deze vrijstelling niet van toepassing is. Het gaat bij deze vrijstelling niet om een door vader gevoelde verplichting om zijn beide zoons gelijk te behandelen, maar om de reden waarom vader een bedrag heeft geschonken. Het moet dan gaan om een schenking die vader niet uit vrijgevigheid heeft gedaan, maar ter voldoening aan een verplichting jegens eiser die niet juridisch afdwingbaar was, maar waartoe vader zich wel moreel verplicht voelde en die naar maatschappelijke opvattingen aan eiser toekwam. Eiser heeft hierover niets gesteld. De stelling dat eiser minder schenkbelasting had hoeven te betalen als zijn vader de schenking eerder had gedaan, toen eiser nog geen 40 jaar was, maakt niet dat sprake is van een dringende morele verplichting in de zin van de wet.

Termijn opleggen aanslag

21. Verweerder heeft de aanslag opgelegd meer dan twee jaar nadat eiser aangifte heeft gedaan. Omdat verweerder hierbij is afgeweken van de aangifte van eiser, kan de rechtbank begrijpen dat eiser dit heeft ervaren als een onaangename verrassing. De wet geeft verweerder echter de mogelijkheid om een aanslag schenkbelasting vast te stellen binnen drie jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. Verweerder heeft dus niet in strijd met de wet gehandeld en hij heeft de aanslag ook niet te laat opgelegd. De rechtbank kan de aanslag dus niet verminderen of vernietigen omdat eiser lang heeft moeten wachten op de aanslag en hierbij onaangenaam is verrast.

22. Eiser heeft op 15 maart 2020 verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar, terwijl de bezwaartermijn op dat moment al was verstreken. Verweerder heeft vervolgens op 19 maart 2020 uitspraak op bezwaar gedaan, en dat is binnen de door de wet voorgeschreven termijn van twee weken nadat in gebreke is gesteld. Eiser heeft dus geen recht op een dwangsom. De rechtbank kan hier ook geen andere gevolgen aan verbinden, omdat de wet hiervoor geen ruimte biedt

Conclusie

23. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en mr. W.J. Blokland, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.C.M.J. Bucx, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Artikel 33, ten vijfde, letter c, van de Successiewet 1956.

2 Zie artikel 120 van de Grondwet, Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2818, en Hoge Raad 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725.

3 Vgl. artikel 11 van de Wet algemene bepalingen.

4 Zie Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206, r.o. 3.3.1 en de door de Hoge Raad aangehaalde jurisprudentie van het EHRM.

5 Kamerstukken II 2015/16, 34302, nr. 3 p. 29 en nr. 11, p. 70.

6 HR 7 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6124, en HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206, r.o. 3.3.12 en 3.3.13.

7 Artikel 33, ten vijfde, letter a, van de Successiewet 1956.

8 Kamerstukken II 1979/80, 16016, nr. 10, p. 16.

9 Kamerstukken II 1980/81, 16016, nr. 29.

10 Kamerstukken II 1979/80, 16016, nr. 10, p. 16.

11 Kamerstukken II 1916/16, 210, nr. 19 en Handelingen II 1915/16, p. 2430 (vergadering van 7 juli 1916).

12 Vgl. Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124, r.o. 2.9.3.

13 Artikel 33, ten twaalfde, van de Successiewet 1956.