Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5295

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1823
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges. Aanvraag omgevingsvergunning. Wijziging Legesverordening 2018 met terugwerkende kracht. Primair is in geschil of ten tijde van de indiening van de aanvraag om verlening van de omgevingsvergunning een wettelijk grondslag was voor de heffing van belasting. Opbrengstlimiet. Artikel 229b van de Gemeentewet. Verweerder dient voldoende inzicht te verschaffen in de geraamde opbrengsten en lasten. Eiseres dient haar stelling dat de opbrengstlimiet is overschreden voldoende te onderbouwen. Verweerder heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijsvoeringslast. Beroep gegrond. Omdat de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt kan zij niet zelf in de zaak voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus. Verweerder dient binnen drie maanden na verzending van de uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2387
FutD 2020-2970
Viditax (FutD), 08-10-2020
NTFR 2020/2967
Belastingblad 2021/10 met annotatie van G. GROENEWEGEN
NLF 2020/2292 met annotatie van
NLF 2020/2292 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/1823

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: drs. [naam gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tribuut, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de aanvraag van een omgevingsvergunning leges in rekening gebracht ad € 26.836,80.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 maart 2019 de legesfactuur gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift overgelegd.

Na het indienen van het verweerschrift heeft verweerder aanvullende stukken overgelegd. De rechtbank heeft een afschrift van deze stukken aan eiseres gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [persoon A] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 23 maart 2018 is door eiseres een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van een kassencomplex op het perceel [adres] te [plaats] . Deze aanvraag ziet op de activiteit “bouwen” en de activiteit “gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. Op 27 november 2018 is de omgevingsvergunning verleend.

2. Op 9 november 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente [plaats] (de gemeente) de Verordening op de heffing en invordering van leges 2018 van de gemeente [plaats] (de Legesverordening 2018) en de bijbehorende tarieventabel vastgesteld.

3. Nadat in 2018 bleek dat er meer aanvragen om een omgevingsvergunning werden ingediend heeft de gemeenteraad besloten om de Legesverordening 2018 met terugwerkende kracht te wijzigen. De gemeenteraad heeft daartoe op 12 juli 2018 de Legesverordening 2018, eerste wijziging, en de Tarieventabel Leges 2018, eerste wijziging (tarieventabel) vastgesteld. In de tarieventabel is het legestarief voor de activiteit “bouwen”, op onderdelen, verlaagd. De Legesverordening 2018, eerste wijziging, is op 10 september 2018 gepubliceerd in het gemeenteblad.

Geschil

4. Tijdens de zitting heeft eiseres de beroepsgrond ingetrokken dat de Legesverordening 2018, eerste wijziging, niet in werking is getreden.

5. Tussen partijen is primair in geschil of er ten tijde van de indiening van de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning een wettelijke grondslag was voor de heffing van belasting. Daarbij is in het bijzonder in geschil of de opbrengstlimiet uit artikel 229b van de Gemeentewet ook geldt voor de Legesverordening 2018, eerste wijziging met bijbehorende tarieventabel. Verder is in geschil of de belastingheffing onredelijk hoog is en in strijd met het verbod van willekeur.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat de gemeenteraad de Legesverordening 2018 heeft gewijzigd omdat de opbrengsten in 2018 hoger uitvielen dan was begroot omdat er onverwacht meer aanvragen om een omgevingsvergunning werden ingediend. Volgens eiseres blijkt reeds hieruit dat de Legesverordening 2018 in strijd was met de opbrengstlimiet zodat deze onverbindend is. Ook de Legesverordening 2018, eerste wijziging, is in strijd met de opbrengstlimiet. Volgens eiseres ontbreken stukken ter onderbouwing van de verlaagde tarieven.

7. Volgens verweerder is de Legesverordening 2018 niet in strijd met de opbrengstlimiet, omdat de geraamde opbrengsten de geraamde kosten niet overstegen ten tijde van de vaststelling van de legesverordening op 9 november 2017. Dat de werkelijke opbrengsten in 2018 hoger bleken uit te vallen maakt die conclusie niet anders, aangezien de datum waarop de legesverordening tot stand is gekomen als toetsingsmoment heeft te gelden en niet een later moment. Volgens verweerder heeft hij met de overgelegde kosten- en opbrengstenoverzichten onderbouwd dat de Legesverordening 2018 niet in strijd is met de opbrengstlimiet. Volgens verweerder is de aanslag leges dan ook rechtmatig opgelegd. De vraag of de Legesverordening 2018, eerste wijziging, in strijd is met de opbrengstlimiet is volgens verweerder niet relevant.

Beoordeling van het geschil

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Indien een wettelijk voorschrift na de datum van de bestreden uitspraak op bezwaar is gewijzigd met terugwerkende kracht tot een voor die datum gelegen tijdstip, dient de belastingrechter de uitspraak op bezwaar te toetsen aan het gewijzigde voorschrift.1

Dat neemt niet weg dat voor de vraag of een aanslag rechtsgeldig is opgelegd in die zin dat hij berust op een verbindende verordening, in beginsel beslissend is of op het moment van aanslagoplegging een wettelijke grondslag voor de belastingaanslag bestond.2

10. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de Legesverordening 2018 niet in strijd is met de opbrengstlimiet. Verweerder heeft met de overgelegde overzichten voldoende inzicht verschaft in de geraamde opbrengsten en lasten, terwijl eiseres haar stelling dat de opbrengstlimiet is overschreden, in het licht van die overzichten, onvoldoende heeft onderbouwd. Dat de gemeenteraad in 2018 de Legesverordening 2018 heeft gewijzigd omdat de werkelijke opbrengsten hoger waren, doet aan dat oordeel niet af, aangezien voor de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden maatgevend is of verweerder voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen zoals die gemaakt zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening. Dat betekent dat de Legesverordening 2018 verbindend was ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

11. De rechtbank overweegt vervolgens dat de Legesverordening 2018, eerste wijziging, met bijbehorende tarieventabel, met terugwerkende kracht is ingevoerd met ingang van 1 januari 2018. Het stond de gemeenteraad vrij om de wijzigingen, die ten gunste van belastingplichtigen waren, met terugwerkende kracht in te voeren. Ten tijde van de uitspraak op bezwaar was de Legesverordening 2018, eerste wijziging, dan ook van toepassing. Dit brengt mee dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar zal toetsen aan de Legesverordening 2018, eerste wijziging.

12. Vervolgens is dan in geschil of de Legesverordening 2018, eerste wijziging, verbindend is. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de Legesverordening 2018, eerste wijziging, voldoet aan de opbrengstlimiet. Het lag op de weg van verweerder om inzicht te verschaffen over de vraag of de geraamde opbrengsten de lasten niet overstegen ten tijde van de vaststelling van de Legesverordening 2018, eerste wijziging. Dit heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan de op hem rustende bewijsvoeringlast.

13. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Omdat de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt, kan zij niet zelf in de zaak voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus. De rechtbank zal dan ook op grond van artikel 8:72, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht gebruik maken van de bevoegdheid om na vernietiging van de uitspraak op bezwaar het bestuursorgaan op te dragen om binnen drie maanden opnieuw op het bezwaar te beslissen. Verweerder is daarbij gehouden om alsnog inzicht te verschaffen over de vraag of de Legesverordening 2018, eerste wijziging, met bijbehorende tarieventabel voldoet aan de opbrengstlimiet. Verweerder kan dat onder meer doen door gegevens aan te leveren waaruit blijkt hoe de eerdere ramingen van opbrengsten en kosten op 12 juli 2018 zijn aangepast en dat deze aangepaste ramingen niet in strijd zijn met de opbrengstlimiet.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

15. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.311;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 345 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Hoge Raad 6 januari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0558 (https://www.navigator.nl/document/inod43b09c3aa8531cb60de4d4eb42f649f8?anchor=id-ad0d8c9162ef3fdadf56e44a7bed5692) en 2 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI1892.

2 Arrest Hoge Raad van 31 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5307 (https://www.navigator.nl/document/inod340b9bfe51a4125f9f32fc6d0d72ced1?anchor=id-77983ff98a55def6393c87ca50a3ebb4).