Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5286

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
C/05/370950 FZ RK 20-1269
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft een alimentatieprocedure, waarbij de man wordt veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij de vrouw nodeloos op kosten heeft gejaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens:

Datum uitspraak: 8 september 2020

beschikking alimentatie

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. J. Zeegers te Doetinchem,

t e g e n

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.W.J. de Bont te Doetinchem.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  1. het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 22 mei 2020;

  2. het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 17 juli 2020;

  3. het journaalbericht met bijlagen van mr. Zeegers van 17 augustus 2020;

  4. het journaalbericht met bijlagen van mr. De Bont van 7 augustus 2020;

  5. het journaalbericht met bijlagen van mr. Zeegers van 27 augustus 2020.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 september 2020 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum 1] in de registers van de burgerlijke stand van de [plaats] op [datum 2] .

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2019 is een verzoek van de man om ten laste van de vrouw partneralimentatie vast te stellen, afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van indiening van het onderhavige verzoekschrift, dan wel met ingang van een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, verplicht is € 1.000,-- bruto per maand, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan partneralimentatie ten behoeve van de man te betalen.

3.2.

De vrouw verzoekt de rechtbank om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

partneralimentatie

ontvankelijkheid

4.1.

De vrouw heeft gesteld dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van de beoordeling door de rechtbank in de beschikking van 31 januari 2019 geen rechtens relevante wijziging naar voren heeft gebracht. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat het in casu om een (mogelijk) eerste vaststelling van de partneralimentatie gaat, zodat er geen aanleiding bestaat om de man niet-ontvankelijk te verklaren.


lotsverbondenheid

4.2.

De man heeft verzocht om een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.

4.3.

De vrouw voert daartegen verweer en stelt primair dat sprake is van het ontbreken van lotsverbondenheid, gelet op het grievende gedrag door de man. De vrouw stelt kort samengevat dat de man haar heeft mishandeld, waarvoor hij ook is vervolgd door het Openbaar Ministerie. Bovendien zorgt de man er telkens voor dat procedures worden vertraagd en weigert hij nog steeds pertinent om in overleg zaken te regelen. Het is hem gelukt om de verkoop van het onroerend goed van partijen gedurende twee jaar te rekken. De onheuse benaderingen en bedreigingen duren derhalve ook na de beschikking van 31 januari 2019 voort. Tot slot heeft de vrouw ter zitting aanvullend naar voren gebracht dat de man haar financieel heeft benadeeld in het kader van de verdeling.

4.4.

De man betwist dat hij de vrouw heeft mishandeld en stelt dat hij in dat kader is vrijgesproken door de politierechter. Hij stelt dat er geen sprake is van het ontbreken van de lotsverbondenheid en dat de vrouw niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat lotsverbondenheid tussen partijen, zoals die door het huwelijk is geschapen, ook na het staken van de huwelijksband haar werking in de vorm van een onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 1:157 BW behoudt, zij het in beperkte omvang. Bij het bepalen van een uitkering tot levensonderhoud dient de rechter op grond van het bepaalde in artikel 1:157 BW rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, zowel financiële als niet-financiële omstandigheden. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen. In een zodanig geval kan worden geoordeeld dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet kan worden gevergd. Ook kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten tegenover de ander aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te matigen.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stellingen, tegenover de betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gebleken is dat sprake is van dusdanig grievend gedrag dat de lotsverbondenheid tussen partijen, na een huwelijk van 27 jaren, is verbroken. Gelet hierop onderschrijft de rechtbank, net zoals overwogen in de beschikking van 31 januari 2019, de stellingen van de vrouw omtrent het ontbreken van lotsverbondenheid en de verstrekkende gevolgen die daaraan volgens haar zouden moeten worden verbonden, niet. De vrouw heeft weliswaar naar voren gebracht dat de bedreigingen en onheuse benaderingen voortduren sinds de beschikking van 31 januari 2019, maar dit is niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft de vrouw aanvullend naar voren gebracht dat er volgens haar sprake is van een benadelingshandeling in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, maar deze mogelijke behandelingshandeling zal nog door de rechtbank in de lopende verdelingsprocedure beoordeeld worden, zodat dit nog niet vaststaat. De rechtbank kan hier in het kader van de onderhavige procedure niet op vooruitlopen en zal derhalve voorbijgaan aan het primaire standpunt van de vrouw.

samenwonen als ware gehuwd

4.7.

De vrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de man samenwoont als ware gehuwd.

4.8.

Ingevolge artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) eindigt de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, onder meer wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

4.9.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer Hoge Raad 13 juli 2001, LJN: ZC3603, 3 juni 2005, LJN: AS5961, 18 juni 2010, LJN: BM1076 en 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1246) is voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

4.10.

Van wederzijdse verzorging is slechts sprake indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien, waarbij gedacht moet worden aan een taakverdeling. Daarbij is voorts uitgangspunt dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd vanwege het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de daarin besloten sanctie en dat op degene die daarop een beroep doet een zware stelplicht en bewijslast rust.

4.11.

Gelet op de hoofdregel in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op de vrouw de stelplicht en eventueel de bewijslast dat aan de eisen van artikel 1:160 BW is voldaan. De vrouw heeft dienaangaande naar voren gebracht dat de man sinds medio november 2017 een affectieve relatie heeft met mevrouw [naam] en dat de man in ieder geval sinds mei 2020 in haar woning in gezinsverband verblijft. Er is een gemeenschappelijke slaapkamer, zij voeren een gemeenschappelijke huishouding en er is sprake van een economische eenheid. Ook is er sprake van wederzijdse verzorging. Verder stelt de vrouw dat zij ermee bekend is dat de man en zijn partner plannen hebben om te vertrekken naar het buitenland om aldaar een nieuwe toekomst op te bouwen. Dit gegeven duidt erop dat er sprake is van wederzijdse verzorging.

4.12.

De man erkent dat sprake is van een affectieve relatie met mevrouw [naam] maar betwist dat hij samenwoont als ware gehuwd. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij is ingeschreven bij zijn zus in [plaats 2] en dat hij daar ook feitelijk verblijft. Indien de financiële afwikkeling tussen partijen heeft plaatsgevonden, zal hij zijn zus een vergoeding voldoen in verband met kost en inwoning. Op dit moment heeft hij daar echter geen financiële middelen voor. Daarnaast heeft de man verklaard dat hij geen plannen (meer) heeft om zich in het buitenland te vestigen.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stellingen, tegenover de betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Temeer nu onbetwist is komen vast te staan dat de man tot 1 mei 2020 op de manege verbleef en de vrouw ter zitting heeft verklaard dat de man op dit moment niet bij mevrouw [naam] in [plaats 3] woont maar dat hij in een chalet woonachtig is, hetgeen overigens door de man wordt betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet aan haar zware stelplicht heeft voldaan en dat het samenwonen als ware gehuwd niet is komen vast te staan. De rechtbank zal derhalve voorbijgaan aan het subsidiaire standpunt van de vrouw.

behoefte en behoeftigheid man

4.14.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de man aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.

4.15.

De man stelt zijn behoefte, aansluiting zoekend bij de bijstandsnorm, op een bedrag van € 1.000,-- bruto per maand. De man wijst in dat verband ook op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 12 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:11086). De vrouw betwist dat moet worden uitgegaan van een berekening van de behoefte op grond van de Hofnorm, maar voert geen inhoudelijk verweer tegen de stelling van de man dat dient te worden uitgegaan van een behoefte ter hoogte van de bijstandsnorm. Gelet hierop volgt de rechtbank de door de man gestelde behoefte van € 1.000,-- bruto per maand.

4.16.

De man stelt onvoldoende inkomsten te hebben om te kunnen voorzien in zijn behoefte. Zijn enige inkomstenbron is een WAO-uitkering ter hoogte van € 300,-- netto per maand. De man heeft aangegeven dat het vanwege het feit dat hij al jaren niet meer voor een werkgever heeft gewerkt en vanwege de coronacrisis het lastig is om aan het werk te komen. Daarnaast heeft de man ter zitting naar voren gebracht dat er sprake is van lichamelijke problematiek, waardoor hij niet in staat is om arbeid te verrichten. Door jarenlang zware arbeid te verrichten heeft hij problemen aan zijn voet en een versleten heup. Op dit moment is hij aan het herstellen van een operatie aan zijn voet en over enige tijd zal hij aan zijn heup geopereerd worden. Het herstelproces zal derhalve nog enige tijd in beslag nemen.

4.17.

De vrouw is van mening dat de man niet behoeftig is en dat hij in staat moet worden geacht in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft, naar eigen zeggen, ongeveer 70 tot 80 uren per week in de manege gewerkt. Die uren zou hij ook elders kunnen werken, zodat hij in zijn eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De vrouw verwijst naar de overwegingen van de rechtbank in de beschikking van 31 januari 2019. Die zijn onverkort van toepassing. Er is nadien niets gewijzigd. Ook na die beschikking is de man in de manege werkzaam gebleven. Bovendien, zo stelt de vrouw, moet er rekening worden gehouden met het vermogen dat aan de man toekomt na de verkoop van het onroerend goed en na liquidatie van de VOF. Met dit vermogen kan de man inkomen genereren. Zij gaat uit van een minimaal vermogen van € 300.000,-- en rekening houdend met een rendement van 4% over dit vermogen, kan hij een inkomen van € 12.000,-- per jaar genereren. Daar komt bij dat de man nog steeds actief is als paardenhandelaar en dat hij hiermee ook inkomen genereert. De gestelde arbeidsongeschiktheid is volstrekt onvoldoende onderbouwd.

4.18.

De rechtbank overweegt het volgende. Bij beschikking van 31 januari 2019 is ten aanzien van de behoefte van de man het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat het aan de man is om er alles aan te doen om zoveel mogelijk in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Niet in geschil is dat de man wekelijks zo’n 70 tot 80 uren in de manege werkt. De man heeft dit ter zitting beaamd. Naar zijn zeggen is dit nodig om de manege draaiende te houden. Uit de stellingen van de man volgt echter ook dat hij weinig tot geen inkomsten haalt uit de manege, terwijl gesteld noch gebleken is dat de man niet in zijn (resterende) behoefte zou kunnen voorzien indien hij zijn arbeidsmogelijkheden zou benutten door elders een baan te zoeken. De rechtbank is daarom met de vrouw van oordeel dat het een keuze is van de man om (desondanks) te blijven werken in de manege. De gevolgen van deze keuze dienen voor zijn eigen rekening en risico te komen en niet te worden afgewenteld op de vrouw. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen reeds sinds mei 2017 uit elkaar zijn. Als gevolg daarvan is ook reeds toen aan de gezamenlijke exploitatie door partijen van de manege een einde gekomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat die exploitatie mede mogelijk was door het inkomen dat de vrouw uit loondienst elders genereerde. Met het vertrek van de vrouw is ook dat weggevallen. Zo daarom niet al medio 2017 duidelijk was dat aan de exploitatie van de manege een einde zou komen en de man zijn bakens moest gaan verzetten, was dat in elk geval vanaf de zomer van 2018 bekend, nu de voorzieningenrechter van deze rechtbank de man bij vonnis van 31 juni 2018 heeft veroordeeld tot – samengevat – het verlenen van medewerking aan de verkoop van het bedrijfsonroerend goed. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man om een bijdrage in zijn levensonderhoud dient te worden afgewezen.”

4.19.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man tot 1 mei 2020 zijn activiteiten op de manege heeft voorgezet. Van sollicitatieactiviteiten van de man is op geen enkele manier gebleken. De man heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij het moeilijk vindt om sollicitatiebrieven te schrijven en dat hij daarom in zijn omgeving zo’n acht keer heeft rondgevraagd of iemand werk voor hem had, maar deze stelling is verder niet onderbouwd. Daarbij komt dat ook het gestelde aantal ‘sollicitatieactiviteiten’ onvoldoende is gelet op de op de man rustende inspanningsverplichting en gezien ook de inhoud van de beschikking van 31 januari 2019. De man heeft weliswaar – voor het eerst ter zitting – aanvullend naar voren gebracht dat er sprake is van medische problematiek, maar hij heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij daardoor niet in staat is om enige vorm van arbeid te verrichten teneinde (voor een deel) in zijn eigen levensbehoefte te kunnen voorzien. Er is slechts sprake van (beperkte) medische informatie waaruit geenszins zonder meer de conclusie volgt dat sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank benadrukt nogmaals dat het op de weg van de man ligt om er alles aan te doen om te zorgen dat hij zoveel mogelijk in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Nu de (financiële) situatie van de man feitelijk nauwelijks is veranderd ten opzichte van de beschikking van 31 januari 2019 en de man sindsdien niet, althans aantoonbaar geprobeerd heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man om een bijdrage in zijn levensonderhoud wederom en op dezelfde gronden als in 2019 dient te worden afgewezen.

proceskosten

4.20.

De vrouw stelt dat de man misbruik maakt van zijn recht, aangezien er geen sprake is van een gewijzigde omstandigheid sinds de beschikking van 31 januari 2019. Van de man mag immer verwacht worden dat hij er alles aan doet om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens de vrouw is de man onderhavige procedure enkel gestart uit rancune en frustratie. Daar komt bij dat het verzoekschrift een “copy-paste” versie is van zijn eerdere verzoek in 2018, aldus de vrouw. Hiermee jaagt de man haar op kosten en de vrouw is daarom van mening dat de man veroordeeld dient te worden in de kosten van onderhavige procedure. Mede om te voorkomen dat de man in de toekomst nogmaals onnodig zal gaan procederen.

4.21.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij stelt dat er sprake is van een gewijzigde situatie ten opzichte van de beschikking van 31 januari 2019 omdat er sprake is van medische problematiek en hij feitelijk niet in staat is om betaalde arbeid te verrichten. De man verzoekt de proceskosten te compenseren, zoals gebruik in de familiezaken.

4.22.

De rechtbank overweegt als volgt. Net als de vrouw is de rechtbank van oordeel dat het verzoekschrift van de man voor het overgrote deel een “copy-paste” versie betreft van zijn verzoek om partneralimentatie welke is ingediend in oktober 2018. De man heeft in zijn huidige verzoekschrift ter onderbouwing van zijn behoefte in aanvulling op zijn eerdere verzoekschrift naar voren gebracht dat hij heeft gesolliciteerd, maar dat het vanwege de coronacrisis lastig is om aan het werk te komen. Ter zitting heeft de man echter verklaard dat hij tot 1 mei 2020 in de manege werkzaam is gebleven en slechts heeft rondgevraagd in zijn nabije omgeving en dat hij deze handeling ziet als een sollicitatieactiviteit. Van enige onderbouwing is echter geen sprake en de gestelde activiteiten zijn, zoals overwogen, zonder meer als onvoldoende te kwalificeren. Verder heeft de man aangegeven dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid vanwege zijn medische problematiek, maar deze stelling heeft de man niet naar voren gebracht in zijn verzoekschrift en een toelichting op de in dat verband later ingediende producties V, VI en VII is pas voor het eerst op zitting gegeven. De man heeft bovendien nagelaten om aannemelijk te maken dat deze medische problemen zodanig zijn dat hij niet in staat is om betaalde arbeid te verrichten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man zijn stellingen (zeker gezien de overwegingen van de rechtbank in de beschikking van 31 januari 2019) volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd en dat dit ook voor de man van aanvang af duidelijk moet zijn geweest. Dat rechtvaardigt de conclusie dat de man met deze procedure de vrouw nodeloos op kosten heeft gejaagd.

4.23.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en de man in de proceskosten veroordelen.

4.24.

Nu de vrouw geen gespecificeerd kostenoverzicht heeft overgelegd zal de rechtbank de man veroordelen in de proceskosten bestaande uit het griffierecht van € 304,-- en de advocaatkosten conform het forfaitaire liquidatietarief begroot op € 1.086,- (tarief II, € 543,-- per punt, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek van de man af;

5.2.

veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw, bestaande uit het griffierecht van € 304,-- en de advocaatkosten begroot op € 1.086,-- volgens het liquidatietarief.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J.P. Lambooij, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.P. van der Meer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.