Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5241

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
C/05/376392 / FZ RK 20-2494
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zorgmachtiging Wvggz toegewezen. De rechtbank gaat aan voorbij aan de verweren van betrokkene ten aanzien van de stoornis, het ernstig nadeel en aan een deel van de vormen van verplichte zorg. De rechtbank is van oordeel dat het volgen van dagbesteding een minder ingrijpende inperking van de vrijheden van betrokkene betekent dan een opname zou doen, terwijl het risico dat tot opname moet worden overgegaan groter is indien betrokkene niet naar de dagbesteding zou gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/376392 / FZ RK 20-2494

Datum mondelinge uitspraak: 29 september 2020

Beschikking machtiging tot het verlenen van verplichte zorg Wvggz

naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers te Ulft.

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 15 september 2020;

  • -

    het verweerschrift ingediend door mr. Willemse-Schoenmakers van 25 september 2020;

  • -

    het emailbericht van de officier van justitie van 28 september 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 via beeldbellen plaatsgevonden op 29 september 2020.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • -

    betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mw. [naam 1] , als psychiater verbonden aan GGNet;

  • -

    dhr. [naam 2] , als psychiater verbonden aan GGNet;

  • -

    partner van betrokkene;

  • -

    zoon van betrokkene.

1.4.

Omdat een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig is, is de officier van justitie niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.

2 Beoordeling

2.1.

Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het niet toegestaan betrokkene persoonlijk te bezoeken. Dit levert voor betrokkene en andere aanwezigen een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op. Om die reden is besloten betrokkene via beeldbellen te horen.

2.2.

In het verweerschrift heeft de advocaat namens betrokkene verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging en daarin het volgende – kort samengevat – aangevoerd. Ten aanzien van de stoornis komt de psychiater in de medische verklaring tot het oordeel dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken. In het zorgplan staat echter aangekruist ‘schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen’. Dit is in tegenspraak met elkaar. Ten aanzien van het omschreven ernstig nadeel is het de vraag of het geweld (en daaruit voortvloeiend nadeel) wel voortvloeit uit de stoornis van betrokkene. Betrokkene is van mening dat dit voortvloeit uit de stoornis van haar partner en dit is destijds, bij het opleggen van de zorgmachtiging in aansluiting op de crisismaatregel, onvoldoende onderkend. Het geweld zou zich niet hebben voorgedaan indien de partner zelf geen stoornis had gehad. Betrokkene is om die reden van mening dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria om een zorgmachtiging te verlenen. Mocht de rechtbank dat verweer niet volgen, dan stelt betrokkene zich primair op het standpunt dat het door haar opgestelde eigen plan van aanpak voldoet om het ernstig nadeel af te wenden. Betrokkene werkt mee aan alle aangeboden vrijwillige zorg, met uitzondering van de verplichte dagbesteding. Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg wordt verweer gevoerd tegen het toedienen van medicatie, vocht en voeding. Betrokkene gebruikt geen medicatie en dat staat ook niet in de voorliggende zorgmachtiging als vorm van verplichte zorg opgelegd. De vorm van verplichte zorg ten aanzien van het aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten, ziet er op dat betrokkene gedwongen naar een dagbesteding zou moeten gaan. Zowel betrokkene, als haar echtgenoot en zoon, zijn het met deze vorm van verplichte zorg niet eens. Betrokkene is fysiek niet in staat, vanwege lichamelijke klachten, naar de dagbesteding te gaan en heeft haar handen vol aan haar eigen verzorging en het huishouden. Betrokkene is daarnaast gehecht aan haar privacy en een dagbesteding past niet bij haar persoonlijkheid. Deze vorm van verplichte zorg is een forse inbreuk op het recht op privéleven, is disproportioneel en niet effectief. Ten aanzien van de vorm van verplichte zorg opname in een accommodatie wordt eveneens afwijzing verzocht. De duur daarvan wordt niet voldoende gemotiveerd. Ook tegen de duur van de gehele zorgmachtiging wordt verweer gevoerd. Er kan niet gesproken worden van een aansluitende zorgmachtiging nu het verzoek daartoe te laat en na afloop van de voorliggende machtiging is ingediend. Dit verzoek zou om die reden voor slechts zes maanden toegewezen kunnen worden.

2.3.

De officier van justitie heeft in zijn emailbericht van 28 september 2020 gereageerd op het verweerschrift en heeft daarbij het volgende – kort samengevat – aangegeven. In de stukken wordt als stoornis overal, ook elders in het zorgplan, een ‘persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken’ genoemd en de officier van justitie gaat er vanuit dat dit de gediagnostiseerde stoornis is en dat er derhalve sprake is van een verschrijving in het zorgplan. Ten aanzien van het ernstig nadeel is de officier van justitie van mening dat de omstandigheden van de partner van betrokkene wel degelijk enigszins zijn genoemd en daarbij wordt ook genoemd dat betrokkene vanuit haar afhankelijkheid niet altijd een wilsbekwaam besluit kan nemen over haar eigen veiligheid in afstand/nabijheid van haar partner. Ze doet vaak een beroep op haar omgeving en blijft dit doen als aangegeven wordt dat ze moet stoppen. De stoornis van de echtgenoot speelt vermoedelijk wel een rol in het nadeel, maar uit het zorgplan leidt de officier van justitie ook af dat de stoornis van betrokkene een bijdrage levert aan het geheel. Betrokkene geeft zelf aan dat er mogelijkheden zijn tot vrijwillige zorg, maar de officier van justitie is van mening dat de psychiater gemotiveerd heeft aangegeven waarom het plan van aanpak van betrokkene niet voldoet. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en denkt dat zij zich in de thuissituatie kan handhaven. Ze kan echter geen prioriteiten stellen en relevante keuzes maken. Betrokkene wil geen gebruik maken van een dagbesteding terwijl dit een essentiële voorwaarde is. Een zorgmachtiging is derhalve nodig. Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg is de officier van justitie, net als de advocaat, van mening dat onvoldoende gemotiveerd is waarom toedienen van medicatie noodzakelijk is. Het beperken van de bewegingsvrijheid is alleen nodig gedurende een opname. De dagbesteding gaat er wat de officier van justitie betreft om dat betrokkene niet continu bij haar echtgenoot thuis is, waardoor er minder spanning en agressie kan ontstaan. Een dagbesteding is wenselijk om dit te voorkomen. Een opname zal alleen als uiterste middel worden ingezet in het geval betrokkene decompenseert.

2.4.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken.

2.5.

Anders dan de advocaat, is de rechtbank van oordeel dat het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:

  • -

    levensgevaar;

  • -

    ernstig lichamelijk letsel;

  • -

    ernstige psychische schade;

  • -

    het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.

Betrokkene leunt erg op haar partner en haar omgeving. Nu haar partner cognitief verslechterd is, kan hij minder goed om gaan met het claimende/afhankelijke gedrag van betrokkene. Dat komt deels voort uit zijn eigen stoornis, maar dat neemt niet weg dat de stoornis van betrokkene hier ook een rol in speelt en zorgt voor ernstig nadeel voor zowel haarzelf als haar partner en hun omgeving.

2.6.

Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene zorg nodig. Betrokkene is in april 2020 opgenomen toen zij naar eigen zeggen overbelast en in de war was. De behandelaren zagen op dat moment een verwarde vrouw, die claimend was vanuit haar onzekerheid en overbezorgdheid, die incoherent sprak en geen beslissingen kon nemen. Betrokkene had op dat moment flink lichamelijk letsel opgelopen nadat haar partner haar had mishandeld. Betrokkene heeft een beperkt ziekte-inzicht en –besef en is er stellig van overtuigd dat de escalatie kwam door de situatie rondom het Corona-virus (COVID-19) en dat het niet weer zal gebeuren. Het valt echter niet te verwachten dat het gedragspatroon dat zij laat zien in de toekomst anders zal zijn.

2.7.

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De rechtbank is van oordeel dat de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg en de daarbij aangegeven duur noodzakelijk zijn, mede gelet op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van zorg bestaan uit:

  • -

    het beperken van de bewegingsvrijheid;

  • -

    het uitoefenen van toezicht op betrokkene;

  • -

    het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

  • -

    het opnemen in een accommodatie;

allen voor de maximale duur van zes maanden,

waarbij ten aanzien van de vormen van verplichte zorg te weten:

  • -

    het beperken van de bewegingsvrijheid;

  • -

    het opnemen in een accommodatie;

geldt dat deze alleen mogen worden toegepast op het moment dat de andere vormen van zorg niet verder volstaan. In geval van een gedwongen opname zal deze zo kort mogelijk dienen te duren en zal een actuele verklaring van een onafhankelijke psychiater de opname moeten ondersteunen

2.8.

De vorm van verplichte zorg ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’ ziet er op toe dat betrokkene naar een dagbesteding gaat om daarmee te voorkomen dat het echtpaar voortdurend op elkaars lip zit en dat dan door het gedrag van betrokkene agressie kan ontstaan. Door de psychiaters is daarover tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat doordat betrokkene naar een dagbesteding gaat, de kans dat de situatie escaleert wordt verkleind en een noodzakelijke toekomstige klinische opname daardoor kleiner wordt.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de betrokkene dat zij niet in staat is naar de dagbesteding te gaan vanwege haar lichamelijke klachten, te meer omdat door de psychiater is aangegeven dat de wijze waarop dagbesteding wordt ingevuld, altijd maatwerk is en er van te voren wordt bekeken wat betrokkene hierin aan kan. Het programma wordt daarop afgestemd. De psychiater schat echter in dat het voor betrokkene, ondanks haar lichamelijke klachten, wel mogelijk is om dagbesteding te volgen. Gelet op het behandelde tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat het volgen van dagbesteding een minder ingrijpende inperking van de vrijheden van betrokkene betekent dan een opname zou doen, terwijl aldus de psychiater het risico dat tot opname moet worden overgegaan groter is indien betrokkene niet naar de dagbesteding zou gaan.

2.9.

Gelet op de inhoud van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is waarom de verzochte vorm van verplichte zorg te weten ‘het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen’ noodzakelijk is. Deze vorm van verplichte zorg wordt dan ook niet opgelegd, te meer niet omdat door de psychiater is aangevoerd dat de stoornis van betrokkene niet medicamenteus behandeld kan worden, betrokkene op dit moment ook geen medicatie slikt en/of krijgt toegediend en de officier van justitie hierop in zijn email van 28 september 2020 is teruggekomen.

2.10.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft een verstoorde realiteitstoets en een zeer beperkt ziekte-inzicht. Zonder een zorgmachtiging is de veiligheid van betrokkene niet te borgen en ernstig nadeel niet af te wenden.

2.11.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.12.

Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.

2.13.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden, om welke reden de rechtbank zal beslissen als hierna vermeld. De rechtbank merkt daarbij op dat de officier van justitie te laat een aanvraag voor een opvolgende zorgmachtiging heeft ingediend waardoor de voorgaande zorgmachtiging op grond van artikel 6:6 Wvggz inmiddels is vervallen. Het voorliggende verzoek moet om die reden worden gezien als een verzoek voor een autonome zorgmachtiging en die kan op grond van artikel 6:5 lid a Wvggz slechts voor zes maanden worden afgegeven, en niet voor de verzochte duur van twaalf maanden.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen als genoemd in 2.7. kunnen worden getroffen;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 28 maart 2021;

3.3.

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020 door mr. E.G. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van L. Stoevenbelt, griffier, en de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 5 oktober 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.