Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5196

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-10-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
364209 FZ RK 19-3520 en 371973 FZ RK 20-1499
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partijen hebben een overeenkomst gesloten waarin zij afspraken hebben gemaakt over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Zij hebben daarbij een voorwaarde gesteld aan het moment dat het geregistreerd partnerschap ontbonden kan worden. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een partieel nietige overeenkomst en dat de overeenkomst niet in zijn geheel nietig is dan wel vernietigbaar. Ook is er geen sprake van een overeenkomst op basis van artikel 1:80d BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: 364209 FZ RK 19-3520 en 371973 FZ RK 20-1499

Datum uitspraak: 5 oktober 2020

beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C. Simmelink te Maarssen,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. P. Splinter te Huizen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  1. het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 27 december 2019;

  2. het exploot van betekening van 9 januari 2020;

  3. het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 17 maart 2020;

  4. het verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 11 mei 2020;

  5. de brief met bijlagen van mr. Splinter van 26 augustus 2020;

  6. het gewijzigd petitum in het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 31 augustus 2020.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 7 september 2020 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

De vrouw en de man, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, zijn op [datum] te [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.

3 Het verzoek, het verweer tevens zelfstandig verzoek en het verweer daarop

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank (na wijziging) bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken;

  2. te bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten;

  3. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.050,-- netto per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

  4. e verdeling vast te stellen van de tussen partijen nog bestaande goederengemeenschap conform een nog nader in te brengen formulier verdelen en verrekenen;

  5. kosten rechtens.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans haar verzoeken af te wijzen. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank, in het geval dat het geregistreerd partnerschap wordt ontbonden, te bepalen dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in de overeenkomst, als herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uit maakt van de beschikking.

3.3.

De vrouw verzoekt de rechtbank het zelfstandig verzochte af te wijzen.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

(ontvankelijkheid)

4.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank het tussen partijen bestaande geregistreerd partnerschap te ontbinden. De vrouw is van mening dat de ‘Overeenkomst van scheiding van tafel en bed’ nietig is, nu een scheiding van tafel en bed niet mogelijk is bij een geregistreerd partnerschap.

4.2.

De man voert verweer. Partijen hebben op [datum 2] afspraken gemaakt over de afwikkeling van het geregistreerd partnerschap. In een overeenkomst zijn zij overeengekomen dat de ontbinding van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt één maand nadat de vrouw de woning aan de [adres] heeft verlaten. De vrouw heeft deze woning nog niet verlaten. Wat de man betreft worden de gemaakte afspraken nagekomen, de vrouw is bekend met de achterliggende bedoeling van partijen en is zich bewust van de consequenties van de door haar gemaakte afspraken.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben op [datum 2] een overeenkomst gesloten ten einde de gevolgen van het beëindigen van hun relatie te regelen. Anders dan de vrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1:80d BW, nu deze bepaling ziet op de vereisten voor een ontbindingsprocedure. Partijen zijn in hun overeenkomst juist overeengekomen dat zij de ontbindingsprocedure nog niet in gang gaan zetten tot het moment dat de vrouw de echtelijke woning zou gaan verlaten.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat partijen een obligatoire overeenkomst met elkaar hebben gesloten, als gevolg waarvan de bepalingen uit boek 3 BW van toepassing zijn. Daarbij is van belang dat een overeenkomst die door de inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde nietig is. Wanneer sprake is van strijd met een dwingende wetsbepaling leidt dit tot nietigheid van de rechtshandeling (artikel 3:40 BW). Partijen hebben in de overeenkomst opgenomen dat zij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap gaan regelen binnen één maand nadat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. Hiermee brengen partijen een beperking aan op de wettelijke grondslag voor ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met de openbare orde, op grond waarvan deze bepaling nietig is.

4.5.

Vervolgens ligt de vraag voor of het oordeel dat deze bepaling nietig is, er toe moet leiden dat de gehele overeenkomst nietig is of dat er sprake is van een partiële nietigheid. Daarbij moet de rechtbank de vraag beantwoorden of er sprake is van een onverbrekelijk verband met het nietige deel, gelet op de inhoud en de strekking van de overeenkomst (artikel 3:41 BW). Om deze rechtsvraag te kunnen beantwoorden, zal de rechtbank ingaan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). De uitleg van de overeenkomst dient daarbij niet plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van de overeenkomst wel van groot belang. Daarnaast is onder meer de context van belang, dat wil zeggen de verschillende bepalingen bezien in onderling verband, en verder de aard en strekking van de diverse bepalingen en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan.

4.6.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen beide toegelicht dat het doel van de overeenkomst was dat de vrouw in de woning kon blijven wonen tot dat de mini-ratjes zouden zijn overleden. De man heeft daarbij toegelicht dat hij het de vrouw gunde om in de woning te blijven gedurende die periode. Hij heeft zich teruggetrokken op een bungalowpark in de veronderstelling dat deze ratjes nog ongeveer een jaar tot anderhalf jaar zouden leven. De vrouw heeft dit bevestigd en toegevoegd dat zij op dat moment wilde dat de man de woning zo snel mogelijk zou verlaten, omdat samenwonen niet langer haalbaar was op dat moment. Tijdens de mondelinge behandeling is niet duidelijk geworden waarom partijen in dat kader met elkaar hebben afgesproken dat zij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap pas nadat de vrouw de echtelijke woning zou hebben verlaten met elkaar zouden gaan regelen. Immers, ook wanneer het geregistreerd partnerschap is ontbonden, kan afgesproken worden dat de vrouw gedurende een bepaalde periode in de woning zou blijven wonen en kan de verdeling van de gemeenschap van goederen uitgesteld worden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de afspraak om het geregistreerd partnerschap nog niet te ontbinden niet in een onverbrekelijk verband samenhangt met de overige afspraken in de overeenkomst. De rechtbank zal de overeenkomst dan ook alleen nietig verklaren voor het deel dat ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap.

4.7.

Door de vrouw is gesteld dat de overeenkomst vernietigd moet worden, omdat zij de overeenkomst in wanhoop heeft getekend. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt, nu de vrouw haar standpunt niet heeft onderbouwd. Uit de overgelegde WhatsApp berichten blijkt dat de man en de vrouw gedurende een langere tijd met elkaar hebben geappt over de afspraken die zij met elkaar wilden gaan maken. Hieruit blijkt dat partijen weloverwogen met elkaar hebben gesproken over de afspraken, niet blijkt dat de vrouw uit wanhoop zou hebben gehandeld. Daarnaast blijkt uit deze WhatsApp berichten dat de vrouw juridisch advies heeft ingewonnen bij een advocaat, voordat zij de overeenkomst tussen partijen op [datum 2] heeft ondertekend. Op 3 oktober 2018 om 15.14 uur berichtte de vrouw aan de man “Ik heb contact gehad met die advocate. Onze overeenkomst is rechtsgeldig met datum en handtekeningen en hoeft niet perse juridisch nog anders vastgelegd te worden. Wel vroeg ze of we het fiscale gedeelte er in willen hebben. Dan adviseert ze dat er eerst een fiscalist naar kijkt om te checken waar we na de scheiding op uitkomen, gaat dan dus vooral om die schenkingsbelasting. Het mag ook in 2 aparte contracten zei ze. Dat we dus een dezer dagen onze overeenkomst over de woonsituatie etc. samen vast tekenen en later nog een contract bij haar laten vastleggen omtrent het fiscale deel. Die laatste optie is prima voor mij, dan hebben we rondom het wonen al zekerheid van elkaar en kunnen we rustig met het fiscale deel aan de slag daarna. Maar denk jij er ook maar even over wat je wilt.”. De rechtbank volgt de vrouw dan ook niet in haar toelichting op de mondelinge behandeling dat zij geen advocaat heeft geraadpleegd. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een vernietigingsgrond en dat de overeenkomst niet vernietigd zal worden.

(ontbinding geregistreerd partnerschap)

4.8.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot ontbinding voor toewijzing vatbaar.

(voortgezet gebruik echtelijke woning en partneralimentatie)

4.9.

Door de vrouw is verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen, alsmede een bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, behalve de bepaling die ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, rechtsgeldig is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van deze verzoeken. De rechtbank zal de vrouw niet-ontvankelijk verklaren.

(verdeling gemeenschap van goederen (zaaknummer 371973 FZ RK 20-1499))

4.10.

Tijdens de mondelinge behandeling is niet duidelijk geworden of de tussen partijen gesloten overeenkomst alle activa en passiva van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen omvat en of de gehele gemeenschap door het sluiten van de overeenkomst is verdeeld. De rechtbank zal de verzoeken die zien op de verdeling van de gemeenschap dan ook aanhouden als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de ontbinding uit van het tussen partijen op [datum] te [plaats] gesloten geregistreerd partnerschap;

5.2.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in de verzoeken ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de bijdrage in haar levensonderhoud;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte voor zover de behandeling van de zaak niet is aangehouden;

(ten aanzien van de verdeling)

5.4.

alvorens verder te beslissen

5.5.

houdt in overleg met de raadslieden van partijen de behandeling ten aanzien van de verdeling van de gemeenschappelijke zaken alsmede ten aanzien van de kosten van deze procedure aan tot de terechtzitting op woensdag 11 november 2020 pro forma;

5.6.

verzoekt partijen alsdan een standpunt in te nemen betreffende de verdeling van de gemeenschappelijke zaken alsmede:

  1. een overzicht van de samenstelling van de boedel en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen;

  2. indien verschil van mening bestaat over de waarde, de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld vergezeld van een voorstel met betrekking tot eventueel te benoemen taxateur(s);

  3. de peildatum voor de waardebepaling;

  4. een voorstel tot verdeling;

  5. al hetgeen verder voor de beoordeling van de zaak van belang kan zijn;

  6. verhinderdata van partijen en hun raadslieden.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Klep, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Westendorp-Hertgers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2020.