Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5139

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
372382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Onsuccesvolle betwisting relatieve competentie op grond van een forumkeuzebeding. Doorlevering onder een distributieovereenkomst. Bestaan van een separate distributieovereenkomst ter zake van specifieke producten, ondanks de beëindiging van een algemene distributieovereenkomst. Niet aannemelijk is geworden dat de separate overeenkomst bestaat. Het gevorderde wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/372382 / KG ZA 20-214

Vonnis in kort geding van 19 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.A. Bekretaoui te Naarden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AKZO NOBEL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. de naamloze vennootschap

AKZO NOBEL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. B.E.W. Jacobs te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [naam] en Akzo Nobel c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    het faxbericht met bijlagen van Akzo Nobel c.s. van 7 augustus 2020

  • -

    de brief met bijlage van [naam] van 10 augustus 2020

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [naam]

  • -

    de pleitnota van Akzo Nobel c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam] exploiteert een verfgroothandel, onder meer in nautische lakken. In werkmaatschappijen van Akzo Nobel c.s. wordt onder meer lak voor plezierjachten geproduceerd en verkocht van het merk International en sinds 2004 ook van het merk AwlGrip.

2.2.

Op 1 maart 2005 is [naam] met International Paint (Nederland) B.V. (verder: IPN), een dochtervennootschap van Akzo Nobel c.s. die verf produceert en verhandelt, een distributieovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan IPN gehouden was de door [naam] bestelde producten te leveren. Blijkens art. 1.1. van de overeenkomst wordt onder deze producten verstaan “de reeks van actuele en toekomstige Producten zoals gespecificeerd op Bijlage 1 zoals van tijd tot tijd geproduceerd en geleverd door Leverancier (IPN, vzr) of aan haar verbonden ondernemingen.” De hier bedoelde bijlage is niet opgesteld.

2.3.

Aan [naam] zijn producten van het merk AwlGrip geleverd; tot 2012 door de toenmalige exclusieve Nederlandse distributeur van deze producten althans door een Poolse leverancier, vanaf 2012 tot 2017 door de Britse vennootschap International Paint Ltd en vanaf 2017 door IPN. IPN heeft in ieder geval vanaf juli 2017 de levering van producten van het merk AwlGrip aan [naam] in rekening gebracht.

2.4.

Op 14 september 2017 heeft IPN een distributieovereenkomst met [naam] opgezegd. Over de rechtsgeldigheid van deze opzegging is tussen [naam] en IPN een geschil gerezen, dat deze partijen na dagvaarding van IPN door [naam] minnelijk hebben geregeld met een in maart 2018 gesloten vaststellingsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de distributieovereenkomst op 29 februari 2020 eindigt. Daarin staat tevens dat geschillen tussen partijen over de vaststellingsovereenkomst zullen worden beslecht door de bevoegde rechter in het arrondissement Amsterdam.

2.5.

Vanaf 1 maart 2020 levert IPN geen producten meer aan [naam]; niet van het merk International en ook niet van het merk AwlGrip. [naam] betrekt sindsdien producten van het merk AwlGrip voor een hogere prijs van een andere leverancier.

3 Het geschil

3.1.

[naam] vordert dat de voorzieningenrechter Akzo Nobel c.s., versterkt met een dwangsom, zal veroordelen om haar verplichtingen uit de distributieovereenkomst met [naam] ten aanzien van de levering van producten van het merk AwlGrip na te komen tot het moment dat deze overeenkomst is geëindigd en Akzo Nobel c.s. zal veroordelen tot betaling van € 26.000,00 aan schadevergoeding, althans, indien de opzegging van de overeenkomst geldt per 1 maart 2020, Akzo Nobel c.s. zal veroordelen tot betaling van € 32.000,00 aan schadevergoeding, steeds met veroordeling van Akzo Nobel c.s. in buitengerechtelijke kosten ad € 18.355,87 en in de proceskosten, inclusief nakosten.

3.2.

De vorderingen van [naam] zijn daarop gebaseerd dat [naam] ter zake van de levering van producten van het merk AwlGrip met Akzo Nobel c.s. mondeling een aparte distributieovereenkomst is aangegaan die niet is opgezegd en die Akzo Nobel c.s. dus moet nakomen.

3.3.

Akzo Nobel c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Akzo Nobel c.s. heeft de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter ingeroepen op grond van het forumkeuzebeding in de vaststellingsovereenkomst. Akzo Nobel c.s. is bij deze overeenkomst echter geen partij. Bovendien is de vordering zoals deze is ingesteld niet gebaseerd op een geschil over de vaststellingsovereenkomst maar op nakoming van een niet geëindigde separate distributieovereenkomst. De onderhavige procedure wordt dus door het forumkeuzebeding niet bestreken. Het bevoegdheidsverweer slaagt niet, nog daargelaten dat het forumkeuzebeding in kort geding geen exclusieve werking heeft. Ook de door [naam] aangezochte relatief bevoegde voorzieningenrechter van een niet door partijen aangewezen gerecht is in beginsel bevoegd het kort geding te behandelen en te beslissen, gelet op de spoedeisende aard van een procedure in kort geding en op de aanzienlijke inefficiëntie die verwijzing van een procedure waarvan de mondelinge behandeling reeds is aangevangen meebrengt.

4.2.

[naam] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het staken van de directe levering van producten van het merk AwlGrip haar omzet van deze producten aanmerkelijk heeft beperkt en haar bedrijfsvoering inmiddels problematisch maakt. Haar vorderingen zijn dan voldoende spoedeisend om in kort geding aan de rechter voor te leggen.

4.3.

Niet in geschil is dat de schriftelijk distributieovereenkomst tussen [naam] en IPN uit 2005 inmiddels is geëindigd. Volgens [naam] heeft zij in 2013, althans in 2005 zoals haar bestuurder ter zitting heeft verklaard, mondeling een afzonderlijke distributieovereenkomst gesloten met Akzo Nobel c.s. ter zake van producten van het merk AwlGrip. Voor het bestaan van een dergelijke mondelinge distributieovereenkomst heeft [naam] echter geen concrete aanknopingspunten geboden. Ertegen pleit dat Akzo Nobel N.V. en Akzo Nobel Nederland B.V., zoals zij onweersproken hebben gesteld, holdings zijn die overeenkomsten van deze strekking doorgaans niet zelf aangaan maar door hun werkmaatschappijen laten aangaan.

4.4.

Verder blijkt uit geen enkel stuk in deze procedure dat [naam] (tevens) een distributieovereenkomst had met een andere partij dan IPN. Vast staat wel dat de producten van het merk AwlGrip in ieder geval vanaf juli 2017 door IPN aan [naam] zijn verkocht en geleverd. Toen moest IPN haar distributieovereenkomst nog opzeggen en moest de vaststellingsovereenkomst nog worden gesloten. Indien daadwerkelijk een separate te continueren distributieovereenkomst met Akzo Nobel c.s. bestond ter zake van de levering van producten van het merk AwlGrip, klaarblijkelijk door IPN, dan ligt voor de hand dat de levering van deze producten in de vaststellingsovereenkomst afzonderlijk zou zijn geregeld, althans dat deze leveringen tijdens de onderhandeling in ieder geval ter sprake zouden zijn gekomen. Dat is niet gebeurd.

4.5.

Aannemelijk is bovendien dat de inmiddels geëindigde schriftelijke distributieovereenkomst met IPN mede betrekking had op de levering van producten van het merk AwlGrip. Hoewel een concrete lijst van producten ontbreekt, vallen de producten van het merk AwlGrip zonder meer onder de in art. 1.1. gegeven omschrijving van producten die onder deze overeenkomst werden geleverd. De producten van het merk AwlGrip werden immers door IPN geleverd en, zoals Akzo Nobel c.s. onweersproken heeft gesteld, geproduceerd door een aan IPN verbonden, namelijk tot de werkmaatschappijen van Akzo Nobel c.s. behorende onderneming. Dat de intellectuele eigendom van het merk AwlGrip niet bij IPN rust is in dit verband niet relevant.

4.6.

Het moet [naam] ook duidelijk zijn geweest dat de producten van het merk AwlGrip onder de distributieovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst vielen en dat ook de levering van deze producten dus per 1 maart 2020 zou worden gestaakt. Haar notitie van een gesprek met vertegenwoordigers van IPN over beëindiging van de distributieovereenkomst met IPN op 12 oktober 2017 vermeldt dat de omzet van artikelgroep AwlGrip is verdubbeld ten opzichte van 2013 en dat de omzetcijfers voor IPN mede reden zijn om de opzegging te heroverwegen. Haar eerdere dagvaarding van IPN uit 2018 ziet mede op de dreigende staking van de levering van de producten van het merk AwlGrip. Na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] haar relaties in een brief erop gewezen dat zij de komende jaren distributeur blijft van producten van het merk AwlGrip. Blijkens een notitie van een gesprek met vertegenwoordigers van IPN op 21 maart 2018 heeft [naam] toen aangegeven dat zij genoodzaakt wordt al voor 1 maart 2020 in plaats van producten van AkzoNobel, waaronder dus zowel producten van het merk International als van het merk AwlGrip moeten worden begrepen, producten van andere merken te verkopen als AkzoNobel tijdens de bespreking niet duidelijk maakt of [naam] vanaf 1 maart 2020 haar distributeur kan blijven.

4.7.

Kortom, [naam] heeft niet concreet toegelicht dat zij met Akzo Nobel c.s. een separate distributieovereenkomst heeft gesloten voor de AwlGrip producten, terwijl daarvoor duidelijke contra-indicaties bestaan. In dit kort geding kan dan ook niet worden aangenomen dat [naam] met Akzo Nobel c.s. een distributieovereenkomst heeft (gehad) uit hoofde waarvan [naam] (nog steeds) recht heeft op nakoming van een verplichting tot levering van producten van het merk AwlGrip of op schadevergoeding vanwege vroegtijdige beëindiging van een dergelijke overeenkomst. Hierop stuiten de vorderingen af.

4.8.

[naam] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Akzo Nobel c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 3.022,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam] in de proceskosten, aan de zijde van Akzo Nobel c.s. tot op heden begroot op € 3.022,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.