Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:5117

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
05/840754-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gevangenisstraf voor zware mishandeling partner

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840754-18

Datum uitspraak : 16 september 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres verdachte] ,

raadsman: mr. R.G.M. Sleutels, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 maart 2020 en 2 september 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 september 2018, in de gemeente Nijmegen, zijn levensgezel, althans aan een persoon genaamd [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken ribben en/of een klaplong en/of interne bloedingen in de borstholte, heeft toegebracht door die [benadeelde 1] meermalen met kracht in de buikstreek en/of in het gezicht en/althans tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan en/of door die [benadeelde 1] op de grond en/of omver te gooien en/of aan de haren te trekken;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 september 2018, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, althans aan een persoon genaamd [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] meermalen, in elk geval eenmaal met kracht in de buikstreek en/of in het gezicht en/althans tegen het hoofd heeft geschopt en/of getrapt en/of heeft gestompt en/of geslagen en/of die [benadeelde 1] op de grond en/of omver heeft gegooid en/of aan de haren heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 10 september 2018, in de gemeente Nijmegen zijn levensgezel, [benadeelde 1] , heeft mishandeld door deze meermalen, in elk geval eenmaal in de buikstreek en/althans in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 september 2018 heeft verdachte zijn toenmalige partner [benadeelde 1] , met wie hij toen zeven jaar een relatie had, in haar woning in Nijmegen meerdere malen tegen haar gezicht en hoofd geslagen en aan de haren getrokken.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de handelingen van verdachte geen zwaar lichamelijk letsel hebben kunnen opleveren. Niet valt uit te sluiten dat de verwondingen van aangeefster zijn veroorzaakt door een val over bijvoorbeeld een meubelstuk, nadat verdachte reeds was vertrokken.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat op 10 september 2018 thuis op de bank lag te slapen, toen ineens verdachte naast de bank stond. Nadat verdachte haar had uitgescholden, sloeg en schopte hij haar meerdere keren met kracht tegen het lichaam. De trappen en klappen raakten haar overal op het lichaam. Ze probeerde het af te weren maar dat lukte niet. De trappen en klappen bleven maar komen.3 Hij bleef haar maar hard slaan, terwijl ze meerdere malen riep dat hij moest stoppen. Uiteindelijk stopte verdachte. Zij voelde direct erge pijn in buik en borst en kon zich niet goed bewegen.4

In het dossier bevindt zich een geneeskundige verklaring, gedateerd 11 september 2018. Daarin staat dat bij aangeefster het volgende letsel is geconstateerd:

Meerdere gebroken ribben, klaplong, bloed in de borstholte, diverse bloeduitstortingen en oppervlakkige verwondingen. De geschatte duur van genezing is meer dan 6 weken.5

Daarnaast is een letselbeschrijving met betrekking tot aangeefster opgemaakt door de afdeling Forensische Geneeskunde van de GGD Gelderland Zuid. In die letselbeschrijving van 12 september 2018 staat dat de onderzoekend arts meerdere huidverkleuringen heeft geconstateerd, passend bij bloeduitstortingen. Deze verkleuringen (blauwe plekken) zaten op de volgende plaatsen:

Linkerschouder, linkerbovenarm, linkerpols, linkerhand, rechterbovenarm, rechteronderarm, rechterflank borst.6 Op de foto’s die als bijlage bij de letselbeschrijving zijn gevoegd zijn meerdere blauwe plekken op armen en lichaam van aangeefster zichtbaar.7

Van het alternatief scenario dat de verdediging naar voren heeft gebracht, namelijk. een val over een meubelstuk of een ander voorwerp, is nog geen begin van aannemelijkheid gebleken. Het letsel van aangeefster dat verspreid is over een groot deel van haar lichaam, past niet bij een dergelijke val. Het letsel ondersteunt daarentegen wel de verklaring van aangeefster over de mishandeling door verdachte. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan die verklaring te twijfelen.

Het letsel van aangeefster, met name de gebroken ribben en de klaplong, is naar het oordeel van de rechtbank naar gewoon spraakgebruik als zwaar aan te merken.

Gezien de verklaringen van verdachte en aangeefster over de duur van hun relatie, kon aangeefster ten tijde van het feit worden aangemerkt als verdachtes levensgezel.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 10 september 2018, in de gemeente Nijmegen, zijn levensgezel, althans aan een persoon genaamd [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken ribben en/of een klaplong en/of interne bloedingen in de borstholte, heeft toegebracht door die [benadeelde 1] meermalen met kracht in de buikstreek en/of in het gezicht en/althans tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan en/of door die [benadeelde 1] op de grond en/of omver te gooien en/of aan de haren te trekken;

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair:

zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met aangeefster en een straatverbod voor de [adres ] , en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de voorlopige hechtenis te boven gaat.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 20 juli 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 17 december 2019.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn toenmalige partner op grove wijze mishandeld, waarbij zij zwaar letsel heeft opgelopen. Dat is een ernstig feit. Huiselijk geweld heeft een grote impact op de slachtoffers ervan. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in haar eigen woning, bij uitstek een plaats waar men zich veilig zou moeten voelen. Bovendien heeft hij dit gedaan in de nachtelijke uren en heeft hij het slachtoffer aangetroffen terwijl zij (aanvankelijk) sliep. Daar komt ook nog eens bij dat verdachte niet de volledige verantwoordelijkheid voor zijn gedrag wil nemen. Verdachte ontkent de zware verwondingen te hebben toegebracht en legt de schuld deels bij het slachtoffer, dat een hem onwelgevallig tekstbericht zou hebben gestuurd.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor dit feit slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, waarvan, gelet op de verdachte persoonlijk betreffende omstandigheid dat hij op dit moment zijn leven weer enigszins op de rit lijkt te hebben, een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Gelet op het tijdsverloop en gelet op hetgeen doorgaans in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden verbinden in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod.

De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verdachte legt de schuld gedeeltelijk bij het slachtoffer en verdachte heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis twee keer een berisping van de reclassering gehad omdat hij zich niet aan het contactverbod hield. De rechtbank zal daarom bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.378,37, bestaande uit € 378,37 aan eigen risico en € 10.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de vordering af te wijzen omdat er geen causaal verband is tussen de handelingen van verdachte en het zwaar lichamelijk letsel van aangeefster.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen het gevorderde bedrag voor materiële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Dit gedeelte van de vordering zal de rechtbank toewijzen.

Verder is voldoende komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde immateriële schade is toegebracht. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en acht de vordering, op basis van de gebleken feiten en omstandigheden en rekening houdend met de schadevergoeding die in soortgelijke zaken is toegewezen, toewijsbaar voor een bedrag van € 2.800,-.

Dit betekent dat in totaal een bedrag van € 3.178,37 wordt toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 10 september 2018.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot vijf (5) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] , geboren [geboortedatum benadeelde] , wonende te [adres ] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zich niet zal bevinden in het gedeelte van de [adres ] te Nijmegen tussen [straat 1] en de [straat 2] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht).

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1], van een bedrag van € 3.178,37 (drieduizend honderdenachtenzeventig euro en zevenendertig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1], van een bedrag van € 3.178,37 (drieduizend honderdenachtenzeventig euro en zevenendertig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 41 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.S. Croll (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 september 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018408323, gesloten op 25 september 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verhoor aangeefster, p. 14; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 83; verklaring verdachte ter terechtzitting van 2 september 2020.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 7.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 14.

5 Geneeskundige verklaring, p. 12.

6 Letselbeschrijving, p. 42-44.

7 Foto’s, p. 50, 54-63.