Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:497

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-01-2020
Datum publicatie
31-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5642
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning voor vijf anti-kraakwoningen. Verweerder heeft de vergunning in redelijkheid kunnen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5642

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2020

in de zaak tussen

[Naam A] en Stichting Bewaar Wolfskuil,

te [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. C.J. Schipperus),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars)

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2019 heeft verweerder geweigerd om aan [Naam A] een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen.

Bij besluit van 19 september 2019 heeft verweerder de bezwaren van [Naam A] en de Stichting ongegrond verklaard.

[Naam A] en de Stichting hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. De zaak is gelijktijdig behandeld met de beroepen in zaaknummers 19/1708 en 19/5643.

[Naam A] en [Naam B] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. C.J. Schipperus en mr. R.B.S. Link en vergezeld door [Naam C] (geluiddeskundige bij LBP Sight). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.M. Hagelaars, mr. W.J. Bloemena en J. van der Staaij (geluiddeskundige).

Overwegingen

1. De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet geluidhinder (Wgh), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het bestemmingsplan “Nijmegen – West” zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Verweerder heeft geweigerd om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van bijlage II Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van het pand op het perceel [adres 1] voor vijf anti-kraak woningen voor de duur van één jaar. Volgens verweerder worden als gevolg van de ligging op de hoek van de Energieweg en de Wolfskuilseweg de voorkeurswaarden voor wegverkeerslawaai ruimschoots overschreden. De gevelbelasting als gevolg van het nabijgelegen industrieterrein is ook dermate hoog dat de maximale grenswaarde voor industrielawaai op drie gevels wordt overschreden. Daarnaast is er sprake van gecumuleerde geluidsbelasting, aldus verweerder. Door deze hoge geluidbelasting kan een goed woon- en leefklimaat niet worden gewaarborgd.

Verweerder heeft voorts overwogen dat de bedoeling van een gezoneerd industrieterrein is om geluidgevoelige bestemmingen en industrie van elkaar gescheiden te houden, zodat de (bestaande) industrie haar activiteiten ongehinderd kan blijven uitvoeren. Door hiervan af te wijken en woningen bij een industrieterrein toe te staan wordt afbreuk gedaan aan deze gewenste functiescheiding, aldus verweerder.

Is het aangevraagde gebruik in strijd met het bestemmingsplan?

3.1.

Eisers betogen dat in vijf wooneenheden de geluidnormen uit de Wgh niet worden overschreden. Zij verwijzen daarvoor naar het geluidonderzoek van LBP Sight van 7 maart 2019 en 25 juni 2019.

3.2.

Het perceel is in het bestemmingsplan bestemd als “Gemengd” met de aanduiding “geluidzone – industrie”. Op grond van de bestemming “Gemengd” is wonen in het pand toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2557) volgt dat door de definitie van “wonen” en “woning” in de regels van het bestemmingsplan het wonen niet is beperkt tot één woning, maar dat in het pand ook 80 woningen zijn toegestaan.

De strijdigheid met het bestemmingsplan ziet daarom uitsluitend op het aspect “geluid”.

3.3.

Uit het geluidonderzoek van LBP Sight volgt dat 5 van de 80 woningen in het pand voldoen aan de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat dit niet de vijf woningen zijn waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd, zodat voor de aangevraagde anti-kraakwoningen niet wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Deze woningen zijn daardoor in strijd met het bestemmingsplan.

Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat voor het gebruik een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist.

De beroepsgrond slaagt niet.

Goede ruimtelijke ordening

4.1.

Eisers betogen dat in het bestemmingsplan aan het perceel een woonbestemming is toegekend, zodat het argument van functiescheiding niet opgaat. Volgens eisers is de achterzijde van het pand beperkt geluidsbelast, en is het gehele pand voorzien van dubbel glas.

4.2.

Vast staat dat het pand in de zone van wegverkeerslawaai en die van industrielawaai ligt, en dat voor de aangevraagde woningen niet wordt voldaan aan zowel de geluidnormen voor wegverkeerslawaai en industrielawaai. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op deze overschrijding van de geluidwaarden in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de omgevingsvergunning te verlenen. Dat de woningen zijn voorzien van dubbel glas betekent niet dat daardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals verweerder terecht heeft overwogen is een geluidgezoneerd bedrijventerrein bij uitstek bestemd voor de vestiging van ‘grote lawaaimakers’. Eisers hebben niet gemotiveerd betwist dat het toestaan van anti-kraakwoningen op korte afstand van het geluidgezoneerde industrieterrein niet zou kunnen leiden tot een beperking van de (toekomstige) bedrijfsvoering van deze bedrijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ook gelet op de scheiding van functies in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

De beroepsgrond slaagt niet.

Dreigende kraaksituatie

5. De omstandigheid dat het nabijgelegen pand [adres 2] door tenminste 5 krakers wordt bewoond, en dat deze krakers regelmatig polshoogte komen nemen op het perceel waardoor volgens eisers sprake is van een dreigende kraaksituatie, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder een omgevingsvergunning had moeten verlenen. Zoals verweerder heeft overwogen bestaan er andere mogelijkheden om het kraken van het pand te voorkomen, zoals een gebruik voor niet geluidsgevoelige functies.

De beroepsgrond slaagt niet.

Vertrouwensbeginsel

6.1.

In de e-mail van 4 april 2019 die de gemachtigde van verweerder naar de gemachtigde van eisers heeft gestuurd staat dat ambtelijk de bereidheid bestaat om het college te adviseren om een tijdelijke vergunning te verlenen die afwijkend gebruik voor ‘anti-kraak’ mogelijk maakt. In de e-mail wordt echter ook meegedeeld dat dit een ambtelijk standpunt betreft dat nog niet in het college is besproken en niet is geaccordeerd door een daartoe bevoegd persoon. Ook wordt in de e-mail uitdrukkelijk vermeld dat de cliënten van de gemachtigde uit dit bericht geen toezegging van de gemeente en/of haar bestuursorganen kunnen afleiden en dat hierop in rechte geen beroep kan worden gedaan.

6.2.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft overwogen is geen sprake van een toezegging als er uitdrukkelijk over het concrete geval tegenover de betrokkene een voorbehoud is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het uitdrukkelijke voorbehoud dat in de e-mail is gemaakt in dit geval geen sprake is van een toezegging. Anders dan eisers hebben betoogd kan er ook geen misverstand over bestaan dat in de e-mail niet het standpunt van het college wordt verwoord.

De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

7.1.

Eisers betogen dat aan [adres 3] en [adres 4] sprake is van vergelijkbare anti-kraak woningen waarvoor wel een omgevingsvergunning is verleend.

7.2.

Verweerder heeft daartegenover gesteld dat deze woningen niet liggen in de geluidzone van een bedrijventerrein en eisers hebben dat niet betwist. Reeds daarom is geen sprake van gelijke gevallen, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Legesheffing

8. Met betrekking tot de legesheffing overweegt de rechtbank dat tegen dit besluit separaat bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Deze heffing kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, mr. M.J. van Lee en mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 23 januari 2020

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, luidt als volgt:

“Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…);

(…).”

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, luidt als volgt:

“Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):

1°. (…);

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen; of

3°. (…).”

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 4 van bijlage II luidt als volgt:

“Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken, komen in aanmerking:

(…);

11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.”

Bestemmingsplan “Nijmegen West”

Artikel 10.1 van de regels luidt als volgt:

“De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, bedrijven, kantoren, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat nieuwe geluidsgevoelige functies alleen zijn toegestaan voor zover voldaan wordt aan de Wet geluidhinder;”

Artikel 10.2.2 luidt als volgt:

“e. bij de realisering van de in deze bestemming toegelaten geluidsgevoelige bestemmingen en/of functies moet worden voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Als de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde mogen geluidsgevoelige bestemmingen en/of functies alleen worden gerealiseerd als voldaan wordt aan de van toepassing zijnde vastgestelde hogere waarde en de daarin opgenomen voorwaarden.”

Artikel 35.2 “Geluidszone – Industrie” luidt als volgt:

“Op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone-industrie' mag, ongeacht het bepaalde in de geldende bestemmingen, geen bebouwing voor geluidsgevoelige functies worden opgericht, tenzij een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder is vastgesteld.”

In artikel 1.41 is de volgende definitie van “geluidsgevoelige functies” opgenomen:

“geluidsgevoelige functies als bedoeld in de Wet geluidhinder, te weten:

geluidsgevoelige gebouwen

a. woningen;

(…).”

Wet geluidhinder

Artikel 44 van de Wet geluidhinder (Wgh) luidt als volgt:

“De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone is, behoudens artikel 45, 50 dB(A).”

Artikel 82, eerste lid, van de Wgh luidt als volgt:

“1 Behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.”

In artikel 1 van de Wgh is “gevel” als volgt gedefinieerd:

“bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak;”

In artikel 1b, vierde lid, van de Wgh staat het volgende:

“In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan:

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede

b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.”