Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4897

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
8298158 \ CV EXPL 20-1350
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Studiekostenbeding, goed werkgeverschap. Arbeidsovereenkomst bepaalde tijd en onduidelijkheid over subsidie voor studiekosten. In dit geval niet redelijk 100% van de studiekosten te vorderen van de werknemer. 50% van de studiekosten toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8298158 \ CV EXPL 20-1350 \ 42693 \ 32568

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser].

gevestigd te [vestigingsplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. J.R. Tijssen

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 januari 2020 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- het tussenvonnis van 5 februari 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald

- de brief van 9 februari 2020 aan de zijde van [gedaagde] met producties

- de brief van 16 februari 2020 aan de zijde van [gedaagde] met een productie

- de brief van 17 maart 2020 aan de zijde van [gedaagde] met een productie

- de brief van de griffier aan partijen van 13 mei 2020 waarin is aangegeven dat de zitting niet kon doorgaan door corona maatregelen en waarin is medegedeeld dat vonnis wordt gewezen

- het tussenvonnis van 22 juli 2020 waarin opnieuw een mondelinge behandeling is bepaald

- de e-mail van 3 september 2020 aan de zijde van [eiser] met producties

- de mondelinge behandeling van 3 september 2020.

2 De feiten

2.1.

Op 13 december 2017 hebben [eiser] en [gedaagde] een arbeidsovereenkomst gesloten vanaf [datum indiensttreding]. In de overeenkomst staat onder andere:

Art. 2

In aanvulling op de bepalingen uit deze arbeidsovereenkomst bent u gehouden aan de afspraken zoals die zijn vastgelegd in het actuele internet- en emailprotocol en het huisreglement.

(…)

Art. 5

Het dienstverband is aangegaan voor een periode van een jaar en eindigt van rechtswege op 31 december 2018.

2.2.

In het door [eiser] overgelegde Huisreglement staat onder andere:

Terugbetalingsregeling

Wanneer je na aanmelding van de training besluit je arbeidsovereenkomst te beëindigen, dan zul je de gemaakte kosten moeten vergoeden. Deze verplichting vervalt na de officiële afronding van de training in verschillende gedeeltes: beëindig je de arbeidsovereenkomst

- binnen een jaar na afronding, dan dien je 100% van de kosten voor re rekening te nemen;

- tussen het eerste en tweede jaar na afronding, dan dien je 75% van de kosten voor je rekening te nemen;

- Tussen het tweede en derde jaar na afronding, dan dien je 50% van de kosten voor je rekening te nemen;

- tussen het derde en vierde jaar na afronding, dan dien je 25% van de kosten voor je rekening te nemen.

Vier jaar na afronding van de training vervalt de terugbetalingsverplichting volledig.

2.3.

Op 26 april 2018 stuurt mevrouw [HR Manager], HR manager van [eiser] (hierna [HR Manager]), een e-mail aan [gedaagde]. Hierin staat:

[naam 1] heeft kort aangegeven dat je het goed doet en dat de opleiding zeker voor jou, maar ook voor [eiser] van toegevoegde waarde is.

Ik stel dan ook voor dat je binnenkort met [naam 2] afspraken maakt voor de details.

Zoals vanochtend als even besproken. Opleidingskosten worden vergoed door [eiser], terugbetaling is van toepassing bij het niet verlengen van het dienstverband en bij vertrek binnen bepaalde periode tijdens of na de opleiding.

2.4.

Op 26 april 2018 heeft [gedaagde] bij e-mail gereageerd op de e-mail van [HR Manager]. Hierin staat:

Dat is goed nieuws. Ik zal binnenkort met [naam 2] contact opnemen.

2.5.

Op 6 juli 2018 heeft [HR Manager] een brief aan [gedaagde] verstuurd. In de brief staat:

Hierbij bevestigen wij dat u de opleiding/cursus Associate Degree Elektrotechnicus/Embedded Systems bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen te Arnhem heeft gevolgd.

De kosten voor deze opleiding worden door [eiser] Medical vergoed. Conform ons huisreglement is een terugbetalingsregeling bij uitdiensttreding binnen 4 jaar na beëindiging van de opleiding, van toepassing.

Verder delen we mede dat we deze opleiding hebben opgegeven bij ons cao opleidingsfonds Stichting Arbeidsmarkt & Opleiding. Hierover zult u mogelijk ook op uw huisadres post van het A&O ontvangen.

2.6.

In augustus 2018 is [gedaagde] afgestudeerd.

2.7.

Op 23 november 2018 sluiten partijen opnieuw een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2019. In de overeenkomst staat onder andere:

Art. 2

In aanvulling op de bepalingen uit deze arbeidsovereenkomst bent u gehouden aan de afspraken zoals die zijn vastgelegd in het actuele internet- en emailprotocol en het huisreglement.

(…)

Art. 5

Het dienstverband is aangegaan voor een periode van een jaar en eindigt van rechtswege op 31 december 2019.

2.8.

[gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2019 opgezegd.

2.9.

Op 15 juli 2019 heeft [HR Manager] een brief aan [gedaagde] verstuurd. In de brief staat:

in 2017/2018 heb jij de deeltijdopleiding Associate Degree Elektrotechnicus/Embedded Systems bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen gevolgd. [eiser] Medical heeft voor jou het verschuldigde collegegeld 2017/2018, te weten € 3.566,67, vergoed. Er is met jou een terugbetalingsregeling afgesproken in de brief van 6 juli 2018 (…).

Je bent op 1 juli 2019 uit dienst gegaan bij [eiser] Medical. Dit houdt in dat de terugbetalingsregeling van kracht is gegaan. Conform de terugbetalingsregeling dien je 100% van de opleidingskosten terug te betalen. Wij vragen je het bedrag van € 3.566,67 uiterlijk vóór 31 augustus 2019 op ons rekeningnummer (…) te storten.

2.10.

Op 29 juli 2019 heeft [gedaagde] een e-mail aan [eiser] verstuurd. In de e-mail stat:

19 juli ontving ik brief (…) waarin wordt verzocht om het bedrag van € 3566,67 aan studiekosten terug te betalen. Tevens was de brief bijgevoegd (…) waarin wordt aangegeven dat de studiekosten zijn ingediend bij het CAO opleidingsfonds Stichting A&O. Waarschijnlijk is deze terugvordering aan mij een vergissing want volgens het cao A&O Metalektro 2015-2018 artikel 2 punt h pagina 174, mogen gesubsidieerde kosten niet alsnog bi de werknemer worden geclaimd, zie onderstaand citaat:

‘h. bij het eventueel overeengekomen studiekostenbeding met terugbetalingsregeling mogen de kosten ter hoogte van de door de stichting betaalde vergoeding net worden teruggevorderde van de werknemer

2.11.

Op 5 augustus 2019 heeft [HR Advisor], HR Advisor bij [eiser], een e-mail aan [gedaagde] gestuurd. In de e-mail staat:

We hebben naar jouw casus gekeken en we hebben jouw studie inderdaad ingediend bij het A+O fonds om daarvoor subsidie te krijgen. Helaas is onze aanvraag afgewezen, omdat je de studie al was begonnen.

Een van de voorwaarden van de vergoeding is namelijk dat de aanvraag binnen 6 maanden na start van de studie is ingediend.

Wij hebben van jou het bewijs van inschrijving pas in juni 2018 ontvangen. Het schooljaar was echter in september 2017 al begonnen.

Wij hebben deze vergoeding, waar artikel 2 punt h pagina 174 het over heeft, dus niet ontvangen. Daarom verzoeken wij je om de studiekosten, conform de terugbetalingsregeling, alsnog terug te betalen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen € 4.149,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2020, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. De vordering bestaat uit een bedrag van € 3.566,67 aan hoofdsom en € 582,82 aan buitengerechtelijke kosten.

3.2.

[eiser] baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. [eiser] heeft het collegegeld van de door [gedaagde] gevolgde studie voor het collegejaar 2017/2018 volledig voldaan. [gedaagde] heeft daarna minder dan een jaar na het eindigen van die studie bij [eiser] zijn arbeidsovereenkomst beëindigd, zodat hij op grond van het studiekostenbeding het volledige door [eiser] betaalde bedrag aan [eiser] verschuldigd is.

3.3.

[gedaagde] betwist dat het door [eiser] overgelegde huisreglement hetzelfde is als aan hem is vertrekt. Daarnaast voert hij aan dat het studiekostenbeding niet voldoet aan de vereisten daarvoor. Verder voert hij aan dat hij erop mocht vertrouwen dat [eiser] subsidie voor zijn studie had aangevraagd en die had gekregen, zodat hij geen rekening hoefde te houden met het studiekostenbeding. Pas na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] meegedeeld dat zij geen subsidie heeft ontvangen. Blijkbaar heeft [eiser] ook niet, op advies van [gedaagde], subsidie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aangevraagd terwijl dat wel mogelijk was geweest en ook eerder een gespreksonderwerp was. Als hij had geweten dat [eiser] geen subsidie had gekregen, had hij nog kunnen onderhandelen met zijn nieuwe werkgever over het overnemen van de studiekosten, aldus [gedaagde]. [gedaagde] voert ook aan dat [eiser] geen zekerheid heeft verstrekt over zijn arbeidsovereenkomst, door hem een tijdelijk arbeidsovereenkomst aan te bieden in plaats van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verder was het volgen van de studie in het belang van [eiser], aldus [gedaagde]. De vordering van [eiser] is volgens [gedaagde] ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] vraagt ook om vergoeding van de door hem gemaakte (proces)kosten.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft niet onderbouwd dat hij een andersluidend huishoudelijk reglement zou hebben gekregen op zijn eerste werkdag bij [eiser] dan degene die nu door [eiser] in deze procedure is overgelegd. Dat [gedaagde] het huishoudelijk reglement niet ten tijde van het tekenen van de arbeidsovereenkomst, maar op zijn eerste werkdag heeft ontvangen, maakt niet dat het daarom niet geldt. [gedaagde] ging zelf ook uit van geldigheid aangezien hij een beroep heeft gedaan op het studiekostenbeding in het voorjaar van 2018. Het door [eiser] overgelegde huishoudelijk reglement is dus tussen partijen overeengekomen.

4.2.

Partijen verschillen van mening of het studiekostenbeding, nu terugbetaling is gevorderd, onverkort zou moeten gelden tussen partijen.

4.3.

Het studiekostenbeding is niet specifiek geregeld in de wet. Door de rechtspraak (de arresten Muller/Van Opzeeland HR 10 juni 1983, NJ 1983/796 en HR 5 juni 1987, NJ 1987/795) zijn er beperkingen gesteld aan een dergelijk beding. Voor zover relevant in deze zaak en kort samengevat geldt dat het beding moet voldoen aan de volgende voorwaarden;

-de terugbetalingsverplichting dient te verminderen naar evenredigheid met het voortduren van de arbeidsovereenkomst na afronding van de opleiding (de glijdende schaal).

-de terugbetalingsregeling moet aan de werknemer duidelijk zijn uiteengezet.

-de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de werkgever zich daar niet op kan beroepen onder bepaalde omstandigheden.

Daarnaast kan in het kader van artikel 7:611 BW meewegen of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd geldt. Als het beding is opgenomen in een overeenkomst voor bepaalde tijd is de kans op nadelige effecten immers groter en mag van een goed werkgever worden verlangd dat deze de werknemer expliciet wijst op de nadelige effecten van het beding (zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2017, ECLIN:NL:RBAMS:2017:65.)

4.4.

Het studiekostenbeding voldoet aan het vereiste van de glijdende schaal. De terugbetalingsverplichting wordt immers in vier jaar geleidelijk afgebouwd van 100% naar 0%. Verder is de terugbetalingsverplichting ook duidelijk aan [gedaagde] uiteengezet blijkens de berichten van [eiser] aan [gedaagde] van 26 april 2018 en 6 juli 2018 (r.o. 2.3. en 2.5.). Aan de eerste twee beperkingen is dus voldaan. Nu [gedaagde] binnen een jaar na het eindigen van zijn studie zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, is hij daarom in beginsel gehouden conform het studiekostenbeding het collegegeld van € 3.566,67 aan [eiser] terug te betalen.

4.5.

De vraag is echter of [eiser] in het kader van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) en/of op grond van de redelijkheid en billijkheid in dit specifieke geval een beroep kan doen op het studiekostenbeding en 100% van de studiekosten kan vorderen. In dit geval is sprake van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd, die eenmaal is verlengd. Het studiekostenbeding drukt daarom zwaarder op de rechtsverhouding dan wanneer [eiser] een contract voor onbepaalde tijd aan [gedaagde] had aangeboden. [gedaagde] heeft - onvoldoende weersproken door [eiser] - betoogd dat hij niet rekende op nog een verlenging van zijn dienstverband aangezien hij geen salarisverhoging kreeg en slechts ‘voldoende’ scoorde bij zijn beoordeling in oktober 2018. Het lag dus voor de hand dat hij gedurende het tweede arbeidsjaar op zoek ging naar een andere baan. Daarnaast heeft [eiser] [gedaagde], in navolging van de laatste zin van de brief van 6 juli 2018 over het opleidingsfonds Stichting Arbeidsmarkt & Opleiding, niet meer geïnformeerd over de voortgang van de aanvraag voor de subsidie. Naar inmiddels is gebleken, kon [eiser] die aanvraag niet eens indienen omdat de periode daarvoor verstreken was. Dit is evenwel nooit aan [gedaagde] meegedeeld. Daarnaast heeft [gedaagde] onweersproken betoogd dat in het voorjaar van 2018 tevens tussen hem en [eiser] is besproken dat er ook een mogelijkheid bestond voor het aanvragen van een overheidssubsidie (bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland/RVO). [gedaagde] heeft dit onderbouwd met een email van een HRM medewerker van [eiser] van 2 maart 2020. Door [eiser] is hier alleen in meer algemene zin tegenover gesteld dat zij nooit subsidie aanvraagt bij RVO. Daarmee is niet weggenomen dat ook subsidie via RVO een gespreksonderwerp is geweest tussen partijen, waarover door [eiser] geen terugkoppeling aan [gedaagde] is gegeven. Juist omdat het studiekostenbeding financiële gevolgen voor [gedaagde] heeft en [eiser] bij het verkrijgen van de subsidie de studiekosten niet van [gedaagde] zou terugvragen, mocht het van [eiser] verwacht worden dat zij [gedaagde] over de mogelijkheden van het krijgen van subsidie verder zou informeren. Nu zij dit heeft nagelaten, had [gedaagde] niet alle relevante informatie om een goed geïnformeerde keuze te maken om zijn arbeidsovereenkomst al dan niet uit te dienen of de studiekosten als onderhandelingspunt voor te leggen aan zijn nieuwe werkgever. Het getuigt daarom niet van goed werkgeverschap om 100% van de studiekosten aan [gedaagde] in rekening te brengen. Aan de andere kant geldt dat [gedaagde] zijn studie al begonnen was voordat hij bij [eiser] in dienst was getreden en dat hij al een derde van het collegejaar had gevolgd voordat hij in dienst is getreden. De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat [eiser] geen beroep toekomt op 50% van de in rekening gebrachte studiekosten. [eiser] kan dus slechts aanspraak maken op terugbetaling van 50% van de door haar betaalde studiekosten. De gevorderde hoofdsom wordt daarom tot een bedrag van € 1.783,34 toegewezen.

4.6.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

4.7.

De gevorderde rente wordt toegewezen over € 1.783,34 zijnde de hoofdsom, daar voor toewijzing van de rente over een hoger bedrag geen grondslag aanwezig is.

4.8.

In de gewezen arbeidsverhouding tussen partijen en het gegeven dat beide deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Iedere partij draagt dus zijn eigen proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.783,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op