Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4890

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
05/145774-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Forse gevangenisstraf voor steekincident.

De rechtbank Gelderland heeft vandaag aan een 23-jarige man uit Nijmegen een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/145774-20

Datum uitspraak : 22 september 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats] , ingeschreven aan de [adres 1] , thans gedetineerd te P.I. Arnhem,

raadsvrouw: mr. B. Willemsen, advocaat te Lent.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2020, te Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlichaam te steken of te stoten, althans te treffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2020, te Nijmegen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote steekwond in het bovenlichaam en/of een klaplong, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het bovenlichaam te te steken of te stoten, althans te treffen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2020, te Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer] met een mes, althans met scherp en/of puntig voorwerp, in het bovenlichaam te steken en/of te stoten, althans te treffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (primair tenlastegelegd). Hiertoe is aangevoerd dat verdachte door aangever nabij zijn oksel – waar zich vitale organen bevinden – te steken, een aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen en heeft aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit. Hiertoe is ten eerste aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte bij het feit niet kan worden bewezen. Verdachte heeft ontkend de persoon te zijn geweest die aangever [slachtoffer] heeft gestoken.

Indien wordt aangenomen dat aangever wel door verdachte is gestoken, kan het opzet op de dood – al dan niet in voorwaardelijke zin – niet worden bewezen.

Tot slot is opgemerkt dat het letsel van aangever niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Beoordeling door de rechtbank

Naar aanleiding van een melding van een steekincident op de [straatnaam] (ter hoogte van de [naam 1] ) in Nijmegen op 23 mei 2020 omstreeks 00:50 uur gingen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse. Toen zij omstreeks 00:55 uur arriveerden, zagen zij op de oprit naar het bedrijf [naam 2] , gevestigd aan de [adres 2] te Nijmegen, een personenauto (een [automerk] met kenteken [kenteken] ) met drie personen – [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] – staan. Een vierde persoon, [slachtoffer] , kwam voorovergebogen van de auto vandaan lopen.

Toen [slachtoffer] zijn hand onder zijn oksel weghaalde, zagen de verbalisanten in zijn linker oksel een snee ter grootte van ongeveer 2,5 centimeter. De hand, kleding en borst van [slachtoffer] zaten onder het bloed. Op de vraag hoe dit was gebeurd, antwoordde [slachtoffer] dat hij was gestoken door verdachte.2

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 23 mei 2020 met [naam 5] rondjes reed in zijn [automerk] (met kenteken [kenteken] ) en ze bij de [naam 2] in Nijmegen, naast de [naam 1] , kwamen. Op het fietspad erlangs reden op dat moment – naast ook [naam 4] en een Marokkaanse jongen uit [naam 6] – verdachte en [naam 7] samen op een scooter. [naam 7] was de bestuurder en verdachte zat achterop. Ze kwamen naar de auto toe, waar

aangever verdachte weigerde een ‘boks’ te geven. Er was te veel gebeurd.

Vervolgens ontstond een “akkefietje”. Op een gegeven moment zag aangever dat verdachte, nadat hij zijn rechter hand in zijn heuptasje had, een mes trok. Het was een mes met een afmeting van ongeveer vijfentwintig centimeter. Het snijvlak was ongeveer vijftien centimeter, aldus aangever. Verdachte maakte direct een zwaaiende beweging in zijn richting. Meteen daarna voelde aangever het branden in zijn borst, onder zijn linkerarm, en had hij pijn. Hij wist dat hij gestoken was.3

Hoewel aangever vrijwel direct na het incident verdachte aanwijst, ontkent verdachte deze nacht bij de [naam 1] / [naam 2] te zijn geweest en daar aangever met een mes te hebben gestoken. Verdachte verklaart dat hij uit wraak voor een mislukte drugsdeal omstreeks juni 2019 – waar ook aangever bij betrokken was – wordt aangewezen. Over waar hij is geweest in de nacht van 23 mei 2020 verklaart verdachte ter zitting dat hij bij een vriendin van zijn moeder voorbereidingen heeft getroffen voor zijn verjaardag en hij daar tot 01:30-02:00 uur is gebleven. Hij heeft dit niet eerder verklaard, aangezien hij zich dit eerder niet heeft gerealiseerd en hij zijn vertrouwen in de politie heeft verloren. De rechtbank overweegt dat niet alleen verdachte dit niet eerder heeft verklaard, maar ook dat zijn verklaring op geen enkele wijze bevestiging vindt in het dossier. Daartegenover staan de verklaringen van meerdere getuigen die de verklaring van aangever ondersteunen.

Getuigen

De getuige [naam 5] heeft verklaard dat verdachte aangever door middel van een ‘boks’ wilde begroeten en aangever dat weigerde. De getuige wist dat aangever en verdachte een verleden hadden. Over het incident zelf verklaart de getuige dat hij verdachte met zijn rechter arm een slaande beweging naar de linkerzijde van het lichaam van aangever zag maken. De getuige zag daarop dat aangever direct naar de linkerzijde van zijn lichaam, onder zijn oksel, greep. Er was al snel bloed te zien. Nadat de jongen die bij verdachte was het vest van aangever om zijn lijf bond om de wond dicht te houden, reed hij samen met verdachte (achterop) weg.

Over het incident verklaart de getuige tot slot nog dat verdachte, voor de laatste uithaal naar aangever, iets bij zijn middel deed. Verdachte had een heuptasje om.4

Eén van de andere aanwezigen is de getuige [naam 4] . Hij heeft verklaard dat er bij het postsorteercentrum aan de [straatnaam] in Nijmegen een ruzie ontstond toen de man met de [automerk] (de rechtbank begrijpt: aangever) weg wilde rijden. Hij zag een steekbeweging.5

[naam 8] heeft verklaard over een gesprek met verdachte op 25 mei 2020, nadat verdachte kort daarvoor toevallig voorbij reed. De getuige vroeg waarom verdachte “ [naam 9] ”, aangever, had neergestoken. Verdachte legde uit dat hij boos was geworden, omdat aangever hem zaterdag (rechtbank: 23 mei 2020) niet wilde groeten. Daarom was het uit de hand gelopen.6

Tot slot heeft [naam 7] zowel bij de politie als ter terechtzitting een verklaring afgelegd.

Bij de politie heeft de getuige op 2 juni 2020 verklaard dat hij wist dat er al langere tijd onenigheid tussen wat jongens was. Toen hij met de scooter naar de auto bij de [naam 1] reed, ging het gelijk fout tussen aangever en de jongen die bij hem achterop zat. De getuige verklaart dat aangever opeens op één knie ging zitten en met zijn rechter hand naar zijn linker oksel greep. Toen de getuige zag dat er bloed onder zijn oksel uit liep, wist hij dat aangever gestoken was. Hij knoopte het vest strak om de wond – waar ook de getuige [naam 5] over heeft verklaard – en zei tegen de jongen die bij hem achterop zat (jongen 1): “Wat heb je nou gedaan”. Vervolgens was hij, met deze jongen achterop, weggereden. De jongen (jongen 1) bleef schelden en zei dat hij er spijt van had.7

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon was die achterop de scooter bij [naam 7] zat en met wie aangever [slachtoffer] onenigheid had. Verdachte is de persoon geweest die aangever [slachtoffer] vervolgens heeft gestoken. De vervolgvraag is of daarmee sprake is van een poging doodslag dan wel van zware mishandeling (of een poging daartoe). Voor de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank eerst nader ingaan op het letsel.

Letsel

Voor wat betreft het letsel overweegt de rechtbank dat op 28 mei 2020 nader onderzoek door de forensisch arts [naam 10] is gedaan. De forensisch arts rapporteert dat sprake is van een steekwond in de linker borsthelft/oksel. Dit heeft geleid tot een longscheur in de linker longtop met een klaplong en bloed in de borstkas tot gevolg. Hiervoor is een borstdrain geplaatst. Op 1 juni 2020 heeft aangever het ziekenhuis verlaten.8 Aangever heeft tot op heden last van de verwonding. Verder is hij door zijn mindere longcapaciteit beperkt in zijn functioneren.9

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat aangever ter hoogte van de linker oksel is gestoken. Niet duidelijk is of verdachte gericht op de borst van aangever en/of met kracht heeft gestoken. Evenmin volgt uit de letselrapportage en de overige stukken dat door het steken daadwerkelijk een aanmerkelijke kans op de dood in het leven is geroepen en deze vervolgens ook is aanvaard. Het enkele feit dat achteraf kan worden vastgesteld dat is gestoken in de linker borsthelft, in dit geval ter hoogte van de oksel, waar zich in zijn algemeenheid vitale organen bevinden, acht de rechtbank hiervoor in dit concrete geval onvoldoende. Zij zal verdachte dan ook vrijspreken van de poging tot doodslag (zoals primair tenlastegelegd).

Voor wat betreft het letsel overweegt de rechtbank dat door het steken nabij de linker oksel de bovenzijde van de linker long is geraakt met een klaplong en bloed in de borstkas tot gevolg. Medisch ingrijpen in de vorm van onder meer een drain is hiervoor noodzakelijk geweest. Aangever is tot 1 juni 2020 in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft tot op heden nog altijd pijnklachten en een verminderde longcapaciteit. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Verdachte heeft uit zijn heuptas een mes gepakt en aangever hiermee gestoken ter hoogte van zijn oksel, op welke hoogte zich meerdere vitale organen bevinden. Dergelijk handelen levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel (zoals het onderhavige letsel) op. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, het uit zijn heuptas halen van een mes en steken in het lichaam van aangever, heeft hij die kans ook bewust aanvaard. Daarmee is sprake van op zijn minst voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.

Daarmee acht de rechtbank de zware mishandeling, zoals subsidiair tenlastegelegd, bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2020, te Nijmegen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote steekwond in het bovenlichaam en/of een klaplong, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het bovenlichaam te steken of te stoten, althans te treffen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van subsidiair:

Zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de poging tot doodslag (primair tenlastegelegd) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk deel dient, aldus de officier van justitie, een contactverbod met aangever [slachtoffer] – zoals aangever ook aan de officier van justitie heeft verzocht – als bijzondere voorwaarde te worden verbonden. Hiertoe is aangevoerd dat het gaat om een ernstig feit met grote gevolgen. Verder is rekening gehouden met zowel de fysieke als psychische impact op aangever [slachtoffer] en de proceshouding van verdachte. Tot slot is meegewogen dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en nog jong is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in verband met de bepleite vrijspraak verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen vast verblijfadres heeft en graag een leven wil opbouwen met zijn vriendin.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 17 augustus 2020;

- een retourzending van Reclassering Nederland, gedateerd 11 juni 2019 (de rechtbank begrijpt: 2020);

- een NIFP-consult van [naam 11] , psychiater, gedateerd 9 juni 2020.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Toen aangever weigerde

verdachte te begroeten met een ‘boks’, ontvlamde verdachte en greep hij naar het mes in zijn

heuptasje. Niet alleen droeg verdachte kennelijk al dit mes bij zich, maar ook aarzelde hij

niet om het ook daadwerkelijk in te zetten en aangever hiermee te steken. Aangever heeft

hierdoor een steekverwonding bij zijn linker oksel opgelopen. Dit heeft niet alleen veel pijn, maar ook een klaplong, bloed in de borstholte en de noodzaak tot het aanbrengen van een drain tot gevolg gehad. Aangever heeft tien dagen in het ziekenhuis gelegen. Hij ondervindt nog altijd pijn aan de steekverwonding en wordt nog steeds in zijn dagelijks leven, met een verminderde longcapaciteit, beperkt. Verder heeft het feit ook psychisch veel impact op hem gehad, zoals onder meer ook volgt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.

Daarmee gaat het naar het oordeel van de rechtbank om een zeer ernstig feit, waarvoor zij alleen een gevangenisstraf passend acht. Verdachte heeft het feit ten stelligste ontkend.

Voor wat betreft de persoon van verdachte overweegt de rechtbank dat er geen inhoudelijke voorlichtingsrapportages tot stand zijn gekomen. Verdachte verklaart zelf dat hij, met uitzondering van hulp bij het vinden van een woning, geen behoefte heeft aan verdere begeleiding/behandeling.

Met betrekking tot het strafblad van verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte in 2018 en 2019 is veroordeeld voor diefstal in vereniging (’s nachts), een vernieling en het aanwezig hebben van harddrugs (artikel 2 onder C van de Opiumwet). Verder is verdachte in 2015 eerder veroordeeld voor het medeplegen van mishandeling en heeft hij in 2012 een transactie aangeboden gekregen voor mishandeling.

Op grond van al het voorgaande en in het bijzonder het zeer lichtvaardige overgaan tot het grijpen van en vervolgens steken met het mes, acht de rechtbank een forse gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel als stok achter de deur aangewezen. Met het oog op de voorgeschiedenis van aangever en verdachte en het verzoek van aangever aan de officier van justitie, zal de rechtbank aan dit voorwaardelijk deel ook een contactverbod – met toezicht daarop door de politie – verbinden.

Alles afwegende acht de rechtbank, met een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en ook met het oog op straffen in soortgelijke zaken, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een contactverbod (en met aftrek van het voorarrest) passend. Aan het voorwaardelijk deel zal zij in deze concrete situatie – waarbij lichtvaardig is overgegaan tot het steken met een mes – een proeftijd van drie jaar, zoals ook het uitgangspunt luidt,

verbinden.

Gelet op al het voorgaande zal zij niet overgaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Dit verzoek zal worden afgewezen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder subsidiair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 11.969,49 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dit gehele bedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met uitzondering van de toekomstige schade – en daarmee tot een bedrag van € 2.782,79 aan materiële schade en € 5.500,00 aan immateriële schade – kan worden toegewezen. In het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Verder is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Hiertoe is in eerste instantie, primair, aangevoerd dat zij algehele vrijspraak heeft bepleit. Ten tweede is hiertoe opgemerkt dat de vordering niet van eenvoudige aard is en zich niet leent voor een behandeling in het kader van het strafproces.

Indien het voorgaande niet wordt gevolgd, is verzocht de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige schade niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Daartoe is aangevoerd dat de duur van het toekomstige ziekteverzuim van de benadeelde onvoldoende is onderbouwd.

Met betrekking tot de gederfde inkomsten is verder verzocht dit bedrag te beperken tot het gemiste salaris voor de duur van zes weken, conform de verwachte herstelperiode in de geneeskundige verklaring. Tot slot is bij de beoordeling van de immateriële schade verzocht de aanleiding in de beoordeling mee te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf

Voorafgaand overweegt de rechtbank dat de wet slachtoffers (die rechtstreeks schade lijden door een bewezenverklaard strafbaar feit) een voor wat betreft de hoogte van de vordering onbegrensde mogelijkheid biedt om binnen het strafproces – zelfs op de zitting – een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De wet laat daarbij de mogelijkheid open dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in een vordering verklaart als de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Hierbij dient onder meer te worden meegewogen of de verdediging redelijkerwijs voldoende in staat is geweest verweer tegen de vordering te voeren. Hoewel de omvangrijke vordering pas een dag voor de terechtzitting is ingediend en voorstelbaar is dat de verdediging zich overvallen voelt, biedt de wet geen mogelijkheden om op die grond de vordering niet in behandeling te nemen.

Aangezien de schadeposten naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate op basis van de overlegde stukken kunnen worden beoordeeld, ziet zij in de omvang geen aanleiding om de vordering als onevenredig belastend voor het strafproces te beschouwen. Nu verder ook sprake is van een veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde, de zware mishandeling, kan de vordering dan ook inhoudelijk worden besproken.

Materiële schade

Geleden schade

De volgende schadeposten zijn door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Nu de schadeposten naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen, is zij van oordeel dat deze schadeposten geen onevenredige belasting vormen voor het strafproces en de vordering voor wat betreft deze posten kan worden toegewezen: € 385,00 (eigen risico 2020 zorgverzekering), € 14,02 (medicatie), € 300,00 (daggeldvergoeding ziekenhuis) en € 150,00 (kleding).

Met betrekking tot de gederfde inkomsten, inhoudende bedragen van € 783,32 ( [naam 12] / [naam 13] ) en € 1.125,49 ( [naam 14] ) overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel de duur van het ziekteverzuim en de hoogte van de daardoor gemiste inkomsten voldoende is onderbouwd en aannemelijk is geworden. Zij acht ook deze posten toewijsbaar.

Daarmee kan voor wat betreft de reeds geleden materiële schade een totaalbedrag van € 2.757.83 worden toegewezen. Voor wat betreft de resterende reiskosten (€ 24,96) overweegt de rechtbank dat deze kosten zijn aan te merken als proceskosten. Zij komt hier nog op terug.

Toekomstige schade
Voor wat betreft de toekomstige gederfde inkomsten van [naam 12] / [naam 13] (€ 1.253,31) en [naam 14] (€ 1.688,23) overweegt de rechtbank

dat naar haar oordeel onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde als gevolg van dit strafbare feit in de toekomst nogmaals vierentwintig weken niet in staat zal zijn te werken. Dit geldt nog te meer nu in de initiële geneeskundige verklaring een verwacht herstel van twee tot zes weken is genoemd (p. 23). Nu nader onderzoek naar deze posten een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in deze onderdelen van de vordering verklaren.

Met betrekking tot de betwiste schadepost reiskosten hoger beroep (€ 200,00) overweegt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten in de toekomst daadwerkelijk als gevolg van dit feit zullen worden gemaakt. Gelet daarop zal zij de benadeelde partij voor wat betreft deze schadepost ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij kan derhalve haar vordering voor de voornoemde onderdelen slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voor wat betreft de gevorderde toekomstige schade met betrekking tot het eigen risico in 2021 (€ 385,00) en de (toekomstige) reiskosten naar de psycholoog (€ 160,16) overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het naar verwachting langdurige behandeltraject (11 sessies) bij de psycholoog acht de rechtbank bij een weging van goede en kwade kansen voldoende aannemelijk geworden dat deze kosten – als direct gevolg van het feit – zullen worden gemaakt. Zij acht de vordering voor wat betreft deze posten (totaal: € 545,16) dan ook toewijsbaar.

Immateriële schade

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt de rechtbank dat door het steken met het mes bij de benadeelde letsel is ontstaan. Naast de steekverwonding op zichzelf, is ook de bovenzijde van de linker long geraakt. Dit heeft zoals overwogen een klaplong en bloed in de borstkas tot gevolg gehad. Benadeelde heeft totaal tien dagen in het ziekenhuis gelegen en ondervindt nog altijd lichamelijke klachten hiervan. Hij heeft onder meer pijn bij hoesten/niezen en kan nog altijd niet sporten.

Verder heeft het incident ook psychisch veel impact op de benadeelde gehad, zoals onder meer uit zijn schriftelijke verklaring bij de vordering volgt. Benadeelde heeft last van herbelevingen en flashbacks. Benadeelde is, aldus de stukken met betrekking tot de behandeling bij de psycholoog, afwezig, heeft concentratieproblemen, nachtmerries en is in de auto (waarbij het incident heeft plaatsgevonden) en in openbare gelegenheden alert en paraat. Er worden aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis – de rechtbank begrijpt causaal aan het incident – aangenomen. Hiervoor wordt benadeelde met een EMDR-therapie behandeld.

Voor wat betreft een eventuele aanleiding in de vorm van bijvoorbeeld een eerder mislukte drugsdeal overweegt de rechtbank dat nog daargelaten dat dit verder niet aannemelijk is geworden, zij hierin evenmin een aanleiding ziet een aandeel van de benadeelde (in de vorm van bijvoorbeeld eigen schuld) aan te nemen.

Gelet op al dit voorgaande, ook afgewogen tegen bedragen die in soortgelijke zaken zijn toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade op een bedrag van € 2.500,00 begroten.

Wat betreft het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan derhalve de vordering voor dit onderdeel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Concluderend

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 5.802,99 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar, conform de landelijke oriëntatiepunten, niet bij inbegrepen.

Wettelijke rente en proceskosten

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 23 mei 2020.

De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de reiskosten die zij heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting (en daarbij onder meer ter verkrijging van schadevergoeding). De rechtbank is van oordeel dat deze kosten (€ 24,96) voor toewijzing in aanmerking komen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

o zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

o gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] , op dit moment wonende aan de [adres 3] ), zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (subsidiair)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het subsidiaire feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 5.802,99 (vijfduizendachthonderdtwee euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 24,96;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.802,99 (vijfduizendachthonderdtwee euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 64 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. S.M.A. Lestrade, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, Districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer 1] (onderzoek [naam 15] / [nummer 2] ), gesloten op 15 juni 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 9.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 18 t/m 20 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 16.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , p. 34-35.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , p. 26.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] , p. 32-33.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , p. 37-38.

8 Letselrapportage, p. 55-56.

9 De schriftelijke slachtofferverklaring zoals gevoegd bij de vordering van aangever [slachtoffer] .