Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4881

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
05/195992-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/195992-19

Datum uitspraak : 21 september 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag 1] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman: mr. L.P. Quist, advocaat te Dordrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 september 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2011 tot en met 14 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten:

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis in de mond van die [benadeelde] ;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2011 tot met 14 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

  • -

    het brengen van hand van die [benadeelde] op de broek, ter hoogte van zijn, verdachtes penis en/of

  • -

    het betasten van de penis van die [benadeelde] en/of

  • -

    het aftrekken van de penis van die [benadeelde] en/of

  • -

    het door die [benadeelde] laten aftrekken van zijn, verdachtes penis en/of

  • -

    het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis tegen de anus van die [benadeelde] en/of

  • -

    het in de mond nemen/pijpen van de penis van die [benadeelde] en/of

  • -

    het door die [benadeelde] laten brengen/duwen van diens penis tegen zijn, verdachtes anus.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 22, 23, 25;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 75;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 september 2020.

De rechtbank overweegt aanvullend dat de door verdachte erkende ten laste gelegde gedragingen als ontuchtig worden aangemerkt.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2011 tot en met 14 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten:

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis in de mond van die [benadeelde] ;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2011 tot en met 14 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

  • -

    het brengen van hand van die [benadeelde] op de broek, ter hoogte van zijn, verdachtes penis en/of

  • -

    het betasten van de penis van die [benadeelde] en/of

  • -

    het aftrekken van de penis van die [benadeelde] en/of

  • -

    het door die [benadeelde] laten aftrekken van zijn, verdachtes penis en/of

  • -

    het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis tegen de anus van die [benadeelde] en/of

  • -

    het in de mond nemen/pijpen van de penis van die [benadeelde] en/of

  • -

    het door die [benadeelde] laten brengen/duwen van diens penis tegen zijn, verdachtes anus.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

ten aanzien van feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de omstandigheid dat de ten laste gelegde feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, dat verdachte het verkeerde van zijn handelen is gaan inzien en de aangever een royale schadevergoeding heeft aangeboden. Daarnaast heeft de raadsman verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen, gelet op de verstrekkende gevolgen voor verdachte, waarbij de raadsman - onderbouwd - heeft gewezen op de suïcidale gedachten bij verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 6 augustus 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 28 augustus 2020.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, van een jongen tussen de twaalf en zestien jaren. Dat hij hierbij ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van deze kwetsbare jongen – die naar hem toe was gekomen om te praten over mogelijke homoseksuele gevoelens – rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Anderzijds slaat de rechtbank acht op het feit dat er sprake is van een lang tijdsverloop tussen het plegen van de ten laste gelegde feiten en het onderzoek ter terechtzitting. Ook heeft verdachte een blanco strafblad, heeft hij uitdrukkelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en oprecht berouw getoond en heeft hij uit eigen beweging een schadevergoeding aan het slachtoffer betaald. Daar komt bij dat verdachte eigener beweging professionele hulp heeft gezocht en gedurende de sinds de delicten verstreken jaren een nieuwe, positieve wending aan zijn leven heeft gegeven, waardoor voor herhaling van dergelijke feiten niet meer te vrezen valt.

Ook de reclassering concludeert dat de kans op recidive laag wordt ingeschat en dat er geen aanwijzingen zijn dat betrokkene een seksuele voorkeur heeft voor minderjarige jongens.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet wel reden om verdachte, naast de maximale taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als signaal dat het om ernstige feiten gaat en als waarschuwing richting verdachte om herhaling te voorkomen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald, te weten:

 dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een taakstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoedeman (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Roelfsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018536853-8, gesloten op 30 juli 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.