Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4683

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
20_4603
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhavend op te treden tegen de NS op grond van artikel 2.7 van de Noodverordening COVID-19. De principiële vraag of verzoeker belanghebbende in de zin van de Awb is, leent zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4603

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2020

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

de Voorzitter van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid te Nijmegen, verweerder.

(gemachtigde: P.F.A.M. van Diemen)

Procesverloop

Bij brief van 25 augustus 2020 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn e-mail van 1 juli 2020 niet is aan te merken als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen en dat daarom geen besluit wordt genomen.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft online plaatsgevonden op 14 september 2020. Verzoeker is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter of er aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen in verband met het door verzoeker gedane verzoek om handhavend op te treden tegen de Nederlandse Spoorwegen (NS).

1.1.

De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak eerst beoordelen of de brief van 25 augustus 2020 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor is van belang of verzoeker is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

1.2.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemzaak niet.

Wat is de achtergrond van deze zaak?

2. Verzoeker moet vanwege zijn (vitale) werk dagelijks met het openbaar vervoer van [woonplaats] naar Amsterdam reizen. Op 1 juli 2020 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek ingediend om met spoed handhavend op te treden tegen de NS. Volgens verzoeker is het als gevolg van het door de NS gevoerde beleid voor OV-reizigers onvoldoende mogelijk om veilig (dat wil zeggen, met inachtneming van 1,5 meter afstand tot andere reizigers) te reizen. Daarmee schendt de NS volgens verzoeker artikel 2.7, eerste lid, van de Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Gelderland-Zuid (de Noodverordening) van 1 juli 2020. Verzoeker wijst er daarbij op dat alle zitplaatsen toegankelijk zijn gemaakt, dat fietsvervoer is toegestaan en dat niet-essentiële treinreizen worden gestimuleerd door bijvoorbeeld samenreiskorting te bieden.

2.1.

In de brief van 25 augustus 2020 staat dat verweerder geen besluit neemt, omdat verzoeker niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Awb.

Waarom is verzoeker het hier niet mee eens?

3. Verzoeker stelt – kort samengevat – dat hij wel als belanghebbende is aan te merken en dat verweerder dus ook moet beslissen op zijn verzoek om handhaving. Verzoeker stelt dat in zijn geval sprake is van een objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang. Hij wijst erop dat hij een gezondheidsrisico loopt, doordat de NS het hem niet mogelijk maakt om 1,5 meter afstand van zijn medereizigers te houden. Verder stelt verzoeker dat OV-reizigers zich onderscheiden van andere mensen doordat zij gebruik maken van het openbaar vervoer, en dat hij zich van andere OV-reizigers onderscheidt doordat zijn gebruik van de trein een zekere mate van essentie heeft. Dit omdat de treinreis voor hem – anders dan voor bijvoorbeeld dagjesmensen – noodzakelijk is in verband met zijn werk.

Is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?
4. De voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald wanneer de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen. Daarvoor moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo moet bezwaar zijn gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verder wordt alleen een voorlopige voorziening getroffen als "onverwijlde spoed" dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. Van onverwijlde spoed is bijvoorbeeld sprake als een besluit onomkeerbare gevolgen heeft en een (in dit geval) besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht.

4.1.

Verzoeker heeft een verzoek om handhaving gedaan. Dit is te zien als een aanvraag, een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen, zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Hieruit volgt dat vereist is dat verzoeker is aan te merken als ‘belanghebbende’.

4.2.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak1 moet verzoeker, om als belanghebbende in zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door – in dit geval – de gestelde schending van artikel 2.7, eerste lid, van de Noodverordening.

4.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker geen belanghebbende is en dat de brief van 25 augustus 2020 geen besluit is. Het belang van verzoeker is volgens verweerder niet te onderscheiden van dat van een grote groep anderen, namelijk alle reizigers die gebruik maken van de NS. Daarom is hij niet aan te merken als belanghebbende in de zin van de Awb. Omdat verzoeker geen belanghebbende is, is volgens verweerder ook geen sprake van een verzoek tot het nemen van een besluit.

4.4.

Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij stelt, zoals hiervoor onder 3. al beschreven, dat hij wel belanghebbende is en dat verweerder dus ook moet beslissen op zijn verzoek om handhaving.

4.5.

Het gaat bij deze zaak dus allereerst om de vraag of verzoeker wel of niet als belanghebbende is aan te merken. Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. In de rechtspraak is hierop geen eenduidig antwoord te vinden. Gelet op het principiële karakter van deze vraag, en gelet op de vérstrekkende consequenties die het oordeel van de voorzieningenrechter kan hebben, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording van de vraag of verzoeker belanghebbende is. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal daarom worden afgewezen.

5. Gelet op zijn gezondheidsbelang en de omstandigheid dat de drukte in de trein de laatste tijd lijkt toe te nemen, heeft verzoeker er belang bij dat hij op korte termijn duidelijkheid krijgt over de vraag of hij belanghebbende is, en daarmee over de vraag of verweerder een inhoudelijk besluit op zijn verzoek om handhaving moet nemen. Op de zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder toegezegd dat snel na de zitting een besluit op bezwaar kan worden genomen. Als dat besluit op bezwaar nog steeds gebaseerd is op het standpunt dat verzoeker geen belanghebbende is en dat daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om handhaving wordt toegekomen, en verzoeker tegen dat besluit beroep instelt, zal de rechtbank dit beroep met voorrang en op korte termijn behandelen. In die beroepsprocedure kan de rechtbank dan – behoudens hoger beroep – een definitief oordeel geven over de vraag of verzoeker belanghebbende is.

Conclusie

6. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is uitgesproken op:

De voorzieningenrechter is niet in staat deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 september 2018, overweging 3.1, ECLI:NL:RVS:2018:3107