Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4631

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
05/208983-19 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/208983-19 (ontneming)

Datum zitting : 26 augustus 2020

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 09 september 2020

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

raadsman: mr. M.G.W.M. Geurts, advocaat te Duiven.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op € 341.455,24

2 De procedure

Ter terechtzitting van 26 augustus 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 26 augustus 2020 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. M.G.W.M. Geurts, advocaat te Duiven.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie, mr. G.L.M. Verstegen, heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat vaststelt op € 296.048,-.

De officier van justitie gaat bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel uit van een periode van 3 jaren met 14 oogsten. Zij vindt het aannemelijk dat de oogsten telkens uit 198 planten hebben bestaan (in plaats van een hoeveelheid van 234 planten waar in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van uit is gegaan). Uitgaande van die hoeveelheid en uitgaande van het ‘overzicht standaardberekening wederrechtelijke verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ is sprake van een bruto opbrengst van € 23.450,53 per oogst en derhalve een bruto opbrengst van € 328.307,36 voor 14 oogsten. Zij vindt het verder aannemelijk dat er per oogst € 2.304,24 aan kosten is gemaakt. Het totale aantal kosten voor 14 oogsten komt gelet daarop uit op een bedrag van € 32.259,36.Het wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 oogsten komt daarmee volgens de officier van justitie uit op (€ 328.307,36 - € 32.259,36 =) € 296.048,-.

Subsidiair heeft de officier van justitie gesteld dat er bij de voordeelberekening moet worden uitgegaan van het gedeelte van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij in maart 2018 met de kwekerij zou zijn gestart. Uitgaande van die startdatum en een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken zou sprake zijn geweest van 7 oogsten (in de periode van maart 2018 tot en met 25 juli 2019). In dat geval komt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit op € 148.024,-.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde heeft verklaard dat hij twee oogsten heeft gehad waarvoor hij een bedrag van in totaal € 9.000,- heeft ontvangen, het bedrag dat ook contant bij hem thuis is aangetroffen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er meerdere oogsten zouden hebben plaatsgevonden. Bovendien kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte meer dan € 9.000,- voordeel heeft genoten. Er heeft geen onderzoek plaats gevonden naar de financiën van verdachte. Ook blijkt niet van een (luxe) levensstijl die niet verklaard kan worden op basis van zijn legale inkomsten. Indien een voordeelsontneming ten laste van veroordeelde wordt uitgesproken, dan is de verdediging gelet op het voorgaande van oordeel dat dit hooguit een bedrag van € 7.000,- kan behelzen. Het betreft het bedrag dat veroordeelde heeft ontvangen minus € 2.000,- aan kosten, gebaseerd op € 5,- kosten per hennepstek.

4 De beoordeling van de vordering

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 9 september 2020 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij hij is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren – onder meer – ter zake van het voorhanden hebben van voorwerpen, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

De bewijsmiddelen

In de kweekruimte is een zodanige vervuiling, te weten stof op voorwerpen en kalkafzetting, aangetroffen,2 dat de rechtbank concludeert dat sprake is van meerdere oogsten.

Veroordeelde heeft zelf verklaard hij de eerste planten rond maart 2018 heeft gekweekt.3 Volgens verdachte heeft hij na september 2018 geen hennep meer gekweekt. In de hoofdzaak heeft de rechtbank echter vastgesteld dat veroordeelde ook na die periode (in periode tussen 23 december 2018 en 25 juli 2019) heeft gekweekt. De rechtbank acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat veroordeelde ten minste drie keer heeft geoogst.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank dus van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte meer dan 3 keer heeft geoogst. Het uitgangspunt van artikel 36e van het Wetboek van strafrecht is dat alleen het voordeel dat daadwerkelijk in het vermogen van verdachte is gevloeid, kan worden ontnomen. Indien de officier van justitie wederrechtelijk verkregen voordeel wil ontnemen over een periode van 3 jaar was het aangewezen geweest om een berekeningsmethode te gebruiken die meer zekerheid biedt over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen vermogen, bijvoorbeeld een kasopstelling. Dit geldt te meer nu verdachte heeft verklaard dat hij uit zich zelf is gestopt met de teelt van hennep en de hennepkwekerij niet in bedrijf was toen deze werd aangetroffen.

Bruto opbrengst per oogst

De kweekruimte had een oppervlakte van 15,6 vierkante meter en in deze ruimte werden 198 met compost gevulde plantenbakken aangetroffen. Gemiddeld stonden er (afgerond) 13 planten per vierkante meter in de kweekruimte. Volgens de tabel van het Rapport Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 (voorheen: BOOM) is de gemiddelde opbrengst per plant bij 13 planten per vierkante meter 29,1 gram hennep per plant. Volgens hetzelfde rapport is de verkoopprijs minimaal € 4.070,- per kilogram hennep.

Dit levert de volgende berekening op:

198 planten x 29,1 gram hennep per plant = 5.761,80 gram hennep per oogst.

De bruto opbrengst per oogst bedraagt:

(5,7618 kilogram hennep x € 4.070,- =) € 23.450,53

Kosten per oogst

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte kosten heeft gemaakt voor knippers. Zij zal dan ook geen kosten voor knippers in mindering brengen op de opbrengst.

De in mindering te brengen kosten per oogst van de hennepkwekerij van veroordeelde zijn op basis van het rapport als volgt:

Afschrijvingskosten: € 150,- (Tabel pag. 20 rapport van FPA 1-06-2016)

Hennepstekken: € 754,38 (€ 3,81 per stek/plant)

Variabele kosten: € 768,24 (EUR 3,88 per stek/plant)

Totaal aan kosten: € 1.672,62

Netto opbrengst

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank vaststellen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel na aftrek van kosten moet worden geschat op:

Bruto opbrengst 3 oogsten x € 23.450,53 = € 70.351,59

Totale kosten 3 oogsten x € 1.672,62 = € 5.017,86 –

Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 65.333,73

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

Stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 65.333,73 (zegge: vijfenzestigduizend driehonderd en drieëndertig euro en drieënzeventig eurocent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 540 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 september 2020.

mr. S.H. Keijzer en mr. S. Jansen zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019413523, gesloten op 10 maart 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. 200; Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 335-336, 338-339.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 26 augustus 2020.