Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4611

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/05/369114 / HZ ZA 20-174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onterechte beëindiging van verstrekking pgb-gelden. Herziene beschikking tot uitbetaling pgb-gelden. Schade door vertraging in voldoening van een geldsom. Overschrijding redelijke termijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/369114 / HZ ZA 20-174

Vonnis van 16 september 2020

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te Zwolle,

2. [eiser 2],

wonende te Zwolle,

eisers,

advocaat mr. S.L. Smits-Emons te Echt,

tegen

de naamloze vennootschap

ZILVEREN KRUIS ZORGKANTOOR N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. M.H.D. Saro te Leiden.

Partijen zullen hierna [eisers] en het Zorgkantoor genoemd worden. De eisende partijen worden afzonderlijk aangeduid met [eiser 1] en [eiser 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 juli 2020

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 24 augustus 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 2] is de moeder van [eiser 1] en tot 19 januari 2015 wettelijke vertegenwoordiger van [eiser 1]. [eiser 1] is thans 23 jaar oud en meervoudig beperkt. [eiser 2] is zorgverlener van [eiser 1]. [eiser 1] woont bij [eiser 2]. Behalve [eiser 1] heeft [eiser 2] de zorg voor nog een zoon en twee dochters. [eiser 2] is alleenstaand.

2.2.

Tot 1 januari 2015 was het Zorgkantoor een verbindingskantoor in de zin van artikel 1 onder c van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering en heeft het Zorgkantoor de administratie van de AWBZ- zorg (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) uitgevoerd.

2.3.

Het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) heeft voor [eiser 1] een indicatie afgegeven vanaf 1 januari 2011 tot 1 mei 2016. Het Zorgkantoor heeft aan [eiser 1] een pgb (persoonsgebonden budget) toegekend. Over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 is een netto pgb toegekend van € 74.355,75. Over de periode van 1 januari 2013 tot 5 april 2013 is een netto pgb toegekend van € 18.335,00.

2.4.

Het Zorgkantoor heeft bij brief van 5 april 2013 (productie 1 van het Zorgkantoor) aan [eiser 2] meegedeeld dat het pgb ten name van [eiser 1] is beëindigd. De reden voor de beëindiging was het feit dat [eiser 2] bij twee andere budgethouders aan wie zij stelde zorg te verlenen oneigenlijk gebruik van het pgb heeft gemaakt. Het totaal oneigenlijke gebruik van deze beide budgethouders bedraagt € 95.789,78. Het Zorgkantoor vordert dit bedrag terug bij [eiser 2].

2.5.

Tegen de beëindigingsbeschikking heeft [eiser 2] bezwaar aangetekend. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar op 14 februari 2014 ongegrond verklaard, waarna [eiser 2] tegen deze beslissing beroep heeft aangetekend.

2.6.

Voordat op dit beroep is beslist, is het Zorgkantoor bij herziene beschikking van 25 september 2014 (productie 2 van [eisers].) teruggekomen op de beslissing tot beëindiging van het pgb van [eiser 1], omdat de beëindiging op onjuiste grond heeft plaatsgevonden.

2.7.

Nadat het Zorgkantoor de beslissing op bezwaar van 14 februari 2014 heeft herzien, heeft [eiser 2] haar beroep op 15 oktober 2014 ingetrokken met het verzoek aan de rechtbank om het Zorgkantoor in de kosten van de bezwaarprocedure te veroordelen.

2.8.

Bij brief van 27 oktober 2014 heeft het Zorgkantoor zich bereid verklaard om de proceskosten in beroep aan [eiser 2] te vergoeden. Daarop heeft [eiser 2] de rechtbank verzocht om een oordeel te geven over de verschuldigdheid door het Zorgkantoor van de kosten in de bezwaarprocedure.

2.9.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 november 2014 het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat het verzoek daartoe is gedaan voordat het Zorgkantoor op de bezwaren heeft beslist, zoals artikel 7:15 lid 3 Awb (Algemene wet bestuursrecht) vereist.

2.10.

Op 23 oktober 2014 is alsnog het pgb voor een bedrag van € 104.915,00 ten behoeve van [eiser 1] over de jaren 2013 en 2014 uitbetaald en op 8 maart 2015 is een bedrag van € 18.355,00 uitbetaald

2.11.

Bij brieven van 30 april en 14 juni 2018 heeft B. Balahan, boekhouder van [eiser 2], het Zorgkantoor aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiser 1] en van zijn zorgverlener [eiser 2] en aanspraak gemaakt op schadevergoeding.

2.12.

Naar aanleiding van de brief van 14 juni 2018 heeft het Zorgkantoor bij brief van 7 december 2018 toegezegd de wettelijke rente te vergoeden (productie 7 van [eisers]). Zij heeft de hoogte van de vergoeding vastgesteld op € 5.332,00. Vergoeding van de overige schadeposten heeft het Zorgkantoor afgewezen.

2.13.

Bij brief van 10 januari 2019 en aangevuld bij brief van 18 maart 2019 is bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het Zorgkantoor om alleen de wettelijke rente als schade te vergoeden.

2.14.

Op 20 mei 2019 heeft het Zorgkantoor een beslissing op bezwaar genomen. Zij heeft haar standpunten van 7 december 2018 gehandhaafd en de vorderingen tot vergoeding van schade afgewezen met uitzondering van de wettelijk rente, die reeds is betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eisers]. vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het Zorgkantoor zal veroordelen tot betaling aan eisers, althans eiseres sub 2, althans eiser sub 1, het bedrag aan gemaakte kosten terzake deurwaarders- en incassokosten ten bedrage van € 3.000,-, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;

2. het Zorgkantoor zal veroordelen tot vergoeding aan eisers, althans eiseres sub 2, althans eiser sub 1, van het bedrag aan gederfde inkomsten ex artikel 6:96 lid 1 BW, nader op te maken bij staat;

3. het Zorgkantoor zal veroordelen tot betaling aan eisers, althans eiseres sub 2, althans eiser sub 1, van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ten bedrage van € 40.812,00, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;

4. het Zorgkantoor zal veroordelen tot betaling aan eisers, althans eiseres sub 2, althans eiser sub 1, van een bedrag ad € 7.903,18 terzake de kosten van de onterecht verhoogde premie;

5. het Zorgkantoor zal veroordelen tot betaling aan eisers, althans eiseres sub 2, althans eiser sub 1, van een bedrag ad € 7.502,00 ex artikel 6:96 lid 2 BW;

6. het Zorgkantoor zal veroordelen tot vergoeding van de door eisers geleden immateriële schade ex artikel 6:106 lid 1 sub b BW, ten bedrage van € 5.000,00;

7. het Zorgkantoor zal veroordelen in de kosten van dit geding, de deurwaarderskosten daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis;

8. het Zorgkantoor zal veroordelen tot betaling van de (na)kosten indien niet binnen 14 dagen na dagtekening van de aanschrijving tot vrijwillige voldoening aan het vonnis is voldaan.

3.2.

De grondslag voor de vorderingen is de door het Zorgkantoor gepleegde onrechtmatige overheidsdaad. Het Zorgkantoor heeft 5 april 2013 een onrechtmatige beslissing genomen wat betreft het beëindigen van het pgb van [eiser 1] en heeft deze beslissing nadien op 25 september 2014 herzien. Daarmee is ook de schuld van het Zorgkantoor gegeven. Tevens heeft het Zorgkantoor zich schuldig gemaakt aan wanprestatie want er is sprake van een tekortkoming in de nakoming van een verplichting. Dit maakt het Zorgkantoor schadeplichtig voor de daardoor ontstane schade. Omdat is voldaan aan het condicio sine qua non-verband, is sprake van causaal verband tussen de onrechtmatigheid en de geleden schade.

3.3.

Het Zorgkantoor voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat over de vraag of het Zorgkantoor aansprakelijk is voor de schade die [eiser 1] en [eiser 2] stellen te hebben geleden als gevolg van de onterechte beëindiging van het pgb van [eiser 1].

4.2.

Partijen nemen tot uitgangspunt dat het Zorgkantoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] door ten onrechte de uitbetaling van zijn pgb te beëindigen en dat dit aan het Zorgkantoor kan worden toegerekend. Van wanprestatie door het Zorgkantoor jegens [eiser 1] is geen sprake omdat de verplichting tot verstrekking van het pgb niet is gebaseerd op een overeenkomst tussen [eiser 1] en het Zorgkantoor, maar op een wettelijke regeling.

Is het Zorgkantoor aansprakelijk jegens [eiser 2] op grond van onrechtmatige overheidsdaad?

4.3.

De grond voor aansprakelijkheid jegens [eiser 2] is volgens haar erin gelegen dat het Zorgkantoor haar recht om haar gezinsleven naar eigen inzicht in te richten heeft gefrustreerd. Op grond van artikel 1:245 BW rust op haar als ouder de verplichting het minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Om aan deze verplichting te kunnen voldoen had [eiser 2] belang bij toekenning van de pgb-gelden aan [eiser 1]. Met de pgb-gelden kon [eiser 1] immers zijn moeder of een derde als hulpverlener vergoeden. Door de beëindiging van het pgb had [eiser 1] geen budget meer om zorg in te kopen, terwijl hij wel zorg nodig had. [eiser 2] was genoodzaakt om die zorg te verlenen en daardoor was zij niet in staat om werkzaamheden buitenshuis te verrichten. Gevolg was gederfde levensvreugde door de psychische en fysieke belasting van de verzorging en financiële problemen omdat zij geen inkomen meer kon genereren. De ten onrechte beëindiging van het pgb heeft een zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser 2] veroorzaakt en daarmee heeft het Zorgkantoor jegens [eiser 2] onrechtmatig gehandeld.

4.4.

Het Zorgkantoor voert aan dat geen sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad jegens [eiser 2]. Zij is niet rechtstreeks getroffen door de beëindiging van het pgb. [eiser 2] heeft geen rechtsreeks belang, maar een afgeleid belang dat parallel loopt met dat van [eiser 1]. Het belang van [eiser 2] is het gevolg van de tussen [eiser 1] en [eiser 2] gesloten zorgovereenkomst. Wegens het ontbreken van het rechtstreekse belang ontbreekt de grondslag voor de onrechtmatige daad. Voor de gestelde schadeposten geldt dat zij niet als gevolg van het beëindigingsbesluit aan het Zorgkantoor kunnen worden toegerekend. Daarbij komt dat het Zorgkantoor op grond van de AWBZ geen verplichting had om aan [eiser 1] een pgb te verstrekken. Het Zorgkantoor moet ervoor zorgen dat [eiser 1] zijn aanspraak op zorg tot gelding kan brengen. Hoofdregel is zorg in natura, waarbij de verzekerde zich wendt tot een zorgaanbieder met wie het Zorgkantoor een overeenkomst heeft gesloten. Het pgb is een uitzondering hierop. Het Zorgkantoor verleent een subsidie waarmee de verzekerde zelf de zorgaanbieder kan uitkiezen. Het Zorgkantoor heeft bij brief van 5 april 2013 waarin het pgb werd beëindigd, verschillende zorginstellingen aangedragen die zorg konden leveren in overeenstemming met de afgegeven indicatie voor [eiser 1]. In de brief van 14 februari 2014 zijn tevens de contactgegevens vermeld van de afdeling die [eiser 1] naar zorg in natura kan bemiddelen, aldus het Zorgkantoor.

4.5.

De rechtbank realiseert zich dat de onterechte beëindiging van de verstrekking van het pgb aan [eiser 1] verregaande psychische en financiële gevolgen heeft gehad voor [eiser 2] en haar gezin. De onterechte beëindiging van verstrekking van de pgb-gelden is echter in beginsel alleen onrechtmatig jegens [eiser 1]. De geschonden norm strekt ter bescherming van [eiser 1], niet ter bescherming van [eiser 2] als zorgverlener. Alleen de ernst van de gevolgen voor [eiser 2] maakt niet dat daardoor het Zorgkantoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2]. Bovendien heeft het Zorgkantoor bij het beëindigen van het pgb van [eiser 1] aan hem als alternatief zorg in natura aangeboden om hem in staat te stellen de aanspraak op zorg geldend te maken. Voor [eiser 2] bood dit de mogelijkheid om op andere wijze dan als zorgverlener van haar zoon inkomsten te verwerven. Dat [eiser 2] niet op dit aanbod heeft willen ingaan en zij mede daardoor geen inkomsten voor haar gezin heeft kunnen genereren, maakt dat de financiële en psychische gevolgen niet aan het Zorgkantoor kunnen worden toegerekend. Terzijde merkt de rechtbank op dat de beëindiging van het pgb van haar ex-echtgenoot en het pgb van haar pleegzoon voor wie zij als zorgverlener heeft gefungeerd tot gevolg heeft gehad dat zij de voorschotten voor deze pgb’s ook niet langer meer ontving. Het is dus niet alleen het wegvallen van het pgb van [eiser 1] dat tot de financiële problemen heeft geleid.

Het beroep van [eiser 2] tijdens de mondelinge behandeling op de jurisprudentie in medische aansprakelijkheidszaken waarin een onrechtmatige daad jegens het kind tevens een onrechtmatige daad jegens de ouders oplevert, is te weinig uitgewerkt en toegelicht om als grondslag voor aansprakelijkheid van het Zorgkantoor te kunnen gelden. Bovendien is de vraag of [eiser 2] in haar verhouding tot [eiser 1] als ouder moet worden aangemerkt of als zorgverlener in het kader van de zorgovereenkomst die zij met van [eiser 1] had gesloten. De gestelde schade hangt met name samen met het ontbreken van de pgb-gelden die door de budgethouder [eiser 1] aan de zorgverlener [eiser 2] moeten worden betaald.

4.6.

De conclusie is dat het Zorgkantoor alleen jegens [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld door de uitbetaling van de pgb-gelden ten onrechte op 5 april 2013 te beëindigen en de pgb-gelden pas op 23 oktober 2014 (€ 104.915,00) en op 8 maart 2015 (€ 18.355,00) alsnog uit te betalen. De vorderingen van [eiser 2] zullen worden afgewezen.

4.7.

[eiser 1] stelt dat hij niet alleen schade heeft geleden door vertraging in de voldoening van een geldsom. Hij was ook niet in staat om medicijnen en gehoorapparaten aan te schaffen. Zijn zorgverlener vorderde wettelijke verhogingsrente op grond van artikel 7:625 BW van hem als ‘werkgever’. Er zijn buitengerechtelijke kosten gemaakt. Door de extreem late uitbetaling van de pgb-gelden is niet alleen sprake van vertragingsschade maar ook van onbehoorlijke afhandeling door de duur van bijna twee jaar. De redelijke termijn is daarmee overschreden. Dat heeft financiële en immateriële schade veroorzaakt die voor vergoeding in aanmerking komt, aldus [eiser 1].

4.8.

De vraag is welke schade als gevolg van vertraging in voldoening van een geldsom voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 6:119 BW bepaalt dat de schadevergoeding bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is. Ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk schade heeft geleden en ongeacht de eventuele hoogte daarvan. Het gaat om een gefixeerde schadevergoeding. De ratio achter de fixatie is dat de vertragingsschade bij een geldsom zich moeilijk laat vaststellen. Door de schade op een naar een vaste maatstaf te berekenen bedrag aan wettelijke rente te stellen, worden onzekerheden van onder meer bewijsrechtelijke aard voorkomen (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 473-476, MvA II).

4.9.

Vaststaat dat het Zorgkantoor een bedrag van € 5.332,00 aan wettelijke rente heeft betaald. Er wordt niet meer wettelijke rente gevorderd, zodat de gefixeerde vergoeding op grond van artikel 6:119 BW volledig is voldaan. De schadeposten waarvan [eiser 1] vergoeding heeft gevorderd hangen samen met de vraag wat met de pgb-gelden betaald had kunnen worden als geen sprake was geweest van vertraging in voldoening van de pgb-gelden. Hiermee miskent [eiser 1] het karakter van de gefixeerde schadevergoeding. Dit maakt dat de werkelijke omvang van de schade niet relevant is, zodat de vorderingen tot schadevergoeding van [eiser 1] zullen worden afgewezen, behoudens voor zover sprake zou zijn van overschrijding van de redelijke termijn.

Overschrijding van de redelijke termijn?

4.10.

Voor de procedure bezwaar en beroep samen geldt als redelijke termijn een termijn van totaal twee jaar. De redelijke termijn voor de bezwaarfase is zes maanden vanaf de datum indiening van het bezwaarschrift tot de beslissing op bezwaar en voor de fase in beroep is de redelijke termijn 18 maanden. Het bezwaarschrift is ingediend op 13 mei 2013. Op 14 februari 2014 heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Nadat [eiser 2] tegen de beslissing op bezwaar beroep heeft aangetekend, heeft het Zorgkantoor zijn beslissing van 14 februari 2014 herzien op 25 september 2014. Daarna is het beroep bij de rechtbank ingetrokken. De totale duur van de bezwaar- en beroepsfase is 16 maanden en 12 dagen en is daarmee binnen de termijn van twee jaar gebleven. Er bestaat dan geen recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De te lange termijn in de bezwaarfase van negen maanden en één dag wordt gecompenseerd door de duur van 7 maanden en 11 dagen in de beroepsfase. De vordering tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.

4.11.

[eisers]. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Zorgkantoor worden begroot op:

- griffierecht 2.042,00

- salaris advocaat 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.190,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers]. in de proceskosten, aan de zijde van het Zorgkantoor tot op heden begroot op € 4.190,00,

5.3.

veroordeelt [eisers]. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers]. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2020.

St/PB