Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4598

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Samenloop WW-uitkering met prepensioen. Vóór intreden werkloosheid al vier jaar loon en prepensioen uit dezelfde dienstbetrekking. Het AIB voorziet niet in het buiten beschouwing laten van het prepensioen in deze situatie. Geen toetsing redelijkheid en billijkheid van de regelgeving door de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 19/665

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers prepensioen met ingang van 2 juli 2018 op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) in mindering gebracht.

Bij besluit van 17 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is op 1 mei 1984 in dienst getreden bij [bedrijf] Met een vaststellingsovereenkomst is het dienstverband per 1 juli 2018 beëindigd. Met ingang van 2 juli 2018 heeft verweerder eiser een WW-uitkering toegekend. Middels een inkomstenopgave heeft eiser verweerder ervan in kennis gesteld dat hij een ouderdomspensioen ontvangt van de [Pensioenfonds] ter hoogte van (juli 2018) € 3.303,98 per maand. Eiser ontvangt dit pensioen vanaf 1 januari 2014. Bij de bestreden besluitvorming heeft verweerder het ouderdomspensioen op de WW-uitkering in mindering gebracht.

2. Eiser is het er niet mee eens dat zijn ouderdomspensioen (prepensioen) in mindering wordt gebracht op zijn WW-uitkering. Hij heeft daarom bezwaar tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het prepensioen op de uitkering in mindering gebracht dient te worden, omdat er geen sprake is van een pensioen uit een andere dienstbetrekking dan die waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontstaan. Verweerder baseert zich hiervoor op de bepalingen uit het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

Het wettelijk kader

4. Als hoofdregel geldt dat prepensioen wordt verrekend met een WW-uitkering. Dit is geregeld in artikel 47, eerste lid, van de WW en artikel 3.5, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van het AIB.

In artikel 3.5 van het AIB staan ook enkele uitzonderingen op deze hoofdregel. In dit geval is het zevende lid van artikel 3.5 van belang: “In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.”

5.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.2.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser zijn prepensioen ontvangt vanuit dezelfde dienstbetrekking als die waaruit hij werkloos is geworden. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat, volgens de tekst van het AIB, niet voldaan wordt aan de uitzondering als bedoeld in artikel 3:5, zevende lid van het AIB.

5.3.

Eiser stelt dat de Memorie van Toelichting op de met ingang van 1 mei 2018 doorgevoerde wijzigingen in het AIB voor verweerder aanleiding had dienen te vormen om in dit geval het prepensioen niet te verrekenen met de WW-uitkering. Eiser verwijst naar de volgende passage in de Memorie van Toelichting: “In het zevende lid is een derde uitzondering opgenomen op het vierde lid, onderdeel a. Ouderdomspensioen dat al werd ontvangen voorafgaand aan de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, wordt niet aangemerkt als inkomen in verband met arbeid. De reden dat dergelijk ouderdomspensioen niet verrekend wordt met de WW-uitkering is dat er in dat geval, anders dan bij de hoofdregel wordt verondersteld, geen aanleiding is geweest voor betrokkene om zich volledig uit het arbeidsproces terug te trekken.”

Eiser stelt dat er voor hem ook geen reden was om zich per 1 januari 2014 uit het arbeidsproces terug te trekken, zodat hij in dezelfde omstandigheden verkeert als waarvoor de uitzonderingsbepaling in het leven is geroepen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de situatie waarin hij verkeerde voorafgaand aan de toekenning van de WW-uitkering eigenlijk bijna niet voor komt, namelijk tegelijkertijd prepensioen en loon ontvangen, beide vanuit dezelfde dienstbetrekking.

5.4.

De rechtbank begrijpt eisers argumenten, maar wijst erop dat de door eiser geciteerde tekst niet tot uitdrukking komt in de tekst van artikel 3:5, zevende lid van het AIB, geldend met ingang van 1 mei 2018, en dat artikel 3:5 niet voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke bepalingen indien toepassing daarvan tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Andere artikelen in het AIB kennen deze mogelijkheid wel (vlg. bijvoorbeeld artikel 4:1, elfde lid van het AIB), zodat het naar het oordeel van de rechtbank een bewuste keuze van de besluitgever is geweest om een dergelijke bepaling in artikel 3:5 niet op te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.5.

Eiser stelt voorts dat, als hij geen vervroegd ouderdomspensioen had aangevraagd, hij wel WW-uitkering zou hebben gekregen, omdat verweerder hem in dat geval niet kon verplichten om op dat moment het ouderdomspensioen vervroegd aan te vragen.

5.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor het vaststellen van het recht op uitkering is de feitelijke situatie van belang. Dat eiser wellicht negatieve gevolgen ervaart van door hem in het verleden gemaakte keuzes verandert de feitelijke situatie niet. Daarbij komt dat eiser het ouderdomspensioen al ontvangt sinds 1 januari 2014, zodat het niet reëel is om enig verband te veronderstellen tussen de in 2013 gemaakte keuze om het ouderdomspensioen aan te vragen en de bijna vijf jaar later ingetreden werkloosheid.

5.7.

Eiser wijst erop dat verweerder niet heeft gereageerd op zijn argument dat het bestreden besluit niet redelijk en onbillijk is.

5.8.

Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.4. heeft vastgesteld, kent de van toepassing zijnde wettelijke bepaling (in dit geval artikel 3:5 van het AIB), geen mogelijkheid om, ingeval van een kennelijk onredelijke uitkomst, anders te beslissen. Verweerder heeft hier in het verweerschrift terecht op gewezen. Het is niet aan verweerder om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. De rechter heeft deze bevoegdheid evenmin, hetgeen nadrukkelijk in de wet is verankerd: artikel 9 van de Wet algemene bepalingen bepaalt dat de rechter volgens de wet recht moet spreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

Deze beroepsgrond slaagt dan ook evenmin.

6. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft terecht eisers prepensioen op de WW-uitkering in mindering gebracht. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van J. de Graaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.