Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4571

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
375032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontruiming huurwoning. Executiegeschil. Geen feitelijke of juridische misslag. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/375032 / KG ZA 20-305

Vonnis in kort geding van 31 augustus 2020

in de zaak van

[eiser]

wonende te Arnhem,

eiser,

advocaat mr. E. Weijer te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING VOLKSHUISVESTING ARNHEM,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. L. Vrakking te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting Volkshuisvesting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 augustus 2020, met producties 1-16,

  • -

    de brief van Stichting Volkshuisvesting van 24 augustus 2020, met producties 1-8,

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 augustus 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

  • -

    de pleitnota van Stichting Volkshuisvesting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt sinds 5 maart 2018 van Stichting Volkshuisvesting de woning op het adres [naam adres] in Arnhem (hierna: de woning). Partijen hebben daartoe destijds een huurovereenkomst gesloten.

2.2.

Stichting Volkshuisvesting is in het najaar van 2018 een ontruimingsprocedure begonnen tegen [eiser] vanwege overlast. Begin 2019 is de zaak doorgehaald, omdat de situatie inmiddels rustig was. Eind 2019 is de zaak weer op de rol gekomen na nieuwe meldingen uit de buurt over door [eiser] veroorzaakte overlast.

2.3.

Bij vonnis van 22 juli 2020 (met zaaknummer 7210894 \ CV EXPL 18-9974) heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen Stichting Volkshuisvesting en [eiser] ontbonden en [eiser] veroordeeld om de woning binnen een maand na betekening van het vonnis te ontruimen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen:

“4.6. Vast staat dat [eiser] in augustus 2018 tweemaal een waarschuwing van SVA heeft ontvangen voor het veroorzaken van overlast, bestaande uit het draaien van harde muziek, schelden, bedreigen, mishandelen en het vernielen van een ruit.

Daarna is volgens partijen een rustigere situatie ontstaan, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat SVA de eerder aanhangig gemaakte ontbindingsprocedure heeft laten doorhalen. Het conflict met de buurman [naam 1] bestond op dat moment nog steeds.

4.7.

Niet in geschil is dat de gemoederen tussen [eiser] en [naam 1] vanaf omstreeks augustus 2019 weer verhit zijn geraakt. Dit volgt ook uit de vele meldingen die door [naam 1] zijn gedaan (productie 6 tot en met 33). Een enkele betwisting daarvan is in de gegeven omstandigheden onvoldoende.

Daar komt bij dat ook de directe buurvrouw [naam 2] en de omwonende [naam 4] omstreeks oktober en november 2019 hebben geklaagd over overlast. Zij spreken eveneens van schreeuwen en intimiderend gedrag en bovendien van slapeloze nachten. Voorts spreekt [naam 2] van ‘het zoveelste rare en gevaarlijke incident’ en over een onveilig gevoel aan haar zijde met haar kinderen.

Voorts geldt dat SVA onweersproken heeft gesteld dat de politie regelmatig ter plaatse is geweest en meerdere malen geluidsoverlast heeft geconstateerd en/of wangedrag van [eiser] heeft meegemaakt.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, maken dat de kantonrechter van oordeel is dat in voldoende mate vast staat dat sprake is van ernstige en structurele overlast die, met tussenpozen, al enige tijd (sinds 2018) voortduurt.

De kantonrechter is van oordeel dat deze overlast een tekortkoming oplevert die de gevorderde ontbinding en ontruiming rechtvaardigen. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Daarbij weegt de kantonrechter mee dat namens SVA onweersproken is gesteld dat de zorgelijke psychische toestand van [eiser] thans besproken wordt in het Veiligheidshuis. Dat [eiser] bekend is met psychische stoornissen volgt ook uit de conclusie van antwoord. Namens SVA is onweersproken gesteld dat het perioden goed gaat met [eiser] en dat hij dan naar behoren functioneert in de woonwijk, maar dat het minder goed gaat als hij psychisch in de war is: hij stuurt SVA dan vage e-mails in warrige taal en vertoont op straat intimiderend en overlast gevend, paranoïde gedrag. Dat laatste gedrag wordt ook beschreven in de verklaringen van omwonenden. Ook tijdens de mondelinge behandeling getuigden de verklaringen van [eiser] van verwardheid.

Het hiervoor beschreven gedrag duurt tot op heden voort. De kantonrechter acht daarbij niet aannemelijk dat een nadere gedragsaanwijzing of nadere afspraken tot structurele verbetering van de situatie zal leiden. SVA en de gemachtigde van [eiser] hebben immers beiden gesteld dat al vele hulpverlenende instanties bij hem betrokken zijn geweest. Daarbij ontkent [eiser] zelf dat er een probleem is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij geen psychische problemen heeft.

De situatie die aanvankelijk door SVA in 2018 werd geschetst is onveranderd. Er bestaan nog steeds conflicten tussen [eiser] en omwonenden ([eiser] noemt zelf de heer [naam 3]) en geluidsoverlast dan wel intimiderend gedrag komt nog steeds (met tussenpozen van rustige perioden) voor. Het conflict met de buurman [naam 1] bestaat sinds 2018 en een verbetering van die situatie ligt niet in het verschiet: [eiser] heeft zelf onweersproken aangevoerd dat buurtbemiddeling niet binnen de mogelijkheden ligt, omdat een gesprek met [naam 1] niet mogelijk is.

Een dergelijke voortdurende (mogelijk escalerende) situatie in een woonwijk is naar het oordeel van de kantonrechter (uiteindelijk) onhoudbaar, met alle gevaren en risico’s van dien. Dat de laatste maanden geen klachten zijn ingediend en [eiser] op de werkvloer naar behoren functioneert maakt het voorgaande, gelet op het wisselende psychische ziektebeeld van [eiser], niet anders.

4.8.

Het woonbelang van [eiser] staat niet aan de ontbinding en ontruiming in de weg. Hoewel aannemelijk is dat [eiser] wegens zijn psychische problemen belang heeft bij voortzetting van de huur, weegt dit niet op tegen het belang van SVA bij de ontbinding en ontruiming gezien de onverbeterde situatie waarin ernstige en structurele overlast met tussenpozen voortduurt, met alle gevolgen van dien voor omwonenden, maar ook voor [eiser] zelf. [eiser] geeft immers zelf ook aan dat hij zich al een aantal keren in een conflictueuze en dreigende situatie met omwonenden heeft begeven.

Bovendien heeft SVA de verplichting om het woongenot van omwonenden te waarborgen.

De omstandigheden dat het overlastgevend gedrag [eiser] mogelijk niet altijd kan worden toegerekend en [eiser] na een ontruiming mogelijk gescheiden zal worden van zijn hond, maakt het voorgaande, hoe schrijnend ook, niet anders.”

2.4.

Stichting Volkshuisvesting heeft het vonnis aan [eiser] laten betekenen en de ontruiming aangezegd. De ontruiming van de woning is gepland op 3 september 2020.

2.5.

Op 11 augustus 2020 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 22 juli 2020.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 juli 2020 totdat in de zaak in hoger beroep is beslist, dan wel voor de duur die de voorzieningenrechter geraden acht.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Er is sprake van een feitelijke en juridische misslag in de uitspraak van de kantonrechter. Als gevolg van de tenuitvoerlegging van het vonnis zal bij [eiser] een noodsituatie ontstaan. Het belang van [eiser] bij behoud van zijn woning, mede gelet op zijn psychische stoornis en het risico op psychisch decompenseren bij ontruiming, dient zwaarder te wegen dan het belang van Stichting Volkshuisvesting. De belangenafweging in het kader van gebruikmaking van de executiebevoegdheid dient daarom in het voordeel van [eiser] uit te vallen.

3.3.

Stichting Volkshuisvesting betwist dat er sprake is van een feitelijke of juridische misslag. Sinds 2018 is er – met tussenpozen – sprake van overlast, die nog steeds voortduurt. Met het ontstaan van een noodsituatie is al rekening gehouden door de kantonrechter bij het bepalen van de ontruimingstermijn op vier (in plaats van de gebruikelijke twee) weken. Stichting Volkshuisvesting dient op te komen voor het rustig woongenot van omwonenden, eveneens huurders van haar, en bij te dragen aan de leefbaarheid van de buurt. Zij heeft dus een belang bij de ontruiming en dient de belangen van de omwonenden te laten prevaleren boven die van [eiser].

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het direct ten uitvoer kan worden gelegd en de uitkomst van het ingestelde hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is niet gemotiveerd. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) dient in dat geval bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te worden onderzocht of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde ([eiser]) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen (Stichting Volkshuisvesting) bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag.

Feitelijke of juridische misslag

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat van een klaarblijkelijke feitelijke of juridisch misslag pas sprake is wanneer het gaat om een evidente fout (zie onder meer de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4470). Bij de beoordeling of sprake is van een evidente fout, moet terughoudendheid worden betracht.

4.3.

Wat betreft de feitelijke misslag stelt [eiser] dat de kantonrechter in het vonnis is uitgegaan van structurele door [eiser] veroorzaakte overlast die al sinds 2018 voortduurt, maar dat daarvan sprake is kan volgens [eiser] niet worden vastgesteld op grond van de door Stichting Volkshuisvesting gestelde feiten en de onderbouwing daarvan. Het gaat volgens [eiser] met name om klachten van buurman [naam 1] (nummer 24) en de inhoud van die klachten heeft [eiser] in de bodemprocedure gemotiveerd betwist. De andere buren hebben sinds november 2019 niet meer geklaagd. Ook is niet juist dat de politie regelmatig ter plaatse is geweest: de politie is sinds oktober 2019 tot aan de zitting van 22 juni 2020 niet meer bij [eiser] langs geweest. Dat bij [eiser] sprake is van een zorgelijke psychische toestand, had de kantonrechter ook niet zonder meer mogen vaststellen. Ook stond niet vast, zoals in het vonnis staat, dat hulpverlening geen zin heeft. [eiser] stond op dat moment immers niet onder behandeling. Sinds augustus 2018 is de situatie volgens [eiser] wel degelijk veranderd: [eiser] heeft zijn middelengebruik onder controle en het gaat goed met hem. Er is alleen nog een conflict met buurman [naam 1]. Er is geen sprake van een onveilige situatie. De kantonrechter had volgens [eiser] daarom niet mogen oordelen, in ieder geval niet zonder eerst nader onderzoek te verrichten naar de feiten en omstandigheden, dat de feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, maken dat in voldoende mate vaststaat dat sprake is van ernstige en structurele overlast die, met tussenpozen, al enige tijd (sinds 2018) voortduurt.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het vonnis van 22 juli 2020 blijkt dat alle klachten van buurtbewoners (dus ook van anderen dan [naam 1]) meegenomen zijn in de beoordeling en ook het feit dat er een periode voorafgaand aan de zitting op 22 juni 2020 geen klachten zijn ingediend. De stellingen van [eiser] over de feitelijke misslagen betreffen niet zo zeer evidente fouten in de feiten, maar eerder een betoog inhoudend dat op basis van de vastgestelde feiten en die feiten in onderlinge samenhang bezien, de kantonrechter niet heeft kunnen komen tot het oordeel dat sprake was van structurele overlast. Dat het oordeel op een aantal feiten is gebaseerd waarvan [eiser] de juistheid heeft betwist (zoals de klachten van [naam 1]) wil nog niet zeggen dat sprake is van een fout – de vaststelling van de feiten maakt onderdeel uit van de oordeelsvorming van de rechter. Dat geldt ook ten aanzien van de waardering van de vastgestelde feiten. Dat over de beoordeling in het vonnis ook anders zou kunnen worden gedacht, zoals [eiser] lijkt te betogen, kan niet een grond opleveren voor ingrijpen in de tenuitvoerlegging. Dat raakt aan een oordeel over de juistheid van de beslissing, waarvoor in deze kort geding procedure geen ruimte is. Daarover wordt in hoger beroep beslist.

Dat evident fout is dat – zoals in het vonnis staat – er sprake is van een zorgelijke psychische toestand, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Zelf gaat [eiser] ook uit van enige psychische problemen, zoals hij ter zitting heeft toegelicht. Tot voor kort had hij naar eigen zeggen nog regelmatig contact met Iriszorg en wacht hij op een EMDR behandeling in verband met traumatische ervaringen. Hoe intensief en regelmatig de ondersteuning vanuit Iriszorg nu nog is en ook ten tijde van zitting op 22 juni 2020 nog was, is onduidelijk. In ieder geval is niet gebleken van een evident onjuiste beoordeling ter zake door de kantonrechter.

4.5.

Wat betreft de juridische misslag stelt [eiser] dat de kantonrechter het bewijsaanbod van [eiser] ten onrechte heeft gepasseerd, zonder daar enige overweging aan te wijden. [eiser] heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden van zijn stelling dat niet hij overlast veroorzaakt, maar zijn buurman [naam 1] en dat niet [eiser] zelf de ruit van zijn woning heeft ingegooid maar een derde. [eiser] heeft aangeboden om zijn overbuurvrouw Pouwels hierover als getuige te horen. Verder had het op de weg van de kantonrechter gelegen om, voordat de ontbinding en ontruiming werd uitgesproken, door een deskundige te laten onderzoeken of er sprake is van een psychische stoornis bij [eiser] en of dwangzorg tot de mogelijkheden behoort. Dit is ook in het kader van de belangenafweging die bij een ontbindings- en ontruimingsvordering moet worden gemaakt van belang, aldus [eiser].

4.6.

De kantonrechter heeft (in 4.7. van het vonnis van 22 juli 2020) geoordeeld dat [eiser] de klachten van [naam 1] onvoldoende heeft betwist. Hieruit vloeit voort dat is geoordeeld dat niet aan bewijslevering wordt toegekomen op het punt van de gestelde overlast door [naam 1] en dat daarom het bewijsaanbod van [eiser] is gepasseerd. Dat dat niet expliciet in het vonnis staat, is wellicht onvolledig te noemen en het was duidelijker geweest als het er wel had gestaan (gelet op het uitdrukkelijke bewijsaanbod), maar het levert nog geen kennelijke juridische misslag op. Het is niet aan de voorzieningenrechter om te beoordelen of de kantonrechter wél een bewijsopdracht had moeten geven. Voor de waardering van de feiten is in deze procedure immers geen ruimte, dat is iets wat in hoger beroep moet worden beoordeeld, zoals in 4.4. al is overwogen. Op de vraag op welke juridische grondslag de kantonrechter gehouden was om een deskundigenonderzoek naar de psychische problematiek van [eiser] uit te laten voeren is, desgevraagd ter zitting, geen duidelijk antwoord gekomen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat – door het achterwege laten van een dergelijk onderzoek – sprake is van een klaarblijkelijke juridische misslag.

Belangenafweging

4.7.

[eiser] heeft gesteld dat hij een groot belang heeft bij het kunnen blijven wonen in zijn woning. Dit houdt mede verband met zijn psychische stoornis, waarbij het risico bestaat van psychisch decompenseren als hij op straat komt te staan, met alle gevolgen van dien, zoals het verlies van zijn stageplaats, het verlies van zijn hond en terugval in middelengebruik. Ook brengt de coronacrisis extra gezondheidsrisico’s met zich voor dak- en thuislozen, aldus [eiser]. Volgens hem heeft Stichting Volkshuisvesting geen belang bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid: er is geen sprake (meer) van overlast. Bovendien beschikt zij over andere middelen (zoals buurtbemiddeling) om de kwestie met [naam 1] op te lossen. Daar komt bij dat Volkshuisvesting een toegelaten instelling is met een taak op het gebied van de volkshuisvesting, waardoor van haar gevergd kan worden dat zij meer tolereert van een huurder met psychische klachten.

4.8.

Tegenover de belangen van [eiser] staan de belangen van Stichting Volkshuisvesting, en in het verlengde daarvan tevens de belangen van andere huurders, waaronder de buren van [eiser]. Naast [naam 1] hebben ook andere buren recent nog geklaagd in verband met overlast veroorzaakt door [eiser]. Dat blijkt uit de door Stichting Volkshuisvesting overgelegde verklaringen van buurvrouw [naam 2] van [nummer] (22 juni 2020 en 20 juli 2020) en de familie [naam 4] van [nummer] (15 juli 2020). Het gaat daarbij om stank- en geluidsoverlast, last van de hond en bedreiging. Ook blijkt uit die verklaringen dat de politie recent nog bij de woning van [eiser] is geweest (op 15 en 19 juli 2020). Dat er op dit moment geen sprake meer is van overlast, zoals [eiser] betoogt, heeft Stichting Volkshuisvesting met deze meldingen voldoende gemotiveerd betwist. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd hoe het nu precies is gesteld met zijn psychische situatie en dat er op korte termijn verbetering te verwachten valt, waardoor de overlast mogelijk zou kunnen afnemen. Stichting Volkshuisvesting dient volgens [eiser] meer te tolereren van een huurder met psychische klachten, maar daarmee verliest hij uit het oog dat ook het belang van de omwonenden bij een rustig woongenot meegewogen moet worden. Dat belang weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van [eiser]. De wijk kent verschillende problemen en het is voor het op peil houden van de leefbaarheid van belang dat een overlastsituatie niet verder escaleert. Stichting Volkshuisvesting heeft gesteld dat zij na ontvangst van het vonnis van 22 juli 2020 de nodige actie ondernomen om in samenspraak met zorginstanties alternatieve woonruimte voor [eiser] te vinden. Ter zitting heeft Stichting Volkshuisvesting meegedeeld dat [eiser] in het Veiligheidshuis wordt besproken en dat daarbij ook de kwestie van nieuwe woonruimte voor [eiser] aan de orde is geweest. De stand van zaken is niet duidelijk, omdat de mogelijk nieuwe woonruimte (containerwoning) bij een andere instantie is belegd. In verband met bescherming van persoonsgegevens heeft Stichting Volkshuisvesting daarover niet meer gegevens kunnen achterhalen. Feit is wel dat [eiser] onder de aandacht is van het Veiligheidshuis en dat dit, zoals Stichting Volkshuisvesting onweersproken heeft gesteld, op korte termijn weer wordt opgepakt.

4.9.

Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat het belang van Stichting Volkshuisvesting (mede met het oog op het belang van de omwonenden) bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 juli 2020 over te gaan zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Daarbij speelt mede een rol dat het vonnis niet berust op een feitelijke of juridische misslag. De vordering van [eiser] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 juli 2020 zal daarom worden afgewezen.

4.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Volkshuisvesting worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Volkshuisvesting tot op heden begroot op € 1.636,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer en in het openbaar uitgesproken door mr. E.W. de Groot op 31 augustus 2020.