Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4556

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
C/05/375333 / FZ RK 20-2258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Opvolgende rechterlijke machtiging Wzd. Ondanks dat de aanvraag te laat is ingediend (artikel 25 lid 3 Wzd), is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de advocaat verworpen dient te worden. De wetgever heeft geen consequenties verbonden aan het te laat indienen van een aanvraag en het is naar de oordeel van de rechtbank niet in het belang van cliënt als er een nieuwe aanvraag opgestart moet worden.

Wetsverwijzingen
Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/375333 / FZ RK 20-2258

Datum mondelinge uitspraak: 31 augustus 2020

Beschikking opvolgende rechterlijke machtiging Wzd

inzake

het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende rechterlijke machtiging voor de duur van een jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd), ten aanzien van:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijfadres: ’s Heeren Loo, locatie Groot Emaus te Ermelo,

op grond van een rechterlijke machtiging geldend tot 24 augustus 2020,

hierna te noemen: cliënt,

advocaat: mr. W.L.M. Fleuren te Apeldoorn.

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op
21 augustus 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 telefonisch plaatsgevonden op 31 augustus 2020.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn telefonisch gehoord:

  • -

    cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mw. J. Douma, als gedragskundige verbonden aan ’s Heeren Loo;

  • -

    dhr. F. Alwon, als Wzd-arts en geneesheer-directeur verbonden aan ’s Heeren Loo;

  • -

    dhr. A. El Hamdaoui, als persoonlijk begeleider verbonden aan ’s Heeren Loo;

  • -

    mw. [naam], curator van betrokkene.

2 Beoordeling

2.1.

Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het landelijk beleid van de Rechtspraak dat het niet is toegestaan de accommodatie waar cliënt verblijft te bezoeken. Dit levert voor cliënt en de medebewoners en verzorgers een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op. Datzelfde geldt voor de medewerkers van de rechtbank, alsook voor bewoners en verzorgers van overige accommodaties indien van dit beleid zou worden afgeweken. Om die reden is besloten cliënt telefonisch te horen.

2.2.

Op 25 februari 2020 heeft de rechtbank een machtiging tot opname en verblijf verleend tot en met 24 augustus 2020.

2.3.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënt lijdt aan een verstandelijke handicap. Cliënt heeft een verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis en een andere, gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersing of andere gedragsstoornis. Cliënt heeft de neiging om seksueel contact aan te gaan met minderjarigen vanuit onvoldoende controle over zijn impulsen. Er ontstaat hierdoor een aanzienlijk risico op het overtreden van de wet waarvoor cliënt mogelijk strafrechtelijk vervolgd zou kunnen worden. Cliënt moet hierin tegen zichzelf worden beschermd. In het afgelopen jaar hebben zich daarnaast ten minste vijftien incidenten plaatsgevonden met dreiging en/of fysieke agressie door betrokkene. Recentelijk is cliënt nog twee weken weggelopen waarbij hij bij familie en vrienden verbleef. Cliënt loopt hierbij niet impulsief weg, maar met een doordacht plan. Cliënt lijkt de gevaren hiervan te bagatelliseren en hij heeft onvoldoende inzicht in wat nodig is om gevaar af te wenden. Cliënt kan de gevolgen van zijn gedrag onvoldoende overzien.

2.4.

Het gedrag dat voortvloeit uit deze handicap leidt tot ernstig nadeel, gelegen in :

  • -

    ernstige psychische schade;

  • -

    ernstige verwaarlozing;

  • -

    maatschappelijke teloorgang;

  • -

    ernstig verstoorde ontwikkeling;

  • -

    gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

2.5.

De voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

2.6.

Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Voortzetting van het verblijf biedt de kaders waarin voldoende toezicht gehouden kan worden op de contacten die cliënt aangaat en het biedt de mogelijkheden om weglopen te voorkomen of te beperken. Tot op heden is het nog niet gelukt om met cliënt tot gezamenlijke afspraken te komen. Voor minder ingrijpende maatregelen is samenwerking en motivatie van cliënt nodig. Dat ontbreekt echter tot op heden. Door de gedragskundige en de Wzd-arts is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat met cliënt gekeken gaat worden naar een passende vervolgplek waar hij een gerichtere behandeling kan ondergaan. Een rechterlijke machtiging van een jaar is nodig om de mogelijkheden te gebruiken in een open setting en te variëren met dwang en begeleidingsintensiviteit die passend zijn bij het niveau van functioneren van cliënt. Door de Wzd-arts is daarbij wel aangegeven dat mocht de rechterlijke machtiging eerder opgeheven kunnen worden, dat zeker ook zal gebeuren.

2.7.

Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf.

2.8.

Hetgeen namens en door cliënt als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af. De advocaat van cliënt heeft aangevoerd dat het verzoek door de accommodatie te laat is ingediend. De voorliggende rechterlijke machtiging liep tot en met 24 augustus 2020.
Op grond van artikel 25 lid 3 Wzd dient de aanvraag voor een opvolgende machtiging uiterlijk in de achtste of negende week voor het einde van de geldigheidsduur ingediend te worden. In dit geval is de aanvraag op 11 augustus 2020 ingediend terwijl de aanvraag uiterlijk 29 juni 2020 ingediend had moeten worden. Het CIZ heeft de aanvraag snel opgepakt en binnen de gestelde termijn ingediend bij de rechtbank. Ondanks dat de aanvraag te laat is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de advocaat verworpen dient te worden. De wetgever heeft geen consequenties verbonden aan het te laat indienen van een aanvraag en het is naar de oordeel van de rechtbank niet in het belang van cliënt als er een nieuwe aanvraag opgestart moet worden.

2.9.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een opvolgende machtiging, om welke reden zij zal beslissen als hierna vermeld.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een machtiging tot voortzetting van het verblijf ten aanzien van

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 30 augustus 2021.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020 door mr. E. van Dusschoten, rechter, in tegenwoordigheid van L. Stoevenbelt, griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 september 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.