Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4508

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
05.055104.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarig kleinkind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/055104-20

Datum uitspraak : 1 september 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1950 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem,

raadsvrouw: mr. E.R.T. Tromp, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 27

januari 2020 te Wijchen en/of Beuningen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2014, zijnde een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn vingers in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen en/of het brengen van een dildo/massagestaaf in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 27

januari 2020 te Wijchen en/of Beuningen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2014, zijnde een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het ontkleden van [slachtoffer] , het kussen en/of likken van en/of bijten in de tepel(s) van [slachtoffer] en/of het masseren en/of betasten van de billen en/of vagina van [slachtoffer] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op basis van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende wordt ondersteund door de verklaring van verdachte. Volgens vaste jurisprudentie kan het brengen van een massagestaaf tussen de schaamlippen gekwalificeerd worden als binnendringen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het eerste feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden wegens gebrek aan voldoende bewijs. Verdachte heeft ontkend dat de massagestaaf in de vagina van [slachtoffer] is geweest. [slachtoffer] heeft pas bij navraag verklaard dat de massagestaaf in haar vagina is geweest. Bovendien heeft zij verklaard dat zij daar niets van heeft gevoeld. Ten aanzien van het tweede feit heeft verdachte bekend dat hij ontuchtige handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] . Echter, hij heeft ontkend dat hij in de tepels van [slachtoffer] heeft gebeten en daarbij zou de periode waarin de feiten zijn gepleegd korter zijn dan tenlastegelegd. Verdachte heeft verklaard dat deze feiten voor het eerst vlak voor Sinterklaas zijn gepleegd.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader

Ontuchtzaken worden vaak gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het slachtoffer en de (deels) ontkennende verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden is, omdat bij de tenlastegelegde handelingen vaak alleen de verdachte en het slachtoffer aanwezig zijn geweest. Naast de door één getuige/slachtoffer afgelegde verklaring over de gang van zaken dient te worden bezien in hoeverre daarvoor steun kan worden gevonden in andere bewijsmiddelen. Het is niet vereist dat voor de aangifte op het punt van de “kern” van het tenlastegelegde — hier de specifieke ontuchtige handelingen — steun is te vinden in het overige bewijsmateriaal. Het op bepaalde punten bevestigd zien van de verklaring van de getuige/slachtoffer in andere bewijsmiddelen kan volgens de Hoge Raad eveneens voldoende zijn, mits afkomstig van een andere bron en mits er geen te ver verwijderd verband bestaat tussen de getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal.

Ten aanzien van feit 1

[slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 20142) heeft verklaard dat opa [verdachte] haar had gekieteld en gekriebeld met zijn handen. Dit was niet op haar kleding. Ze deed haar shirt omhoog en zei hierbij dat opa (de rechtbank begrijpt verdachte) "zo" deed en dat hij dat ook bij haar vagina deed. Hierbij wreef zij over haar kruis (over de kleding). Dit gebeurde bij opa thuis. Opa had een "staafje" gepakt en deed "zo". Hierbij ging ze met haar hand naar haar kruis. Het staafje lag boven in de kast van oma. Opa zei tegen haar: “1, 2, 3” en dan ging het staafje in haar vagina. Opa had haar onderbroek uit gedaan.3

Aangever [vader van slachtoffer] heeft verklaard dat zijn dochter [slachtoffer] op 27 januari 2020 bij zijn vader (de rechtbank begrijpt verdachte) thuis te Wijchen is geweest. [slachtoffer] vertelde na het bezoek dat ze een geheimpje had. Toen verdachte [slachtoffer] naar bed bracht vroeg hij aan haar of zij het geheimpje wilde vertellen. [slachtoffer] zei toen dat ze gemasseerd was met haar trui uit. Dit was op haar rug waarbij ze op het bed van opa lag. Hier heeft hij het toen bij gelaten. Op donderdagochtend 30 januari 2020 zag [moeder van slachtoffer] , de vrouw van aangever, dat [slachtoffer] met haar hand aan haar kruis, op haar broek, zat. [moeder van slachtoffer] vroeg of [slachtoffer] moest plassen. [slachtoffer] antwoordde daarop dat ze niet moest plassen maar het lekker vond omdat opa dat ook deed bij haar.4 ’s Avonds heeft aangever met [slachtoffer] gepraat om er achter te komen wat er precies was gebeurd. Hij legde een pop op de buik en vroeg aan [slachtoffer] of ze aan kon wijzen waar ze maandag gemasseerd was. [slachtoffer] legde vervolgens haar hand op de rug van de pop en weest naar de buik, benen en tussen de benen van de pop. Ze draaide daarna de pop om en wees naar de buik, benen en tussen de benen van de pop. Hij vroeg even later of ze met de mond was gekust. [slachtoffer] deed hierop haar shirt omhoog en zei: “Nee, wel hier”, waarbij ze wees naar haar linker tepel. Ze zei dat het een beetje pijn deed omdat het ook met de tanden was. [slachtoffer] zei vervolgens uit zichzelf: “Ik ben ook met een massagestaaf gemasseerd”. Ze omschreef de massagestaaf als een lang ding, roze met zwart en met een knopje eraan waar ze aan kon draaien. Ze maakte hierbij ook een draaibeweging met haar hand en zei dat de massagestaaf hierdoor harder of zachter ging trillen. Omdat aangever niet wist wat [slachtoffer] bedoelde met een massagestaaf heeft hij dit op Google opgezocht. [slachtoffer] wees op zijn telefoon een roze massagestaaf aan en zei dat er ook nog zwart bij was.5

Verdachte heeft verklaard met de massagestaaf overdwars “over haar vagina” te zijn heen gegaan6, “maar niet er in”. De massagestaaf vond [slachtoffer] niet fijn en hij is hiermee niet in haar vagina geweest.

Ten aanzien van tweede feit heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] deels heeft uitgekleed en haar rug, billen en vagina heeft gemasseerd.7 Hij heeft verder verklaard dat hij haar wel betast en gekust heeft8,maar niet gebeten.

De rechtbank overweegt dat verdachte de verklaring van [slachtoffer] op alle punten heeft bevestigd, met uitzondering van het brengen van de massagestaaf tussen haar schaamlippen en het bijten in de tepels.

[slachtoffer] heeft tijdens het studioverhoor meerdere malen verklaard dat de massagestaaf ook in haar vagina is geweest. De rechtbank constateert dat de verklaring van [slachtoffer] duidelijk en stellig is en dat deze verklaring in grote lijnen overeen komt met het verhaal dat zij tegen haar ouders heeft verteld. Gelet op de authentieke wijze van verklaren, de genoemde details en de consistentie van haar verhaal, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaring. Het feit dat zij ook heeft verklaard dat zij niet heeft gevoeld dat massagestaaf in haar vagina is gegaan, maakt dit niet anders.

Verdachte heeft gelijkluidend verklaard over de wijze waarop het misbruik plaatsvond, namelijk het kietelen en het ontkleden van [slachtoffer] . Hij heeft ook bijna alle ontuchtige handelingen bevestigd, zoals het masseren en kussen van het lichaam van [slachtoffer] . Verdachte heeft ook verklaard dat hij met de massagestaaf over haar vagina is gegaan en daarbij haar clitoris met de massagestaaf heeft aangeraakt.9 De rechtbank acht niet aannemelijk, dat dit gebeurd is zonder daarbij in meer of mindere mate met de massagestaaf tussen de schaamlippen te komen. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte met de massagestaaf tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest. Deze handeling kan volgens vaste jurisprudentie worden gekwalificeerd als seksueel binnendringen. De rechtbank is daarom van oordeel, dat de verklaring van verdachte ook op dit punt voldoende steun biedt aan de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 2

Er is met uitzondering van de tenlastegelegde periode en het bijten in de tepels van [slachtoffer] sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering, en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [vader van slachtoffer] namens [slachtoffer] , p. 52-55;

- het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor, p. 60-61;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 augustus 2020.

Bewijsoverweging ten aanzien van het bijten

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn tong een kringetje heeft gedraaid om de linker tepel van [slachtoffer] . Ook heeft hij verklaard dat hij aan haar tepels heeft gezogen. Hieruit blijkt dat verdachte met zijn mond bij haar tepels is geweest. De verklaring van verdachte biedt daarmee voldoende steun aan de verklaring van [slachtoffer] dat zij tanden heeft gevoeld.10 De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in haar tepels heeft gebeten.

Bewijsoverweging ten aanzien van de tenlastegelegde periode

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte heeft verklaard dat de eerste keer dat verdachte ontuchtige handelingen pleegde bij [slachtoffer] het vlak voor Sinterklaas was11. De rechtbank is van oordeel dat dit valt binnen de tenlastegelegde periode. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd in de tenlastegelegde periode.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een of meer tijdstip in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 27

januari 2020 te Wijchen en/of Beuningen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2014, zijnde een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meerdere handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn vingers in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen en/of het brengen van een dildo/massagestaaf in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 27 januari 2020 te Wijchen en/, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2014, zijnde een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, een of ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het ontkleden van [slachtoffer] , het kussen en/of likken van en/of bijten in de tepel(s) van [slachtoffer] en/of het masseren en/of betasten van de billen en/of vagina van [slachtoffer] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of medebestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige;

ten aanzien van feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft gevorderd dat hieraan de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, het ondergaan van een ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] , [broertje van slachtoffer] , [moeder van slachtoffer] en [vader van slachtoffer] , een contactverbod met minderjarigen en een locatieverbod voor Beuningen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 8 mei 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 29 juli 2020;

- een Pro Justitia rapport van dr. drs. [naam deskundige] , klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, gedateerd 13 augustus.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van zijn kleindochter [slachtoffer] , die toen nog maar vijf jaar oud was, door een dildo tussen haar schaamlippen te brengen. Daarnaast heeft hij meermalen ontuchtige handelingen met haar gepleegd die onder andere bestonden uit het masseren van haar lichaam en het bijten in haar tepels. Dit gebeurde wanneer verdachte op [slachtoffer] paste als zij uit school kwam. Gelet op haar zeer jonge leeftijd verkeerde [slachtoffer] jegens verdachte in een afhankelijke positie, althans hij had een grote mate van overwicht op haar. Verdachte heeft met zijn handelingen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk en geestelijke integriteit van zijn kleindochter, waarvan – naar de ervaring leert – zij nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kan ondervinden. Dat de handelingen gepleegd zijn door een persoon die zij bij uitstek had moeten kunnen vertrouwen en op een locatie waar zij zich veilig had moeten voelen, maakt het gedrag van verdachte extra verwijtbaar.

Uit de slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer] blijkt dat het handelen van verdachte niet alleen buitengewoon nadelig is geweest voor haar leven, maar ook voor dat van haar vader, moeder, broertje en de rest van de familie.

Blijkens zijn justitiële documentatie is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Dit maakt hem een first offender.

In het Pro Justitia rapport is te lezen dat verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. De tenlastegelegde feiten kunnen - indien bewezen- aan verdachte toegerekend worden. Binnen een adequaat zorg- en behandelingskader dat gericht is op het doorbreken van het sociaal isolement en het verder onderzoeken van de achtergronden van de tenlastegelegde feiten, wordt het risico op herhaling als laag ingeschat. Om het recidiverisico te beperken wordt geadviseerd om een ambulante behandeling in een forensische kliniek op te leggen in het kader van een voorwaardelijk strafdeel en onder begeleiding van de reclassering. Daarnaast is het van belang dat verdachte een zinvolle vrijetijdsbesteding en voldoende sociale contacten krijgt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte het hem tenlastegelegde ter terechtzitting voor het overgrote deel heeft bekend en een groot schuldbesef heeft getoond. Verdachte heeft, nadat zijn vrouw al eerder aan kanker is overleden, door zijn handelen ook - naar het zich laat aanzien definitief - het contact met zijn zonen, schoondochters en kleinkinderen verloren.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. Gelet op het feit dat verdachte pas op een later moment heeft ingezien dat zijn handelen verkeerd was en dat hij de oorzaak van zijn handelen nog steeds niet weet te benoemen, zal de rechtbank om het risico op herhaling te minimaliseren de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden aan een fors voorwaardelijke strafdeel.

De rechtbank legt ook een contact- en locatieverbod op, omdat [slachtoffer] en haar gezin zich vrij moeten kunnen voelen om zich in hun woonplaats te bewegen zonder onverhoeds met verdachte geconfronteerd te worden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding ad € 7.815,50 ter zake van schade voortvloeiende uit de bewezenverklaarde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Indien de vordering wordt toegewezen, vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd. Door of namens verdachte is geen verweer gevoerd tegen de (hoogte van de) vordering. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten juist zijn en de vordering in beginsel dus zal worden toegewezen, uitgezonderd hetgeen de rechtbank hierna zal afwijzen.

De rechtbank wijst de vordering toe, behoudens de gevorderde kosten terzake de door de vader van het slachtoffer gevolgde therapie. Deze kosten betreffen immers geen rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit en ook geen verplaatste schade in de zin van artikel 6:107, eerste lid onder a, Burgerlijk Wetboek. Verplaatste schade ziet op schade die een derde heeft gemaakt ten behoeve van het slachtoffer. Dat is niet het geval. Evenmin is sprake van zogenaamde shockschade, nu niet is vastgesteld dat de therapie door de vader is gevolgd ter behandeling van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde strafbare feit. Hoe invoelbaar het immense leed van de ouders van het slachtoffer ook is, aan het in de jurisprudentie terzake ontwikkelde “confrontatie”-vereiste is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan.

De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen schadebedrag is toewijsbaar vanaf 27 januari 2020.

Gelet op het vorenstaande, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk op de eerste dag na het ingaan van de proeftijd telefonisch zal melden bij de Reclassering Nederland (088-8041405) om een afspraak te maken voor een eerste gesprek op de locatie Stieltjesstraat 1 te Nijmegen en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2014), [broertje van slachtoffer] (geboren op [geboortedag 3] 2017), [moeder van slachtoffer] (geboren op [geboortedag 4] 1982) en [vader van slachtoffer] (geboren op [geboortedag 5] 1983), allen wonende aan de [adres 2] te Beuningen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zich niet zal bevinden te Beuningen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met minderjarigen, althans dit zo veel als mogelijk zal vermijden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Indien contacten onvermijdelijk lijken te zijn, overlegt veroordeelde hierover vooraf met de reclassering;

- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan diagnostiek en zich onder behandeling zal stellen van een forensische psychiatrische polikliniek Kairos, of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven, zolang en indien de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht);

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van 7.575,50 (zevenduizendvijfhonderdvijfenzeventig euro en vijftig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 7.575,50 (zevenduizendvijfhonderdvijfenzeventig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 72 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Raat (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Boersma en mr. O.J. Ingwersen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2020.

mr. H.C. Leemreize is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door van de politie Oost Nederland, Sectie Zedenzaken, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020052425, gesloten op en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor, p. 60.

3 Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor, p. 60-61.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [vader van slachtoffer] namens [slachtoffer] , p. 52.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [vader van slachtoffer] namens [slachtoffer] , p. 53.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 augustus 2020.

7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 augustus 2020.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 augustus 2020.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 41.

10 Het proces-verbaal van aangifte door [vader van slachtoffer] namens [slachtoffer] , p. 53.

11 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 augustus 2020.