Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4501

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
05/720261-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag, schoppen tegen het hoofd terwijl slachtoffer weerloos op de grond ligt. Camerabeelden, eigen waarneming rechtbank gedaan ter terechtzitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720261-18

Datum uitspraak : 1 september 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres verdachte] ,

raadsman: mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 maart 2018 te Huissen, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde]

opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans éénmaal met kracht

op/tegen het hoofd/het gezicht van die [benadeelde] heeft getrapt/geschopt, op het moment dat die [benadeelde] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 maart 2018 te Huissen, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans éénmaal, met kracht op/tegen het hoofd/het gezicht van die [benadeelde] heeft getrapt/geschopt, op het moment dat die [benadeelde] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 25 maart 2018 te Huissen, in ieder geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal met kracht op/tegen het hoofd/het gezicht van die [benadeelde] te trappen/schoppen, terwijl die [benadeelde] op de grond lag.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 25 maart 2018 heeft er een geweldsincident plaatsgevonden in en buiten café [naam 1] in Huissen, waarbij aangever [benadeelde] tegen zijn hoofd is geschopt terwijl hij op de grond lag.2 [benadeelde] heeft als gevolg hiervan het volgende letsel opgelopen: een breuk in zijn neus, een breuk in zijn voorhoofdsholte en twee wonden in zijn aangezicht.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot doodslag. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van overtuigend bewijs. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat geen van de getuigen heeft waargenomen dat verdachte degene is geweest die tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Volgens de verdediging is de op de camerabeelden gebaseerde herkenning niet bruikbaar voor het bewijs. De camerabeelden zijn van onvoldoende kwaliteit, waardoor duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken niet zijn vast te stellen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de camerabeelden van het incident bekeken.

De rechtbank heeft bij fragment [bestandsnaam 1] waargenomen dat vanaf het begin van de opname te zien is dat er een persoon met iets wits aan op de grond ligt. Tussen 0:10 en 0:13 is te zien dat een man met lichtgekleurde kleding aan die persoon oppakt, midden op straat trekt en laat vallen. Vanaf 0:14 komen vier personen uit het café: twee voorop (een man met donkere kleding en lang donker haar en een man met donker haar en gekleurde kleding) en twee er achteraan (beiden met gekleurde kleding, een met donker en de ander met lichtkleurig haar). Te zien is dat de twee eerste personen naar links het beeld uitlopen. De twee andere personen lopen om de persoon op de grond heen, de persoon met donker haar rechtsom en de persoon met het lichtgekleurde haar linksom. De man met lichtgekleurd haar lijkt de persoon op de grond in het gezicht te schoppen.

Bij fragment [bestandsnaam 2] heeft de rechtbank waargenomen dat tussen 0:05-0:06 vanuit rechts een man in beeld komt lopen met een zwart jasje aan met daaronder iets van een shirt met opdruk. Hij heeft donkere lange haren. De man loopt de straat op, keert halverwege en loopt terug. Tussen 0:14 en 0:19 is te zien dat de man ter hoogte van het café naar iemand wijst en de indruk ontstaat dat hij die persoon probeert mee te krijgen. De persoon die naar buiten komt en achter hem aanloopt ziet eruit als de man die op het vorige fragment schopte. Er loopt nog een derde man mee: met kort donker haar en gekleurde bovenkleding. Op 0:34 is te zien dat de man met de donkere kleding terug komt lopen en nog een vierde man ophaalt: een man met donker haar en gekleurde kleding. Tegelijkertijd komt de man die hij aanvankelijk heeft opgehaald weer teruglopen. De persoon die is te zien op de voorgrond probeert overeind te komen en valt weer op de grond. De man die terug komt lopen, loopt in een rechte lijn op die persoon op de grond af, haalt uit en schopt deze in het gezicht en loopt door. De tweede schop lijkt met veel meer kracht te gaan dan de schop in het fragment [bestandsnaam 1] : het hoofd van de man op de grond klapt naar achteren en weer naar voren. Te zien is dat het haar van de man die heeft geschopt lichtgekleurd en bovenop iets donkerder is.4

De rechtbank heeft daarnaast tijdens het onderzoek ter terechtzitting de gelaatsfoto van verdachte op het informatiestaat SKDB-persoon bekeken en daarbij waargenomen dat verdachte wit haar heeft, dat bovenop het hoofd donkergrijs is. Verdachtes haar vertoont een grote gelijkenis met het haar van de man die op de beelden te zien is als degene die heeft geschopt.5

De beelden zijn door de politie aan getuige [getuige] getoond. [getuige] heeft over fragmenten [bestandsnaam 1] en [bestandsnaam 2] verklaard dat hij de man – die twee keer tegen het hoofd van [benadeelde] heeft geschopt – heeft herkend als verdachte. [getuige] heeft hem aan zijn korte grijze haar en loopje herkend. De man met het lang donker haar, zwarte kleding en een t-shirt met witte letters herkent hij als [naam 2] .6

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 25 maart 2018 in café [naam 1] in Huissen was, samen met [naam 2] en twee andere maatjes.7

De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de beelden van een zodanige kwaliteit zijn dat deze een betrouwbare positieve herkenning toelaten. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de herkenning van getuige [getuige] te twijfelen. Daar komt bij dat het in deze zaak niet om een algemene herkenning gaat, maar om een herkenning van een specifieke groep personen die die avond in café [naam 1] was en waarbij de personen elkaar (in ieder geval van gezicht) kenden. Gelet hierop is het dan ook niet aannemelijk dat [getuige] verdachte zou hebben verward met een ander persoon, nu verdachtes haarkleur zich duidelijk onderscheidt van die van de andere personen op de beelden. Steun voor dat oordeel vindt de rechtbank in de omstandigheid dat op de fragmenten is te zien dat de persoon die heeft geschopt tot twee maal toe samen met drie anderen de plaats van het incident verlaat, één van die personen door een getuige wordt herkend als [naam 2] , en verdachte heeft verklaard dat hij die avond met [naam 2] en twee anderen café [naam 1] bezocht.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die tegen het gezicht van [benadeelde] heeft geschopt.

De rechtbank maakt een onderscheid tussen de eerste en de tweede schop. De tweede schop was veel krachtiger dan de eerste en te zien was dat het hoofd van [benadeelde] naar achteren klapte en weer terug. De rechtbank is van oordeel dat die tweede schop naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als gericht op de dood van [benadeelde] . Het is een algemene ervaringsregel dat het hoofd dusdanig kwetsbaar is dat, indien daartegen met kracht met geschoeide voet wordt geschopt, de aanmerkelijke kans bestaat dat daardoor zodanig ernstig schedel- en hersenletsel ontstaat dat dit de dood van het slachtoffer veroorzaakt. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde] zou kunnen overlijden, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank acht dan ook het primair tenlastegelegde, de poging doodslag, bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 25 maart 2018 te Huissen, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde]

opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans éénmaal met kracht

op/tegen het hoofd/het gezicht van die [benadeelde] heeft getrapt/geschopt, op het moment dat die [benadeelde] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

‘poging tot doodslag’.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gesteld zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in het geval het tot een veroordeling komt, rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en een maximale taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en daaraan gesteld de voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Beoordeling door de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 25 maart 2018 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer met kracht met geschoeide voet tegen zijn hoofd geschopt, terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer letsel opgelopen. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de lichamelijk en psychische gevolgen hiervan ondervinden. Dit is ook het geval geweest bij het slachtoffer in deze zaak, zoals hij heeft beschreven in zijn slachtofferverklaring. Dat het niet slechter is afgelopen met het slachtoffer is niet aan verdachte te danken. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen gevoelens van onveiligheid bij het uitgaanspubliek en omwonenden veroorzaakt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 6 juli 2020. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld, maar wel voor andere delicten. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies van 16 januari 2020.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, en wel voor de duur van 15 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om het reclasseringsadvies te volgen en een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met de daarin geadviseerde voorwaarden op te leggen, nu het reclasseringsadvies vooral gebaseerd is op de verklaring van verdachte dat hij (alleen) binnen in het café uit naïviteit bij een opstootje werd betrokken toen hij de boel wilde sussen. De rechtbank acht het wel van belang dat aan verdachte een contactverbod met aangever wordt opgelegd. Zij zal deze niet als bijzondere voorwaarde opleggen, maar als een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] , bijgestaan door mr. M. van Lent, heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezen verklaarde feit.

Gevorderd werd een bedrag van € 20.375,14. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij de vordering bijgesteld naar € 13.928,12.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 13.196,29, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, nu de behandeling van de vordering volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor het overige heeft de verdediging volstaan met de opmerking dat de vordering wordt betwist.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank oordeelt ten aanzien van de verschillende schadeposten als volgt.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 4.500,-- aan immateriële schade gevorderd. Gesteld en onderbouwd is dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel en psychische schade opgelopen. Deze schadepost is niet inhoudelijk en gemotiveerd betwist, en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en niet onredelijk. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen.

Schade wegens verlies aan verdiencapaciteit

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 4.203,33 gevorderd als vergoeding van verlies aan verdiencapaciteit. De benadeelde partij heeft een dienstverband voor onbepaalde tijd voor 36 uur per week. Op 26 maart 2018, een dag na het bewezenverklaarde, heeft de benadeelde partij zich ziekgemeld. Hij is tot 20 februari 2019 volledig arbeidsongeschikt geweest. Daarna heeft de benadeelde partij het aantal werkuren per week opgebouwd tot 28 uren per week vanaf 29 juli 2019. Tot 26 maart 2019 heeft de benadeelde partij 100% van zijn salaris uitbetaald gekregen. Vanaf 26 maart 2019 zijn de door de benadeelde partij gewerkte uren voor 100% uitbetaald en de niet-gewerkte uren tot 70%. De benadeelde partij heeft vergoeding gevraagd van het misgelopen nettoloon. Deze kosten zijn niet inhoudelijk en gemotiveerd betwist. Uit de bijgevoegde stukken stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij in ieder geval € 4000,-- aan inkomsten heeft gemist. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen.

Extra reiskosten

De door de benadeelde partij gevorderde reiskosten zijn ter terechtzitting bijgesteld naar een bedrag van € 88,96. Deze kosten zijn niet gemotiveerd betwist, voldoende onderbouwd en het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor. Het gevorderde bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Medische kosten

De door de benadeelde partij gevorderde medische kosten zijn ter terechtzitting bijgesteld naar een bedrag van € 245,76. Uit de bijgevoegde stukken blijkt dat de benadeelde partij 21 behandelingen bij de fysiotherapeut heeft gehad voor nek-, schouder- en knieklachten, waarvan acht behandelingen niet door de verzekeraar zijn vergoed. Door de benadeelde partij wordt vergoeding van die behandelingen gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde kosten onvoldoende in de vordering zijn onderbouwd. Uit de bijgevoegde stukken blijkt niet dat de behandelingen die niet zijn vergoed ten behoeve van nekklachten waren en dat de benadeelde partij die behandelingen heeft ondergaan als gevolg van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Beschadigde kleding

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 110,-- gevorderd als vergoeding van beschadigde kleding. Door het bewezenverklaarde is de kleding van de benadeelde partij bebloed geraakt. Deze kosten zijn niet gemotiveerd betwist, voldoende onderbouwd en het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor. Het gevorderde bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 897,-- gevorderd als vergoeding van huishoudelijke hulp en een bedrag van € 847,88 als vergoeding van verlies van zelfwerkzaamheid. Uit de bijgevoegde stukken blijkt dat de benadeelde partij door fysieke klachten licht tot matig is beperkt in het uitvoeren van huishoudelijke taken.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde kosten onvoldoende in de vordering zijn onderbouwd. Uit de bijgevoegde stukken blijkt niet welke kosten door de benadeelde partij zijn gemaakt. Daarnaast kan het causale verband tussen deze kosten en het bewezenverklaarde niet eenvoudig worden vastgesteld, nu onvoldoende duidelijk is door welke fysieke beperkingen de benadeelde partij niet in staat was taken uit te voeren en of deze beperkingen zijn ontstaan als gevolg van het bewezenverklaarde. Daarbij betrekt de rechtbank dat de benadeelde partij ook voorafgaand aan de door verdachte toegebracht schop betrokken was bij een mishandeling en ten gevolge daarvan letsel heeft opgelopen. In de toelichting op de vordering wordt met een beroep op artikel 6:99 van het Burgerlijk Wetboek gesteld dat (ook) op verdachte de verplichting rust de volledige schade te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hier sprake is van een situatie als in de bepaling bedoeld, waarin de hier gevorderde schade geheel veroorzaakt zou kunnen zijn door het handelen dat verdachte wordt verweten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Buitengerechtelijke kosten

De door de benadeelde partij gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn ter terechtzitting bijgesteld naar een bedrag van € 864,21. Gesteld is dat de benadeelde partij in het kader van (het corresponderen over) het vaststellen van de civiele aansprakelijkheid twee GBA-uittreksels betreffende verdachte heeft opgevraagd, kosten € 21,40. Nu deze kosten zijn gemaakt voor het eventueel starten van een civiele procedure, komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast heeft de benadeelde partij informatie op moeten vragen bij de huisarts en de fysiotherapeut ter onderbouwing van de vordering (€ 122,81). Deze kosten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor. Het gevorderde bedrag zal dan ook worden toegewezen.

De overige gevorderde buitengerechtelijke kosten betreffen naar het oordeel van de rechtbank proceskosten. Een vergoeding voor proceskosten zal worden toegewezen op basis van het liquidatietarief, waarbij de rechtbank uitgaat van 2 punten (voor het indienen van de vordering en de aanwezigheid op zitting) en een vergoeding van € 300,00 per punt op basis van de liquidatietarieven kanton).

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van de benadeelde partij toegewezen worden tot een bedrag van € 8821,77. De rechtbank zal het toegewezen bedrag voor de immateriële schadevergoeding (€ 4.500,--) vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 maart 2018, het overige (€ 4.321,77) met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (zoals hiervoor overwogen: een bedrag van € 600,00) en de kosten die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden op dit moment begroot op nihil. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38v en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op de vrijheidsbeperkende maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren:

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats benadeelde] en wonende aan [adres benadeelde] );

 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De rechtbank:

 veroordeelt veroordeelde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij, van een bedrag van € 8.821,77 (achtduizend achthonderdeenentwintig euro en zevenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 600,00 (zeshonderd euro);

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van € 8.821,77 (achtduizend achthonderdeenentwintig euro en zevenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 79 (negenenzeventig) dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade (een bedrag van € 4.500,--) op 25 maart 2018;

 bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade (een bedrag van € 4.321,77) op 1 januari 2020.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Bertens, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. J. Wiersma,

rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2020.

mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018310247, gesloten op 12 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 44-46.

3 De geneeskundige verklaring, p. 67.

4 De eigen waarneming van de rechtbank gedaan ter terechtzitting van 18 augustus 2020.

5 De informatiestaat SKDB-persoon van 6 juli 2020 en de eigen waarneming van de rechtbank gedaan ter terechtzitting van 18 augustus 2020.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 97.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 111-112.