Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4499

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1701
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering afgewezen. Partijen houdt de vraag

verdeeld of bij de draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden met het op het inkomen van

eiser gelegde beslag. De uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017,

ECLI:NL:CRVB:2017:501verdient geen navolging. Het bestreden besluit berust op een onjuiste

motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 19/1701

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2020

in de zaak tussen

[Eiser A] te [plaats A] , eiser

(gemachtigde: mr. T.P. Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden te De Steeg, verweerder

(gemachtigde: R. Geerdink).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft inkomsten uit arbeid in loondienst. Bij uitspraak van de kantonrechter van deze rechtbank van 16 augustus 2018 zijn de goederen van eiser onder bewind gesteld en is een bewindvoerder benoemd. Eiser heeft op 20 september 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor de periodieke kosten van bewindvoering ten bedrage van € 144,03 per maand, voor eenmalige kosten voor door de bewindvoerder te verrichten aanvangswerkzaamheden ten bedrage van € 628,47 (inclusief BTW) en voor griffierecht ten bedrage van € 79,-.

2. Gelet op de door partijen in beroep ingenomen standpunten is in beroep alleen nog in geschil of verweerder de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering en voor de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder terecht heeft afgewezen.

3. In artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4. Tussen partijen is niet in geschil is dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Daarom dient hier de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

5. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiser voldoende draagkracht heeft om de periodieke kosten van bewindvoering en de aanvangskosten te voldoen. In dat kader houdt partijen de vraag verdeeld of bij de draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden met het op het inkomen van eiser gelegde beslag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van het totale inkomen en niet het feitelijk besteedbaar inkomen na beslag, omdat anders indirect bijzondere bijstand wordt verstrekt voor schulden, wat in strijd is met artikel 13, eerste lid, onderdeel g van de PW. Verwezen is in dat verband naar de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017.1 Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat deze uitspraak van de CRvB geen navolging verdient, omdat deze haaks staat op de eerdere lijn van de CRvB.2 Eiser heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 december 2018 waarin die rechtbank een beroep op de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 gemotiveerd heeft gepasseerd.3

6. In de uitspraak van 28 maart 2006 heeft de CRvB overwogen dat indien op een deel van het inkomen van een belanghebbende executoriaal beslag is gelegd waardoor belanghebbende ter zake van dat deel geen feitelijke bestedingsmogelijkheid heeft, niet beschikkingsbevoegd is, en geen mogelijkheid heeft om dat deel aan hem uit te laten betalen, het college bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand met dat deel van het inkomen geen rekening mag houden. Dit omdat belanghebbende daar niet redelijkerwijs over kan beschikken. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 niet kan worden afgeleid dat de CRvB heeft beoogd om af te wijken van de tot dan toe gehanteerde lijn van de CRvB zoals verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. In de zaak die tot de uitspraak van 14 februari 2017 heeft geleid was net als in de onderhavige zaak in geschil de vraag of belanghebbende beschikte over voldoende draagkracht ter bestrijding van de kosten van beschermingsbewind. Vervolgens heeft de CRvB echter de vraag beantwoord of de kosten waarvoor bijstand was aangevraagd voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Deze vraag maakte geen onderdeel uit van het geschil. De uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 verdient daarom geen navolging.

7. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit berust op een onjuiste motivering. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit naar aanleiding van het bezwaar moeten nemen. Daarbij zal verweerder in het bijzonder het volgende in aanmerking moeten nemen.

Uit de gedingstukken volgt dat de voor beslag vatbare ruimte in het inkomen niet volledig werd uitgewonnen. Dat brengt mee dat, met inachtneming van de beslagvrije voet, het deel van het inkomen dat niet onder het beslag viel, maandelijks als draagkracht in aanmerking kan worden genomen. Voor zover en voor zolang dat deel niet toereikend is om de kosten van bewindvoering te voldoen, dient aan eiser bijzondere bijstand te worden verstrekt. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de kosten maandelijks zijn verschuldigd met ingang van de datum waarop het bewind is uitgesproken (16 augustus 2018). Voor de aanvangskosten van het bewind geldt dat deze weliswaar in januari 2019 zijn betaald, maar reeds bij aanvang van het bewind waren verschuldigd. Verweerder zal bij de nieuwe beslissing op bezwaar dan ook moeten bezien of het inkomen van eiser op het tijdstip waarop deze kosten moesten worden voldaan en met inachtneming van het gelegde beslag, voldoende ruimte bood.

8. Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 525,- per punt, wegingsfactor 1) voor verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit naar aanleiding van het bezwaar neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.050,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 47,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. M.J. van Lee en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Lankamp, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 september 2020

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:CRVB:2017:501.

2 CRvB, 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374.

3 ECLI:NL:RBOBR:2018:6393