Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4495

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
8274471 \ CV EXPL 20-861
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening, geen schenking. Opeisbaarheid; art. 7A:1798 niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8274471 \ CV EXPL 20-861 \ 701 \ 45950

uitspraak van 10 juni 2020

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende in [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.A.H. Schoofs,

procederende krachtens toevoegingsnummer [toevoegingsnummer],

tegen

[gedaagde],

wonende in [woonplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W. Vahl.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 januari 2020 met producties,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek met een productie.

1.2.

Nadat de kantonrechter vonnis heeft bepaald, heeft [eiser] in een brief van 25 mei 2020 aan de rechtbank verzocht om nog met een aanvullende productie te mogen reageren op een opmerking van [gedaagde] in (punt 7 van) de conclusie van dupliek over de geestelijke gesteldheid van [eiser]. De kantonrechter wijst dit verzoek af als strijdig met de goede procesorde en omdat zij een aanvullende productie over dit onderwerp niet relevant vindt voor de beoordeling van deze zaak.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben een tijd lang veel onderling contact gehad, nadat [eiser] ziek thuis kwam te zitten na een ongeval op zijn werk. Partijen woonden destijds bij elkaar in de buurt.

2.2.

[eiser] heeft op verschillende data in 2015, 2016 en 2017 geldbedragen overgemaakt naar de rekening van [gedaagde]. [eiser] heeft dit steeds gedaan nadat [gedaagde] hem daar per whatsappbericht om had verzocht. Hierna volgt een overzicht van de verschillende berichten en betalingen.

2.3.

In een whatsapp van 25 september 2015 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“(…) ik moet voor dinsdag mijn wegenbelasting betaald ( 180) hebben en mijn wagen is nog niet verkocht kan jij mij deze voorschieten anders boete van 250 euro . (…) Alvast dank als de wagen weg is krijg je deze gelijk terug (…)”.

[eiser] heeft op 25 september 2015 € 180,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.4.

In een whatsapp van 15 januari 2016 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“(…) nog ff een vraag jij helpt mij toch met de borg van het nieuwe huis? Aangezien december erg duur was voor mij ik nu de zorgverzekering voor moest schieten en wegenbelasting heb betaald haal ik complete borg nu niet als ik alles retour heb betaal ik het gelijk terug..laat ff weten anders moet ik alsnog afzeggen.. Ik krijg nu ook mijn geld voorlopig van [naam 1] niet”.

[eiser] heeft op 15 januari 2016 € 100,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.5.

In een whatsapp van 21 januari 2016 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“Hey maatje kan herrinnering voor gedeelte vd borg..kan jij 400 ipv 350 storten..zou heel fijn zijn..ik heb uitgerekend dat ik je 50 euro per maand kan terug betalen..alvast heel erg Dank. (…)”.

[eiser] heeft op 21 januari 2016 € 400,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.6.

In een whatsapp van 9 maart 2016 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“(…) kan jij mij nog 100 euro voorschieten? Deze krijg je met mijn vakantiegeld terug..ik zit ff omhoog..kan jij deze als jij dat oke vind nu gelijk overboeken??”

[eiser] heeft op 9 maart 2016 € 100,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.7.

In een whatsapp van 8 december 2016 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“(…) Ik zal morgen [naam 2] ook de onderdelen en de keuring moeten betalen maar ik kan dat niet aangezien [naam 3] haar verjaardag is geweest en alles veel duurder uitvalt. Zou je mij nog eenmalig willen helpen met 250 euro? (…) mocht je mij kunnen helpen kan je dat dan voor 2 overmaken zodat ik [naam 2] morgen kan betalen ?”

[eiser] heeft op 8 december 2016 € 250,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.8.

In een whatsapp van 2 januari 2017 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“Goedemorgen (…), ik durf het bijna niet te vragen maar ik kan niet anders December was voor mij de laatste moeilijke maand met al die aflossingen. En nu kan ik door de laatste maand geen kant op. Kan jij mij nog 1 keer uit de brand helpen (…). Kan jij mij nog eenmalig 300 euro voorschieten krijg je deze van mijn vakantiegeld terug . Kan jij deze dan vandaag voor 2 overmaken ? Alvast dank. X”.

[eiser] heeft op 2 januari 2017 € 300,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.9.

In een whatsapp van 29 augustus 2017 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover relevant, het volgende:

“Goedemorgen kan jij mij nog 1 keer helpen met 250,- ik kan nog steeds geen toeslag aanvragen omdat [naam 4] zich niet uitschrijft mijn auto gaat deze week in de verkoop en koop een kleintje terug ik moet en kan niet anders dan krijg je het gelijk terug . Kan je dat voor 14.00 doen vandaag . Alvast dank ik bel vanmiddag even xx”

[eiser] heeft op 29 augustus 2017 € 250,00 naar de rekening van [gedaagde] overgemaakt.

2.10.

In november 2019 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van in totaal € 2.000,00 aan hem terug te betalen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, in een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.580,00. Dit betreft het totaalbedrag van de onder 2.3.-2.9. weergegeven bedragen. [eiser] stelt dat er sprake is van geldleningen. [gedaagde] heeft ondanks haar toezeggingen niets van de geleende bedragen terugbetaald. Volgens [eiser] heeft hij destijds nog veel meer geld aan [gedaagde] geleend, maar heeft hij daarvan geen bewijs meer. Daarom heeft hij zijn vordering beperkt.

3.2.

[gedaagde] betwist dat sprake is van geldleningen. Dat [gedaagde] destijds (onverplicht) heeft aangeboden om de overgemaakte bedragen terug te betalen maakt dat volgens haar niet anders. [eiser] heeft zelf destijds aangegeven geen terugbetaling te willen, in verband met door [gedaagde] geleverde tegenprestaties in de vorm van zorg en hulp. Er was in dat licht eerder sprake van een schenking. [eiser] heeft ook nooit eerder dan in zijn sommaties van november 2019 om terugbetaling van de genoemde bedragen gevraagd, aldus [gedaagde]. Dat wijst ook op het bestaan van een (nadere) afspraak tussen partijen dat [eiser] het geld aan [gedaagde] heeft geschonken. Als [eiser] al iets te vorderen heeft, dan kan hij volgens [gedaagde] nu niet op grond van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (BW) terstond nakoming eisen. Uit de aard en inhoud van de overeenkomst (tussen bekenden en betreffende een renteloze lening voor onbepaalde tijd) en de redelijkheid en billijkheid kan immers voortvloeien dat niet terstond nakoming kan worden gevorderd ook al is niet (expliciet) een tijd voor de nakoming bepaald. Als [eiser] al een opeisbare vordering heeft, dan verzoekt [gedaagde] de kantonrechter op grond van artikel 7A:1798 BW een redelijke betalingsverplichting vast te stellen en daarbij rekening te houden met het feit dat [gedaagde] nauwelijks aflossingscapaciteit heeft.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de betalingen van [eiser] aan [gedaagde] geldleningen of schenkingen waren.

4.2.

[gedaagde] geeft in haar berichten waarin zij [eiser] om geld vraagt aan dat het gaat om ‘voorschieten’ of ze gebruikt bewoordingen als ‘geef ik het gelijk terug’, ‘dan krijg je het gelijk terug’, ‘ik… kan terugbetalen’ of ‘betaal ik het gelijk terug’. [gedaagde] verklaart dus in haar verzoeken zelf dat zij het geld wil en zal terugbetalen. [eiser] heeft uit deze verzoeken van [gedaagde] redelijkerwijs mogen afleiden dat [gedaagde] het geld van hem wilde lenen en dat [gedaagde] er dus ook zelf van uitging dat zij de bedragen op enig moment zou terugbetalen en niet zomaar van [eiser] zou krijgen. In een aantal berichten noemt [gedaagde] ook een specifiek moment waarop zij zou terugbetalen (als zij haar vakantiegeld zou hebben ontvangen bijvoorbeeld). De verzoeken van [gedaagde] kunnen dan ook worden beschouwd als verzoeken om geldlening waarmee [eiser] vervolgens, door het geld op dezelfde dag nog naar [gedaagde] over te maken, akkoord is gegaan. Zo zijn op verschillende momenten overeenkomsten van geldlening tot stand gekomen.

4.3.

[gedaagde] stelt nog dat er op enig moment een (nadere) afspraak zou zijn gemaakt, waarbij [eiser] zou hebben gezegd dat hij het geld niet terug hoefde – gezien de hulp en zorg die [gedaagde] [eiser] heeft geboden – en dat dus zou zijn afgesproken dat de betalingen als een schenking moesten worden beschouwd. Dit betwist [eiser] echter. [gedaagde] heeft het bestaan van deze vermeende afspraak verder niet onderbouwd of geconcretiseerd (bijvoorbeeld met wat er precies is afgesproken, wanneer dat is gebeurd en met betrekking tot welke bedragen). Volgens [gedaagde] wijzen de manier waarop partijen destijds met elkaar omgingen en het feit dat [eiser] niet eerder om terugbetaling zou hebben gevraagd in de richting van een dergelijke afspraak, maar dat is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat een dergelijke afspraak daadwerkelijk is gemaakt.

4.4.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] de leningen aan [eiser] terug zal moeten betalen. Dat [eiser] niet eerder om terugbetaling heeft verzocht, hetgeen hij overigens betwist, maakt de verplichting tot terugbetaling niet ongedaan.

4.5.

In de berichten van [gedaagde] aan [eiser] staat een aantal concrete momenten genoemd waarop [gedaagde] de bedragen aan [eiser] zou terugbetalen. Artikel 6:38 BW, dat ziet op de situatie waarin geen tijd voor de nakoming is bepaald, is dan ook niet van toepassing. Twee keer noemt [gedaagde] het ontvangen van vakantiegeld als moment (2.6. en 2.8.), twee keer noemt zij als moment de verkoop van een auto (2.3. en 2.9.) en twee keer hangt het moment van terugbetalen samen met het moment van retour ontvangen van de borg (2.4. en 2.5.). Dat deze momenten inmiddels zijn verstreken, is niet in geschil. Deze bedragen zijn dus opeisbaar. Voor de geldlening uit 2.7. (€ 250,00) blijkt niet dat een concreet moment is afgesproken waarop [gedaagde] zou terugbetalen. [gedaagde] heeft onvoldoende (onderbouwd) gesteld waarom uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [eiser] niet terstond nakoming kan vorderen ten aanzien van dit bedrag. Zij stelt dat haar financiële middelen op dit moment beperkt zijn. Het door [gedaagde] overgelegde (summiere) besluit van de gemeente [plaats] over toekenning van een bedrijfskapitaal aan [gedaagde] en haar huidige partner, verschaft echter onvoldoende helderheid over haar financiële situatie. Bovendien heeft [eiser] betwist dat [gedaagde] in financiële nood verkeert. Het totale gevorderde bedrag is dus opeisbaar.

4.6.

Het verzoek op grond van artikel 7A:1798 BW zal worden afgewezen. Art. 7A:1798 BW houdt in dat, indien is overeengekomen dat de lener moet terugbetalen “wanneer hij daartoe in staat zal zijn”, de rechter gehouden is de tijd van terugbetaling te bepalen. Tussen partijen is niet overeengekomen dat [gedaagde] zou terugbetalen als zij daartoe in staat zou zijn (zie ook 4.5.). Artikel 7A:1798 BW is daarom niet van toepassing.

4.7.

De conclusie luidt dat de vordering zal worden toegewezen.

4.8.

Omdat [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten van [eiser] betalen. Deze kosten worden als volgt begroot:

- griffierecht € 83,00

- salaris gemachtigde € 360,00 (2,0 punten x tarief € 180,00)

-----------

Totaal € 443,00.

Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de door de griffier voorgeschoten exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.580,00;

5.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] begroot op € 443,00 in totaal, waarvan € 83,00 aan griffierecht en € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter-plv. mr. J.M. Breimer en in het openbaar uitgesproken door mr. P.J. Wiegman op 10 juni 2020