Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4447

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8112958 \ CV EXPL 19-12607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bemiddelingsovereenkomst tot stand gekomen (aanbod en aanvaarding). Geslaagde bemiddeling mbt stagekandidaat. Boete in algemene voorwaarden; boetebeding niet vernietigbaar want algemene voorwaarden ter hand gesteld. Matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8112958 \ CV EXPL 19-12607 \ 45950

uitspraak van

vonnis van 12 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid StudentenBureau B.V.,

gevestigd in ’s-Hertogenbosch,

eisende partij,

gemachtigde: mr. N. Duine,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V.,

gevestigd in Ede,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R.C.H. Bruinier.

Partijen worden hierna StudentenBureau en [Gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 januari 2020,

- de akte houdende overlegging producties van StudentenBureau, met producties 25-27,

- de akte overlegging productie van [Gedaagde], met productie 10,

- de brief van de rechtbank van 16 maart 2020 waarin aan partijen is meegedeeld dat de mondelinge behandeling van 18 maart 2020 in verband met het coronavirus niet doorgaat,

- de brief van de rechtbank van 20 april 2020 waarin staat dat de procedure schriftelijk verder gaat,

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging grondslag en vermeerdering eis,

- de conclusie van dupliek, met producties 11-13.

1.2.

Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2 De feiten

2.1.

StudentenBureau is een uitzendbureau dat bemiddelingsdiensten verricht tussen bedrijven en studenten voor (onder meer) stageopdrachten. [Gedaagde] is een bedrijf dat zich bezighoudt met metaalbewerking.

2.2.

Op 1 mei 2018 is er telefonisch contact geweest tussen StudentenBureau en [Gedaagde] over mogelijke dienstverlening van StudentenBureau aan [Gedaagde]. Vervolgens heeft StudentenBureau aan [Gedaagde] dezelfde dag een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende staat:

“Zoals afgesproken stuur ik u meteen wat meer informatie over hoe wij u kunnen helpen bij het vinden van de juiste student.

(…)

En wat kost dat dan?

Om te beginnen werken we op basis van no cure no pay. Simpel gezegd: vinden we geen geschikte student? Dan betaalt u niks. De kosten zijn verder als volgt opgebouwd:

 Stagiairs met een bedrijfskundige studie (…) vanaf € 2.350,- en met een technische studie vanaf € 2.995,-

(…)

2.3.

Op 5 juni 2018 heeft bij [Gedaagde] op kantoor een kennismakingsgesprek tussen partijen plaatsgevonden waarin StudentenBureau haar bemiddelingsdiensten en de kosten daarvan nogmaals heeft toegelicht. Later op de ochtend heeft StudentenBureau een e-mail naar [Gedaagde] gestuurd met de volgende tekst, voor zover relevant:

“In deze mail staat de belangrijkste informatie die we besproken hebben en de afspraken die we samen gemaakt hebben om voor jullie een geschikte student te vinden.

Wat zit er in de bijlage?

 Onze algemene voorwaarden zodat je deze nog even rustig door kunt lezen

 De presentatie van ons bedrijf die we samen hebben doorgenomen

(…)

Wat kun je van mij verwachten?

Ik ga op zoek naar de juiste student en houd je hierbij regelmatig op de hoogte. Ik hou hierbij rekening met de eisen aan een kandidaat die voor jullie belangrijk zijn. Ik heb intern meteen overlegd en ze geven aan dat het toch echt een meewerkstage moeten zijn. (…) Ik ga dus op zoek naar een meewerkstudent die de norm 14001 kan gaan oppakken!

Alle studenten spreek ik eerst telefonisch, waarna ik een selectie maak van de meest geschikte kandidaten. Die nodig ik bij mij uit op kantoor voor een persoonlijk gesprek en zij maken een persoonlijkheidsassessment. Als ik iemand spreek waar ik een goed gevoel over heb, dan zal ik je vragen om een moment in je agenda vrij te maken voor een sollicitatiegesprek.

Kort nog even de belangrijkste punten:

 Onze bemiddeling is op basis van no-cure-no-pay: vind ik geen geschikte kandidaat, dan betalen jullie niks

 (…)

 Wanneer jullie en de student na een sollicitatiegesprek de intentie uitspreken om met de stage te starten, dan is de bemiddeling geslaagd! Vergeet niet: we versturen dan ook de factuur. (…)”

2.4.

StudentenBureau heeft vervolgens op 12 juni 2018 telefonisch contact gehad met een mogelijk geschikte stagiair voor [Gedaagde], [naam 1]. In een e-mail van 12 juni 2018 heeft StudentenBureau [naam 1] uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek via Skype op 14 juni 2018.

2.5.

Op 15 juni 2018 is er contact geweest tussen StudentenBureau en [Gedaagde]. [Gedaagde] heeft ingestemd met het voeren van een sollicitatiegesprek met [naam 1].

2.6.

Op 21 juni 2018 heeft het sollicitatiegesprek plaatsgevonden. StudentenBureau heeft die dag via WhatsApp contact met [naam 1] gehad over het gesprek. In berichten van [naam 1] aan StudentenBureau staat dat het gesprek goed ging, dat het allemaal rond is en dat hij een e-mail had ontvangen dat hij welkom is bij [Gedaagde]. Vervolgens heeft StudentenBureau dezelfde dag een e-mail gestuurd naar [Gedaagde] met onder meer de volgende tekst:

“Heel fijn dat [naam 1] bij jullie gaat starten als stagiair! (…)

(…)

En hoe nu verder?

In de komende periode moeten er nog een aantal afrondende zaken geregeld worden. Ook komt de factuur voor deze geslaagde bemiddeling jullie kant op. (…)”

2.7.

Op 22 juni 2018 heeft [Gedaagde] per e-mail contact opgenomen met StudentenBureau over de betalingsvoorwaarden van de bemiddelingskosten, onder andere over de betalingstermijn. Vervolgens is hierover diezelfde dag telefonisch en via e-mail contact geweest tussen partijen.

2.8.

StudentenBureau heeft [Gedaagde] met een factuur van 29 juni 2018 een bedrag van € 2.650,00 (€ 3.206,50 inclusief btw) aan bemiddelingskosten in rekening gebracht.

2.9.

[Gedaagde] heeft op 4 juli 2018 per e-mail aan StudentenBureau laten weten dat hij het niet eens is met de factuur. Volgens [Gedaagde] is er nog niets geleverd en is het gefactureerde bedrag erg hoog. [Gedaagde] vraagt of StudentenBureau openstaat voor een nieuw voorstel, anders kunnen partijen niet verder, zo schrijft [Gedaagde]. Op 4 en 5 juli 2018 is er telefonisch contact geweest tussen partijen.

2.10.

De stage is in juli 2018 geannuleerd. De factuur van 29 juni 2018 is gecrediteerd.

2.11.

[naam 1] heeft vanaf september 2018 stage gelopen bij [Gedaagde].

2.12.

In een e-mail van 28 september 2018 aan [Gedaagde] schrijft StudentenBureau dat zij heeft vernomen dat [Gedaagde] [naam 1] toch heeft aangenomen, buiten StudentenBureau om. Met een factuur van 28 september 2018 heeft StudentenBureau een bedrag van € 9.256,50 (inclusief btw) bij [Gedaagde] in rekening gebracht. Op de factuur staat dat dit bedrag € 2.650,00 aan bemiddelingskosten betreft en € 5.000,00 aan boete op grond van artikel 12 van de algemene voorwaarden van StudentenBureau.

2.13.

In artikel 12.1 van de algemene voorwaarden van StudentenBureau is het volgende bepaald:

“Indien de opdrachtgever, of een aan opdrachtgever gelieerde onderneming, binnen 24 maanden nadat de opdrachtnemer een kandidaat heeft voorgesteld aan de opdrachtgever zelf rechtstreeks een (stage)overeenkomst aangaat met (…) een door de opdrachtnemer voorgestelde kandidaat, is hij aan de opdrachtnemer verschuldigd een terstond opeisbare, niet voor rechterlijke matiging vatbare, boete gelijk aan het met de opdrachtgever overeengekomen honorarium voor de bemiddeling plus een boete van € 5.000.”

2.14.

StudentenBureau heeft [Gedaagde] een aantal keer aangemaand tot betaling van de factuur van 28 september 2018, onder meer in een brief van 16 november 2018 en een e-mail van 2 augustus 2019. Tevens zijn de (contractuele) rente en de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

StudentenBureau vordert – na wijziging van eis en samengevat weergegeven – dat de kantonrechter, in een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, [Gedaagde] veroordeelt tot betaling van:

a. € 8.206,50 aan hoofdsom;

b. de contractuele rente van 1% per maand over de hoofdsom, vanaf 12 oktober 2018 tot de algehele voldoening;

c. de buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de hoofdsom;

d. de proceskosten en € 100,00 aan nakosten;

e. de wettelijke rente over c. en d. vanaf 14 dagen na de betekening van het vonnis.

3.2.

StudentenBureau legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. StudentenBureau stelt dat tussen haar en [Gedaagde] een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen waarop de algemene voorwaarden van StudentenBureau van toepassing zijn. Er is vervolgens een geslaagde bemiddeling tot stand gekomen. StudentenBureau vordert in deze procedure (primair) op grond van artikel 12.1 van de algemene voorwaarden een boete die bestaat uit een bedrag gelijk aan de bemiddelingskosten van € 3.206,50 (inclusief btw) en een bedrag van € 5.000,00. Aan de vorderingen onder 3.1 b en c ligt artikel 3 lid 4 en 5 van de algemene bepalingen (over rente en buitengerechtelijke incassokosten) ten grondslag.

3.3.

[Gedaagde] betwist dat een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen en ook dat er sprake is van een geslaagde bemiddeling. De algemene voorwaarden zijn niet overeengekomen en daarom zijn ze niet van toepassing. [Gedaagde] stelt verder dat de algemene voorwaarden – als ze al van toepassing zouden zijn – vernietigbaar zijn op grond van de artikelen 6:233 onder b en 6:234 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het geval [Gedaagde] wel een boete verschuldigd zou zijn, verzoekt zij om de boete op grond van artikel 6:94 BW te matigen.

4 De beoordeling

Bemiddelingsovereenkomst

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of er een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen.

4.2.

StudentenBureau stelt dat zij zowel telefonisch, per e-mail als tijdens het kennismakingsgesprek op 5 juni 2018 haar bemiddelingsdiensten heeft aangeboden aan [Gedaagde]. Dat [Gedaagde] het aanbod vervolgens heeft aanvaard en dus een overeenkomst tot stand is gekomen, blijkt uit het feit dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. StudentenBureau heeft bemiddelingswerkzaamheden verricht en in dat kader een kandidaat geselecteerd, gesprekken met de kandidaat gevoerd, de kandidaat aan [Gedaagde] voorgesteld en een sollicitatiegesprek geregeld.

4.3.

Volgens [Gedaagde] is er geen sprake van aanbod en aanvaarding als bedoeld in artikel 6:217 BW. Het aanbod van StudentenBureau is niet voldoende bepaalbaar. Zo is het door StudentenBureau in rekening gebrachte bedrag van € 2.650,00 nergens in de informatie van StudentenBureau terug te vinden (niet in de e-mail van 5 juni 2018 noch in de presentatie van StudentenBureau van 5 juni 2018). Evenmin is sprake van aanvaarding aan de kant van [Gedaagde]. Zij heeft nooit schriftelijk of mondeling een overeenkomst met StudentenBureau gesloten. Uit de stukken van StudentenBureau zelf (de presentatie en de algemene voorwaarden) blijkt dat een schriftelijke overeenkomst nodig is om werkzaamheden te verrichten. Daarvan is geen sprake. Instemming met het houden van een sollicitatiegesprek kan niet tot gevolg hebben dat StudentenBureau erop mocht vertrouwen dat een bemiddelingsovereenkomst tot stand was gekomen. Er was op dat moment immers nog geen overeenstemming over onder meer de bemiddelingskosten, de stagelocatie en de instemming van de school van [naam 1] met het project. Bovendien moest er volgens [Gedaagde] eerst daadwerkelijk een stageovereenkomst tot stand zijn gekomen tussen [Gedaagde] en de kandidaat voordat van een bemiddelingsovereenkomst sprake zou kunnen zijn. Na 5 juni 2018 moest er nog verder onderhandeld worden. Dat is gebeurd op 22 juni, 4 en 5 juli 2018, maar dat heeft niet tot overeenstemming geleid.

4.4.

Vaststaat dat partijen op 5 juni 2018 een kennismakingsgesprek hebben gevoerd, waarin over de werkwijze en de bemiddelingstarieven van StudentenBureau is gesproken. Diezelfde dag nog heeft StudentenBureau een e-mail gestuurd waarin zij meedeelt dat zij naar aanleiding van het gesprek voor [Gedaagde] aan de slag zal gaan. Bij de e-mail zijn als bijlagen gevoegd de algemene voorwaarden en de presentatie die StudentenBureau die ochtend heeft gegeven, met daarin onder meer een globaal overzicht van de kosten. Verder staat in de e-mail nog een aantal voorwaarden genoemd, zoals het beginsel van ‘no cure no pay’ en het moment waarop sprake is van een geslaagde bemiddeling en dus de kosten zijn verschuldigd. Deze e-mail is naar het oordeel van de kantonrechter aan te merken als een aanbod tot het aangaan van een bemiddelingsovereenkomst. Het aanbod is voldoende bepaald. Anders dan [Gedaagde] aanvoert, bevat het aanbod van StudentenBureau de essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst, namelijk de werkzaamheden die StudentenBureau zou gaan verrichten en de daaraan verbonden betalingsverplichting van [Gedaagde]. Dat de exacte hoogte van de kosten niet in de e-mail zelf staat genoemd is daarbij niet doorslaggevend, ze staan immers wel bij benadering genoemd in presentatie in de bijlage. Bovendien had StudentenBureau over de kosten ook al eerder informatie naar [Gedaagde] gestuurd in de e-mail van 1 mei 2018. Dat deze kosten een paar honderd euro afwijken van het uiteindelijk gefactureerde bedrag, doet daar niet aan af.

4.5.

[Gedaagde] betwist niet dat zij de e-mail van 5 juni 2018 met bijlagen heeft ontvangen. Vervolgens heeft StudentenBureau uitvoering gegeven aan de in deze e-mail beschreven werkwijze. Zij heeft (op 12 juni 2018) een telefoongesprek en (op 14 juni 2018) een Skypegesprek gevoerd met een door haar geselecteerde kandidaat. Vervolgens heeft zij deze kandidaat aan [Gedaagde] voorgesteld. [Gedaagde] heeft ingestemd met het voeren van een sollicitatiegesprek met deze kandidaat. Dat gesprek is ook daadwerkelijk gevoerd, met een positieve uitkomst.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel, gelet op deze feitelijke gang van zaken, dat StudentenBureau aan de gedragingen van [Gedaagde], namelijk het uitblijven van een afwijzende reactie op de e-mail van 5 juni 2018 en het willen voeren van een sollicitatiegesprek met een geschikte kandidaat en dat vervolgens ook doen, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat [Gedaagde] haar aanbod had aanvaard en dus een overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de presentatie van StudentenBureau volgt niet, zoals [Gedaagde] stelt, dat StudentenBureau alleen op grond van een schriftelijke overeenkomst werkzaamheden verricht. Daaruit volgt wellicht dat dit gebruikelijk is, maar dat wil niet zeggen dat als het anders is, er dan geen sprake kan zijn van een overeenkomst. De aanvaarding van een aanbod kan namelijk (op grond van artikel 3:37 BW) – net als een aanbod – in beginsel in iedere vorm geschieden. Expliciete aanvaarding is niet steeds nodig: of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltexmaatstaf; zie hierover de uitspraak van de Hoge Raad van 2 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2043). Van [Gedaagde] had redelijkerwijs mogen worden verwacht dat, als zij niet met StudentenBureau had willen contracteren, zij naar aanleiding van de e-mail van 5 juni 2018 een afwijzende reactie zou hebben gestuurd. Dat heeft [Gedaagde] echter niet gedaan. [Gedaagde] stelt nog dat zij uit het derde bolletje in de e-mail van 5 juni 2018 (zie 2.3, onder “Kort nog even de belangrijkste punten”) heeft begrepen dat pas als het hele proces rond was, inclusief een stageovereenkomst tussen haar en de kandidaat, dan ook pas een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. De tekst van de e-mail biedt voor deze uitleg geen enkel aanknopingspunt. Daar komt bij dat StudentenBureau op het moment dat zo’n overeenkomst wordt gesloten met de stagiair, StudentenBureau feitelijk haar werkzaamheden al heeft verricht en dus al uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst. De gesprekken van eind juni en begin juli waarnaar [Gedaagde] nog verwijst, gingen over de betalingsvoorwaarden, toen was de overeenkomst al tot stand gekomen. De e-mails die [Gedaagde] bij de conclusie van dupliek nog heeft overgelegd brengen in dit oordeel geen verandering. Deze bevatten alleen een algemene acquisitietekst, die StudentenBureau waarschijnlijk regelmatig naar bedrijven uit haar adressenbestand stuurt. Hieruit valt niet af te leiden dat StudentenBureau, zoals [Gedaagde] stelt, dergelijke e-mails alleen stuurt naar bedrijven met wie (nog) geen bemiddelingsovereenkomst is gesloten. Tot slot blijkt ook uit de door [Gedaagde] overgelegde verklaring van [naam 1] niet dat geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen StudentenBureau en [Gedaagde]. Daaruit blijkt alleen dat de stage niet doorging.

Geslaagde bemiddeling?

4.7.

De kantonrechter is verder van oordeel dat sprake is van een geslaagde bemiddeling.

StudentenBureau heeft in juni 2018 verschillende werkzaamheden verricht met als uitkomst dat een geschikte kandidaat is gevonden voor [Gedaagde]. Dit betwist [Gedaagde] niet. [Gedaagde] en [naam 1] hebben de intentie uitgesproken (na het sollicitatiegesprek) om met de stage te starten. Op dat moment is [Gedaagde] de bemiddelingskosten verschuldigd geworden (zie ook de e-mail van 5 juni 2018). [Gedaagde] stelt dat pas van een geslaagde bemiddeling sprake zou zijn als tussen haar en de kandidaat een stage-overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Dat strookt echter niet met wat partijen hebben afgesproken. De e-mail van 5 juni 2018 is daar voldoende duidelijk over. Uit pagina 6 van de presentatie (waar [Gedaagde] naar verwijst) kan dit ook niet worden afgeleid. Daar staat niets over een stage-overeenkomst vermeld. Ook als het juist zou zijn wat [Gedaagde] stelt, dan is [Gedaagde] de bemiddelingskosten verschuldigd. De door StudentenBureau voorgestelde kandidaat [naam 1] heeft immers daadwerkelijk stage gelopen bij [Gedaagde] vanaf september 2018. Dat [naam 1] daartoe in augustus 2018 zelf het initiatief heeft genomen en dit dus buiten StudentenBureau om is gegaan, mag zo zijn. Het contact tussen [naam 1] en [Gedaagde] is echter aanvankelijk tot stand gebracht door de bemiddeling van StudentenBureau. Deze feitelijke gang van zaken doet daarom niet af aan de verschuldigdheid van de bemiddelingskosten.

Algemene voorwaarden

4.8.

StudentenBureau beroept zich voor de betaling van de bemiddelingskosten primair op het boetebeding in artikel 12.1 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat de algemene voorwaarden onderdeel uitmaakten van het aanbod van StudentenBureau in juni 2018. In de e-mail van 5 juni 2018 wordt ernaar verwezen en de algemene voorwaarden zijn als bijlage bijgevoegd. StudentenBureau mocht erop vertrouwen dat tegelijk met de aanvaarding van het aanbod betreffende de bemiddelingswerkzaamheden (waarover hierboven al is geoordeeld), [Gedaagde] ook de algemene voorwaarden heeft geaccepteerd. De algemene voorwaarden zijn dus van toepassing.

4.9.

Op grond van artikel 233 sub b BW is een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Artikel 234 lid 1 BW schrijft voor dat de voorwaarden vóór of bij de contractssluiting aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. Dat is hier gebeurd in de e-mail van 5 juni 2018. StudentenBureau heeft dus aan haar informatieplicht op grond van deze artikelen voldaan. De algemene voorwaarden zijn daarom niet vernietigbaar.

Boete

4.10.

Op grond van artikel 6:94 lid 1 BW kan de rechter een bedongen boete matigen “indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”. Aan de schuldeiser kan ter zake van de tekortkoming niet minder worden toegekend dan de schadevergoeding op grond van de wet. Volgens het derde lid is een beding dat deze matigingsbevoegdheid uitsluit nietig. Artikel 12 lid 1 houdt een uitsluiting van deze bevoegdheid in en is in zoverre dus nietig. De maatstaf in het eerste lid houdt in dat de kantonrechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De kantonrechter zal rekening moeten houden met de aard van de overeenkomst, de verhouding tussen de schade en de boete, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie Hoge Raad 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638).

4.11.

[Gedaagde] voert aan dat StudentenBureau niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden. Verder stelt [Gedaagde] dat zij niet doelbewust buiten StudentenBureau om contact heeft opgenomen met [naam 1]. [Gedaagde] stelt niet of nauwelijks voordeel te hebben gehad van de stage en de stage heeft evenmin geleid tot een dienstverband. Van belang is verder nog dat er niet is onderhandeld over de toepasselijkheid en de hoogte van de boete, dat StudentenBureau zelf [naam 1] begin juli opnieuw heeft benaderd in verband met andere stages. Ook acht [Gedaagde] van belang dat StudentenBureau overgegaan is tot creditering van de factuur van 29 juni 2018.

4.12.

De kantonrechter stelt vast dat de gevorderde boete is opgebouwd uit aan de ene kant een bedrag van € 3.206,50 voor de bemiddelingskosten (inclusief btw van € 556,50) en aan de andere kant een bijkomend bedrag van € 5.000,00. De bemiddelingskosten van € 2.650,00 kunnen worden beschouwd als de werkelijk geleden schade. Voldoende aannemelijk is dat StudentenBureau deze schade heeft geleden; zij heeft immers de overeengekomen bemiddelingswerkzaamheden (met een positief resultaat) uitgevoerd. Over een boete kan echter geen btw worden gerekend. Daarom zal het voor de btw gerekende bedrag op de boete in mindering worden gebracht. De bijkomende boete is bedoeld om te voorkomen dat buiten StudentenBureau om stagiaires van StudentenBureau worden ingehuurd. Het bedrag van € 5.000,00 staat echter niet in verhouding tot de geleden schade. Verder heeft [naam 1] alleen stage gelopen dus geen of nauwelijks voordeel voor [Gedaagde] opgeleverd, zoals [Gedaagde] onweersproken heeft gesteld. De bijkomende boete zal daarom worden gematigd tot € 3.000,00.

Conclusie

4.13.

[Gedaagde] is in totaal een bedrag van (€ 2.650,00 + € 3.000,00 =) € 5.650,00 verschuldigd aan StudentenBureau. Dit bedrag zal worden toegewezen.

4.14.

De over de hoofdsom gevorderde contractuele rente zal ook worden toegewezen. Deze rente bedraagt op grond van artikel 3 lid 4 van de algemene voorwaarden 1% per maand, een gedeelte van een maand voor een hele maand gerekend. Op grond van dit artikel is [Gedaagde] bij niet, niet tijdige of niet volledige betaling door de opdrachtgever van enig door hem verschuldigd bedrag, met ingang van de vervaldatum van de betreffende factuur van rechtswege in verzuim. De rente is dus toewijsbaar vanaf 12 oktober 2018 tot de voldoening.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.15.

StudentenBureau heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Dit blijkt onder meer uit de onder 2.14 genoemde correspondentie. Op grond van artikel 3 lid 5 van de algemene voorwaarden worden de buitengerechtelijke incassokosten vastgesteld op 15% van de hoofdsom. In totaal bedragen de buitengerechtelijke incassokosten (15% x € 5.650,00 =) € 847,50. De wettelijke rente over dit bedrag is eveneens toewijsbaar, vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis.

Proceskosten

4.16.

[Gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Het door StudentenBureau gevorderde bedrag van € 100,00 aan nakosten zal worden toegewezen, evenals de wettelijke rente over de proces- en nakosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [Gedaagde] om aan StudentenBureau te betalen een bedrag van € 5.650,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand, een gedeelte van een maand voor een hele maand rekenende, vanaf 12 oktober 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [Gedaagde] om aan StudentenBureau te betalen een bedrag van € 847,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis;

5.3.

veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van StudentenBureau begroot op € 86,40 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 100,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis;

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter-plv. mr. J.M. Breimer en in het openbaar uitgesproken door mr. P.J. Wiegman, kantonrechter, op 12 augustus 2020