Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4446

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8385546 \ CV EXPL 20-2586
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Internationale consumentenovereenkomst. Toepasselijk recht op grond van artikel 4 en artikel 6 van Verordening nr. 593/2008. Partijen uitlaten over rechtskeuze dan wel mate waarin verkoper activiteiiten ontplooit in land consument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvC 2021, afl. 1, p. 50 met annotatie van B. Schmitz LLM
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8385546 \ CV EXPL 20-2586 \ 512 \ 34124

uitspraak van 19 augustus 2020

vonnis

in de zaak van

[Eiser]

[woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde mr. P.D. Bosma

tegen

[Gedaagde] h.o.d.n. [naam]

[vestigingsplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

procederend in persoon

Partijen worden hierna [Eiser] en [Gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 maart 2020 met producties

- de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie met producties

- de conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie met producties

- de conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie met producties

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De vordering en het verweer in conventie

2.1.

[Eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair voor recht verklaart dat de koopovereenkomst is ontbonden, subsidiair de overeenkomst ontbindt en meer subsidiair de overeenkomst vernietigt;

II. [Gedaagde] veroordeelt om aan [Eiser] te betalen een bedrag van € 975,00, alsmede de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 augustus 2019, althans 4 maart 2020, tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 181,50 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

III. [Gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

2.2.

[Eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op 3 juli 2019 van [Gedaagde] een kattenmeubel, model palace, kleur grijs, heeft gekocht voor de koopprijs van € 795,00, te vermeerderen met € 90,00 aan verzendkosten. Na ontvangst van het meubel constateerde [Eiser] dat het meubel niet beantwoordde aan de overeenkomst omdat het meubel niet de overeengekomen grijze kleur had, maar een donkerblauwe, antracieten kleur. Ook was één van de planken gebroken en was de bovenste plank, in tegenstelling tot de foto op de website, slechts op één stam in plaats van twee stammen bevestigd. Hierdoor was de bovenste plank instabiel.

Na ontvangst van het meubel op 30 juli 2019, heeft [Eiser] direct contact opgenomen met [Gedaagde] en hem verzocht alsnog een deugdelijk meubel te leveren. Omdat [Gedaagde] niet bereid was om de overeenkomst na te komen, heeft [Eiser] de overeenkomst op 15 augustus 2019 ontbonden en het kattenmeubel aan [Gedaagde] geretourneerd. De verzendkosten hiervan bedroegen € 90,00.

Voor het geval wordt geoordeeld dat [Eiser] geen recht op ontbinding toekomt, vordert zij vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling. Indien [Eiser] voorafgaand aan de aankoop had geweten dat het kattenmeubel niet de overeengekomen kleur had en nu deze bovendien beschadigingen had die aan een normaal gebruik in de weg stonden, had zij het kattenmeubel niet gekocht.

[Eiser] vordert op grond van de ontbinding, althans de vernietiging van de overeenkomst, terugbetaling van de koopsom van € 795,00. Verder vordert zij op grond van artikel 6:74 BW jo. artikel 6:162 BW vergoeding van de verzendkosten ten bedrage van € 180,00.

2.3.

[Gedaagde] voert – kort samengevat – als verweer aan dat bij een webwinkelbestelling van een kattenmeubel gebruik wordt gemaakt van ander tapijt dan bij maatwerk. Bij een webwinkelbestelling wordt door [Gedaagde] de kleur grijs gekozen die op dat moment beschikbaar is aan de rol. Dat heeft uiteindelijk de antracieten kleur opgeleverd die [Eiser] heeft ontvangen. Het meubel kon dan ook enkel in die kleur worden geleverd en beantwoordde daarmee aan de overeenkomst. Indien [Eiser] een andere kleur grijs had gewenst, hetgeen zij op 30 juli 2019 heeft aangegeven bij wijze van een aanvullende bestelling, dan was dat enkel mogelijk tegen een meerprijs, aldus [Gedaagde].

[Gedaagde] is telkens bereid geweest om [Eiser] tegemoet te komen door een geheel nieuwe boom te maken in de door [Eiser] gewenste kleur. Deze boom zou wel wat duurder uitvallen omdat sprake was van duurdere grondstoffen en aan de hand van fysiek toegestuurde tapijtmonsters.

Tot slot voert [Gedaagde] aan dat de beschadigingen aan het meubel zijn ontstaan tijdens het transport. Dit dient voor rekening van [Eiser] te komen nu zij bij de aankoop een transportverzekering had kunnen afsluiten, aldus [Gedaagde].

3 De vordering en het verweer in reconventie

3.1.

[Gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de koopovereenkomst niet te ontbinden of te vernietigen maar te corrigeren naar een op maat gedane bestelling;

II. [Eiser] te veroordelen tot het alsnog afnemen van de gemaakte alternatieve [kattenmeubel] met een opslag van € 240,00 voor de extra gemaakte kosten, te vermeerderen met

€ 90,00 aan leveringskosten alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2019;

III. [Eiser] te veroordelen in de proceskosten;

IV. [Eiser] te veroordelen in de opslagkosten ten behoeve van het teruggestuurde product gedurende twee maanden en de opslag van de gereedstaande [kattenmeubel] gedurende zes maanden á € 50,00 per maand;

V. [Gedaagde] te vrijwaren voor de toewijzing van alle eventuele verdere kosten die aan de order kunnen komen.

3.2.

[Gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij ten behoeve van [Eiser] een [kattenmeubel] heeft vervaardigd met het door [Eiser] akkoord bevonden en gewenste tapijt. Ten onrechte heeft [Eiser] geweigerd dit meubel tegen de aanvullende prijs af te nemen. Ook heeft [Eiser] gebruik gemaakt van het in eerste instantie toegezonden meubel. [Gedaagde] heeft na ontvangst van dat meubel geconstateerd dat er kattenharen op het meubel aanwezig waren. Daarom moest het meubel een aantal dagen in quarantaine om zo besmetting van andere meubelen te voorkomen. De opslagkosten hiervoor komen voor rekening van [Eiser]. Datzelfde geldt voor de opslagkosten van de gereedstaande [kattenmeubel] nu [Eiser] heeft geweigerd deze af te nemen, aldus [Gedaagde].

3.3.

[Eiser] voert als verweer aan dat zij een standaard meubel heeft gekocht. [Eiser] is nooit met [Gedaagde] overeengekomen dat hij een vervangend meubel tegen extra kosten kon leveren. Zij is dan ook niet gehouden een door [Gedaagde] vervaardigd vervangend meubel af te nemen, aldus [Eiser].

[Eiser] voert tot slot aan dat zij ten opzichte van [Gedaagde] niet tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld zodat zij geen opslagkosten aan [Gedaagde] verschuldigd is. [Eiser] betwist dat deze kosten zijn gemaakt. Los daarvan heeft [Gedaagde] de gevorderde opslagkosten ook niet onderbouwd, aldus [Eiser].

4 De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

4.1.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

4.2.

De overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een consumentenovereenkomst ex artikel 7:5 BW. [Gedaagde] heeft immers gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, terwijl [Eiser] het kattenmeubel heeft gekocht als natuurlijk persoon, niet handelende in de uitoefening van haar beroep of bedrijf.

4.3.

[Eiser] is woonachtig in Duitsland. [Gedaagde] is gevestigd in Nederland. Daarmee is sprake van een internationale consumentenovereenkomst. Op grond van 18 lid 1 van de EG Verordening Nr. 1215/2012, jo. artikel 93 aanhef en sub a jo. artikel 99 Rv, is de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem bevoegd om kennis te nemen van de vordering.

4.4.

Omdat sprake is van een internationale consumentenovereenkomst moet ook worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de overeenkomst. [Eiser] heeft gesteld dat op grond van artikel 4 lid 1 sub a van de Verordening nr. 593/2008 (hierna: de Verordening) Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst, omdat [Gedaagde] in zijn hoedanigheid van verkoper woonachtig is in [woonplaats]. [Gedaagde] heeft zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht.

4.5.

Op grond van artikel 3 van de Verordening wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Gesteld noch gebleken is echter dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt. Dit betekent dat het toepasselijk recht moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 4 e.v. van de Verordening. Hoewel in artikel 4 van de Verordening is bepaald dat de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft, is in dit artikel ook bepaald dat dit artikel geldt, onverminderd de artikelen 5 tot en met 8 van de Verordening. In artikel 6 lid 1 van de Verordening is ten aanzien van consumentenovereenkomsten bepaald dat deze overeenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. Omdat [Eiser] woonachtig is in Duitsland, wordt de overeenkomst tussen partijen derhalve mogelijk beheerst door het Duitse recht. Voor de toepasselijkheid van het Duitse recht is echter ook vereist dat de verkoper, in dit geval [Gedaagde], zijn commerciële- of beroepsactiviteiten dient te ontplooien in het land waar de consument zijn woonplaats heeft of dergelijke activiteiten, ongeacht welke middelen, richt op dat land of op verscheidende landen, met inbegrip van dat land en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Daarbij geldt dat ook via internet gesloten overeenkomsten vallen onder het bereik van artikel 6 van de Verordening.

Of hiervan in onderhavige zaak sprake is kan op basis van de thans overgelegde stukken en ingenomen stellingen niet worden vastgesteld.

4.6.

Om te kunnen beoordelen of Nederlands of Duits recht van toepassing is op de overeenkomst tussen partijen, dienen partijen zich daarom eerst uit te laten over de vraag of zij bij het aangaan van de overeenkomst of in de periode daarna een rechtskeuze hebben gedaan.

4.7.

Indien blijkt dat partijen geen gezamenlijke rechtskeuze hebben gemaakt, dient [Gedaagde] bij akte duidelijkheid te verschaffen over zijn bedrijfsactiviteiten (via internet) en met name in hoeverre hij deze ontplooit in en/of richt op Duitsland.

Vervolgens wordt [Eiser] in de gelegenheid gesteld om daarop bij akte te reageren.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

5.1.

stelt partijen in de gelegenheid om gelijktijdig een akte te nemen op de rol van woensdag 16 september 2020 teneinde zich uit te laten over hetgeen is omschreven in rechtsoverweging 4.6.;

5.2.

in het geval partijen geen gezamenlijke rechtskeuze hebben gemaakt, dient [Gedaagde] een akte te nemen op de rol van woensdag 14 oktober 2020 teneinde zich uit te laten over hetgeen is omschreven in rechtsoverweging 4.5., 4.6. en 4.7.;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op