Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4441

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
05/104033-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer spreekt verdachte vrij van primair artikel 242 en subsidiair artikel 246 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/104033-19

Datum uitspraak : 31 augustus 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. P.L.G. Rens, advocaat te Den Haag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 augustus 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 februari 2019 te Huis ter Heide, gemeente Zeist, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

  • -

    het leggen van haar hand op zijn, verdachtes, (met onderbroek bedekte) erectie,

  • -

    het betasten van haar bil(len) en/of vagina en/of

  • -

    het brengen van één of meer vinger(s) tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [slachtoffer]

en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens) opzettelijk

  • -

    op onverhoedse wijze de hand van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en deze op zijn, verdachtes, onderbroek/erectie heeft gelegd en/of

  • -

    op onverhoedse wijze de bil(len) en/of vagina van die [slachtoffer] heeft gestreeld/betast en/of

  • -

    op onverhoedse wijze zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of (daarbij) zijn vinger(s) in haar vagina heeft gebracht en/of

  • -

    voorbij is gegaan aan de door die [slachtoffer] geuite verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 februari 2019 te Huis ter Heide, gemeente Zeist, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

  • -

    het leggen van haar hand op zijn, verdachtes, (met onderbroek bedekte) erectie,

  • -

    het betasten van haar bil(len) en/of vagina

en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens) opzettelijk

  • -

    op onverhoedse wijze de hand van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en deze op zijn, verdachtes, onderbroek/erectie heeft gelegd en/of

  • -

    op onverhoedse wijze de bil(len) van die [slachtoffer] heeft gestreeld/betast en/of

  • -

    op onverhoedse wijze zijn hand in de onderbroek op de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of

  • -

    voorbij is gegaan aan de door die [slachtoffer] geuite verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Immers, aangeefster heeft over het algemeen consistent verklaard over wat tussen haar en verdachte is voorgevallen, terwijl het dossier andere bewijsmiddelen bevat die kunnen bijdragen aan het bewijs, aldus de officier van justitie. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van dit feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde omdat de aangifte onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Beoordeling door de militaire kamer

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat verdachte en aangeefster [slachtoffer] tijdens een werk gerelateerde bijeenkomst in Huis ter Heide op 1 februari 2019, samen met [slachtoffer] ’ kamergenote, en met wederzijds goedvinden bij elkaar in twee aaneen geschoven bedden hebben geslapen. Verdachte heeft weliswaar erkend dat hij een kort moment met zijn hand de heup van aangeefster heeft aangeraakt, maar hij heeft ontkend dat hij daarmee seksuele bedoelingen had. De militaire kamer is van oordeel – mede gelet op de vriendschappelijke voorgeschiedenis van hen beiden – dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat die aanraking als ontuchtig kan worden aangemerkt. Ook vindt de stelling van aangeefster dat sprake is geweest van seksueel binnendringen met een vinger geen steun in overige bewijsmiddelen. De militaire kamer heeft daarentegen opgemerkt dat aangeefster in haar WhatsApp-berichten aan vriendinnen, betreffende haar aangifte, geen gewag heeft gemaakt van een dergelijk seksueel binnendringen. Voorts ontbreekt overtuigend bewijs dat sprake is geweest van enige vorm van (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid.

Gelet op het vorenstaande acht de militaire kamer het tenlastegelegde, zowel primair als subsidiair, niet bewezen. Verdachte zal dan ook geheel worden vrijgesproken.

3 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter) en mr. P.C. Quak, rechters, en Kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Roelfsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2020.