Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4440

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
C/05/367895 / HZ ZA 20-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wel of geen ovk tussen partijen tot stand gekomen? Ondertekening offerte door opdrachtgever hield wel degelijk akkoord met opdracht in en niet enkel akkoord op (stuks)prijs. Opzegging ex art. 7:764 BW. Debat over besparingen nog niet voltooid; tussenvs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/367895 / HZ ZA 20-135

Vonnis van 2 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Nijverdal, gemeente Hellendoorn,

eiseres,

advocaat mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Ulft, gemeente Oude-IJsselstreek,

gedaagde,

advocaat mr. R.N. Brugge te Doetinchem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 29 mei 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    de akte houdende overlegging producties van [eiseres]

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 juli 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] houdt zich bezig met de handel in en het monteren van schroeffunderingen. [gedaagde] produceert en verhandelt chalets en stacaravans.

2.2.

[gedaagde] is betrokken bij het project “Tropical Islands” nabij Berlijn, hierna ook: het project. [gedaagde] realiseert, in opdracht van een derde, op het terrein van Tropical Islands 135 chalets (recreatiewoningen).

2.3.

Op 29 augustus 2019 heeft tussen [eiseres] en [gedaagde] een gesprek plaatsgevonden over de levering en montage van schroeffundamenten voor de 135 door [gedaagde] op het project te realiseren chalets. [eiseres] had al eerder voor hetzelfde project dit soort schroeffunderingen geleverd en gemonteerd. Het betrof een volgens het bestek van de opdrachtgever (van [gedaagde]) voorgeschreven type schroeffundering (productie 32 bij akte van [eiseres]).

2.4.

In een e-mail van 30 augustus 2019 verzoekt de heer [naam 1], namens [eiseres], [gedaagde] om meer informatie, onder andere over de punten waar het frame van de chalets ondersteund moet worden, teneinde een prijsindicatie te kunnen geven. In reactie daarop is, per e-mail van 3 september 2019, van de zijde van [gedaagde] aan [eiseres] onder andere een tekening toegestuurd waarop de wenselijke positie van de “schroefpalen” is aangegeven (beide e-mails zijn als productie 3 bij dagvaarding overgelegd).

2.5.

Partijen hebben vervolgens in de loop van september 2019, deels telefonisch, gesprekken gevoerd over onder andere de bereikbaarheid van de bouwplaats c.q. de bouwput. Deze bereikbaarheid is eveneens aan de orde geweest bij een bespreking tussen partijen op 24 september 2019 op het kantoor van [eiseres]. Door [eiseres] is toen aangegeven dat zij werkt met een hydraulische machine en dat, teneinde die machine in de bouwput te kunnen plaatsen, er een talud moest zijn waar die machine van af kan rijden.

2.6.

Op 16 oktober 2019 hebben partijen een bespreking gevoerd op het kantoor van [gedaagde]. Door [gedaagde] is tijdens die bespreking aangegeven dat [eiseres] de beoogde funderingswerkzaamheden begin december 2019 diende aan te vangen. Partijen hebben daarvoor en daarna over dit werk regelmatig telefonisch contact met elkaar gehad. In die contacten heeft [gedaagde] [eiseres] verzocht om zo spoedig mogelijk een prijsaanbieding te doen.

2.7.

Na deze bespreking hebben partijen per e-mail gecorrespondeerd over, onder andere, de belasting van de funderingspalen (deze correspondentie is opgenomen in productie 5 van [eiseres]). [eiseres] heeft [gedaagde] in een e-mail van 25 oktober 2019 verzocht om een tekening met daarin aangegeven de hoogtes (t.o.v. de uitgraving) teneinde de juiste lengtes van de schroeffunderingen te kunnen bepalen.

2.8.

In een e-mail van 28 oktober 2019 (eveneens opgenomen in productie 5 van [eiseres]) schrijft [naam 1] namens [eiseres] aan [gedaagde]:

Lukt het om deze week de gegevens zoals in onderstaande mail [bijgevoegd is de voornoemde e-mail van 25 oktober 2019, rb] gevraagd aan te leveren? Als we in December moeten starten zit ik met materiaal bestellingen die dan toch volgende week een keer definitief de deur uit moeten. (…)

2.9.

Op 30 oktober 2019 hebben partijen diverse e-mails met elkaar gewisseld (eveneens opgenomen in productie 5 van [eiseres]) over, met name, de hoogte van de “palen” (schroeffunderingen) en de hoeveelheid palen per chalet. Door [gedaagde] is in verband daarmee aan [eiseres] een technische tekening gestuurd over de positie van de palen.

2.10.

In een e-mail van 31 oktober 2010 (productie 3 van [gedaagde], eveneens opgenomen in productie 5 van [eiseres]) schrijft [naam 1] namens [eiseres] aan [gedaagde] onder meer:

Ik ben momenteel druk aan de slag met de offerte voor Tropical in Berlijn. (…) Het zou mooi zijn om ter controle nog even de bevestiging te hebben qua hoogtes van de schroeven t.o.v. de uitgraving (of maaiveld) daar er is gesproken over 2 verschillende hoogtes.

Zijn jullie morgen middag aan de zaak? Ik kan dan het hele verhaal gereed hebben en direct even toe komen lichten, dan houden we het tempo er in!

2.11.

Op 1 november 2019 heeft er op het kantoor van [gedaagde] opnieuw een bespreking plaatsgevonden over het project. Partijen hebben daar afgesproken dat de werkzaamheden op 9 december zouden aanvangen. Er is toen ook een eerste offerte van [eiseres] besproken, waarvan door [gedaagde] is aangegeven dat deze een te hoge prijs kende. Door [eiseres] is toen toegezegd dat zij aan [gedaagde] een herziene offerte zou toesturen.

2.12.

Partijen hebben op 4 en 5 november 2019, telefonisch, de mogelijkheid besproken om de schroeffunderingen, al dan niet deels, vanaf buiten de bouwput te monteren. De reden hiervoor was dat er in de bouwput al leidingwerk zou zijn aangelegd en dat er een risico zou kunnen zijn dat dit zou worden beschadigd door de hydraulische machine die [eiseres] in de bouwput wilde gebruiken. In een e-mail van 4 november 2019 (productie 5 van [gedaagde]) schrijft [naam 1] namens [eiseres] aan [gedaagde] over het gebruik van een kraan vanaf buiten de bouwput:

(...) Hierbij is de maatvoering van de 2 voorste steunpoten aan de boormotor zijde tot aan hart schroeffundering van belang.

Deze afstand is minder dan 30cm. De steunpoten moeten worden gestempeld om recht te kunnen monteren, om nog maar niet te spreken over een machine die voorover in de put valt..

Gaat m.i. heel lastig worden om vanaf maaiveld te monteren.

2.13.

Bij e-mail van 4 november 2019 stuurt [eiseres] aan [gedaagde] een herziene offerte (productie 6 van [eiseres], productie 4 van [gedaagde]).Bij deze e-mail heeft [naam 1] ook een document “Verloop bouwproject” alsmede de Algemene Voorwaarden van [eiseres] gevoegd.

2.14.

Op 5 november 2019 heeft [gedaagde] deze offerte, met enige handgeschreven aanpassingen wat betreft de stuksprijs, voor akkoord ondertekend en aan [eiseres] retour gestuurd (productie 8 van [eiseres]). In de offerte staat onder andere, bij 4 in de “Omschrijving”: “Montage locatie: in Bouwput. bouwput dient toegankelijk te zijn voor onze hydraulische machine. (talud) ook dient de bouwput droog te zijn.” In de offerte is voorts onder meer opgenomen dat de kost en inwoning van de werknemers van [eiseres] wordt gefaciliteerd door de opdrachtgever “zie werkplan voor omschrijving”. Er zijn bedragen opgenomen voor materialen, aanvoer daarvan, manuren, reiskosten monteurs en projectleiding en werkvoorbereiding. Ook is in de offerte een betalingsschema opgenomen, kort gezegd inhoudend 50% van de totaalsom van 135 chalets “bij opdracht”, 25% bij start montage, 12,5% na oplevering van 79 chalets en 12,5% na oplevering van het project. Verder vermeldt de offerte:

Mogelijke startdatum [eiseres] is week 50 bij opdracht uiterlijk 05-11-2019

en

werkomschrijving zoals bijgevoegd aan deze offerte is onderdeel van deze offerte en dient in combinatie met deze offerte te worden geaccordeerd.

2.15.

Op dezelfde dag (5 november 2019), maar in tijd ongeveer één uur voorafgaand aan de retour gestuurde, ondertekende offerte, heeft [eiseres] ([naam 1]) aan [gedaagde] een e-mail (productie 7 van [eiseres], productie 6 van [gedaagde]) gestuurd met als onderwerp “planning” (bij welke e-mail overigens opnieuw de offerte als bijlage was gevoegd). [naam 1] schrijft in die e-mail onder andere:

Hierbij zoals zojuist besproken een aangepast voorstel qua montage

Om het geheel wat gestroomlijnder te laten verlopen wil ik voorstellen om tijdens week 50 en 51 een extra ploeg in te zetten, hiermee creëren we werkruimte voor de infra partij die achter ons aan moet werken qua kabels leidingen in de bouwputten bij ca. 50% van de chalets. (…) Volgens mij moet er dan een behoorlijke voorsprong worden opgebouwd, zodat op de benodigde posities na montage van de schroeffunderingen , de kabels/leidingen in de put kunnen worden gelegd.

(...)

Willen jullie zo vriendelijk zijn om vandaag onze offerte ondertekend te retourneren? i.v.m. de materiaalbestelling sturen wij dan ook direct de orderbevestiging en de 1e termijn factuur. (…)

In deze e-mail is voorts opgenomen een “Voorlopig montageschema”, omschreven als een “indicatie van chalets gereed per week nummer”. Volgens dit montageschema wordt in week 49 van 2019 gestart met het uitzetten van het werk, bij de weken 50 en 51 staat een te verwachten aantal afgeronde chaletfunderingen van respectievelijk 1-12 en 12-28. Achter deze aantallen staat vermeld “extra ploeg”. In 2020 vervolgt het schema met te plaatsen funderingen, aangegeven voor de weken 2 tot en met 10, waarbij in week 10 de aantallen “126–135” staan vermeld.

2.16.

Bij de in het vorige randnummer genoemde e-mail is voorts gevoegd een “Werkomschrijving Fundatie 135 Chalets” (hierna: de “werkomschrijving”). In de werkomschrijving wordt het voorlopige montageschema herhaald en worden allerlei randvoorwaarden, zowel wat betreft de werkzaamheden zelf als bijvoorbeeld eisen aan het verblijf van het personeel van [eiseres], beschreven.

In de werkomschrijving staat onder andere:

[gedaagde] start in de 3e week Januari 2020 met het plaatsen van de 135 chalets. 79 tot ca. eind Maart, overige aantal in ca. april/mei. (...) Uitgaand van 12 Chalets per week (…)

[eiseres] verwacht een zelfde weekproductie te kunnen realiseren. Om werkruimte te creëren voor [gedaagde] start [eiseres] reeds in Week 50-2019 met de montage van de schroeffunderingen. Hiervoor is opdracht uiterlijk 05-11-2019 vereist (i.v.m. levertijd en projectvoorbereiding)

Montageschema verderop in deze werkomschrijving. [eiseres] Zet in December een 2e montagemachine in om een ruime voorsprong te realiseren.

Het heeft voor [eiseres] Voorkeur om voor ca. april de totale werkzaamheden af te ronden.

Voorwaarde is hierin voor [eiseres] dat ze continu door kunnen. In week 49 dienen dus de locaties geschikt te zijn.

Voorbereidingen extern:

  • -

    Uitgraven kavel/put en aanbrengen inrij talud voor montagemachine (kopse zijde v/d bouwput – max. 20% helling)

  • -

    (…)

  • -

    Garantie dat er geen kabels/leidingen geraakt kunnen worden. Eventuele schade wordt doorberekend.

  • -

    (...)

Graag locatiebezoek projectleiding [eiseres] én [gedaagde] eind week 48 ter controle van de externe voorbereidingen en controle op voorbereidingen en werkplan [eiseres].

(…)

Werkomschrijving dient voor akkoord offerte 201901014 zowel door [eiseres] als [gedaagde] te worden ondertekend.
(…)

2.17.

In een latere e-mail van 5 november 2019 (productie 9 van [eiseres]) van [naam 1] aan [gedaagde] staat: “Hartelijk dank voor het tekenen van onze offerte (na afronding). Da’s bij deze ook vanuit onze kant akkoord en zal ik meenemen in onze bevestiging. We hopen op een mooie langdurige samenwerking. Wil jij ook de werkomschrijving nog even accorderen, dat mag ook in reactie op de vanmiddag gestuurde mail waarin deze was bijgevoegd.

2.18.

Bij e-mail van 6 november 2019 (productie 10 van [eiseres]) stuurt [gedaagde] aan [eiseres] een tekening van het definitieve onderstel van de chalets met daarop aangegeven de posities van de schroeffunderingspalen.

2.19.

In een e-mail van 7 november 2019 (productie 7 van [gedaagde], productie 12 van [eiseres]) van [naam 1] aan [gedaagde] wordt gerefereerd aan een telefonisch gesprek van de dag ervoor dat kennelijk is gegaan over de aanwezigheid van kabels in de bouwput. Partijen zijn, zo kan uit de e-mail worden afgeleid, in gesprek over de wijze waarop de schroeffunderingen het beste kunnen worden geplaatst op de plaatsen waar al kabelinfrastructuur is aangelegd. In de e-mail staat onder andere:

Ik heb de planning van onze boormotoren nagekeken die compatibel zijn met een mobiele kraan, deze staan gedurende de montageperiode bij Tropical echter al vrij veel ingepland bij onze infra tak, waar we enkel met de kraan kunnen monteren vanaf het spoor.

Het lukt me niet om ze voor een langere periode uit te plannen. Niet werkbaar dus bij Tropical.

(…)

is onderstaand dan een plan?

(…)

Zwaartepunt zit hem met name in gebied A, 42 chalets. De 2B chalets met kabelloop in de put kunnen we indien gewenst als eerste oppakken.

Eind week 51 zijn deze dan in principe klaar.

Blok A is dan eind week 2 compleet klaar, waarna wij verder gaan bij blok B, startend met het deel dat aan blok A grenst.

Moet mogelijk zijn om het werk op deze manier af te stemmen lijkt me.. Desnoods komen we hier nog even voor bij elkaar(…)

2.20.

Bij e-mail van later die dag (7 november 2019) stuurt [eiseres] aan [gedaagde] de factuur voor een bedrag van € 204.187,50 inclusief btw. In die e-mail (productie 11 van [eiseres]) schrijft [eiseres] onder andere: “Hartelijk dank voor uw opdracht, hierbij uw digitale factuur met daarin de 1e termijn.

2.21.

Op 11 november 2019 stuurt [naam 1] aan [gedaagde] nogmaals een e-mail (productie 13 van [eiseres]) met als onderwerp “aangepast montageschema” over het hiervoor in 2.19 genoemde probleem. [naam 1] schrijft:

Ik kan met wat puzzelen de kraan op locatie hebben in Week 51.

Naar verwachting kan deze dan 12 chalets funderen waar dan dus de kabels/leidingen al in de put kunnen liggen.

Géén extra productie maar wel de mogelijkheid om van buiten de put de meeste schroeffunderingen te monteren.

De eerst volgende mogelijkheid is dan week 3 (…) Dus ook die week géén extra productie, maar wel de mogelijkheid om weer ca. 12 chalets te funderen waar de kabels/leidingen al in de put liggen. (...)

Zoals gezegd hebben we voor deze machine dan geen back-up. Wat we met de andere hydraulische montagemachines wel kunnen garanderen.

Dit is het risico dat Tropical Island dient te dragen

Na week 3 staat de machine voor aan de kraan voor langere tijd ingepland.

Hebben ze al reeds infra in sommige putten liggen, of kan er op basis van bovenstaand een plan worden gemaakt? Dan ontvang ik graag de nummers van die chalets waar eventueel al kabels en leidingen liggen, of die voorkeur hebben om in week 51 of week 3 gemonteerd te worden.

Meerprijs voor de kraan inzet is €3500 per week incl. transport.

(…)

2.22.

Op 12 november 2019 verzoekt [naam 1] [gedaagde] per e-mail (productie 14 van [eiseres]) om een snelle reactie op de in het vorige randnummer genoemde mail in verband met de aanstaande start van de werkzaamheden: “Binnen 3 weken moeten we al starten op locatie met het uitzetten, en een week later met de montage.

2.23.

Eveneens op 12 november reageert [gedaagde] als volgt per e-mail (productie 15 van [eiseres]): “Ik ben met de opdrachtgever alles aan het doorspreken over de mogelijkheden van de plaatsing van de palen. Heb nu nog geen duidelijkheid dus kan ik jou ook nog geen antwoord geven. We moeten dus nog even wachten met alles tot ik een akkoord heb en jou dan de opdracht kan geven.

2.24.

Op 15 november 2019 verzoekt [naam 1] [gedaagde] per e-mail (productie 16 van [eiseres]) nogmaals om contact op te nemen om de afstemming van de montage te kunnen regelen aangezien [eiseres] al op 2 december 2019 wil beginnen met het uitzetten van het werk.

2.25.

Op 19 november 2019 stuurt [naam 1] hierover nogmaals een e-mail aan [gedaagde] (productie 17 van [eiseres]):

(...) Zoals aangegeven staat het uitzetten van de fundatiepunten en de eerste montageweken reeds gepland, en zijn de materialen ook reeds besteld op basis van de door jou verstrekte opdracht middels getekende offerte. (...)

2.26.

Bij e-mail van 19 november 2019 (productie 18 van [eiseres]) schrijft [gedaagde] dat zij [eiseres] geen opdracht kan geven om de schroeffunderingen voor haar te maken voor het project Tropical Islands.

We hebben het project doorgenomen en we kwamen in de problemen dat we de bouwput waar de chalets in komen niet in kunnen met de machine die jullie hebben. Dit in verband met de leidingen die de opdrachtgever door de bouwput legt. Jij hebt in en mail aangegeven dat je daar een andere oplossing voor had maar dan kon je maar 12 stuks in december en 12 in januari en daarna was deze machine voor langere tijd niet beschikbaar. (…) Hierdoor heeft mijn opdrachtgever besloten om de schroeffundering nu zelf te gaan uitvoeren. Dit is natuurlijk een zure pil maar dat is helaas nu eenmaal zo.

2.27.

In reactie op voorgaande e-mail schrijft [naam 1] diezelfde dag per e-mail (productie 19 van [eiseres]) aan [gedaagde] dat [gedaagde] deze opdracht al aan [eiseres] heeft gegeven en verzoekt hij, wederom, om zo snel mogelijk afspraken te maken over aanvang van het werk.

2.28.

Op 20 november 2019 laat [gedaagde] per e-mail aan [eiseres] weten dat er geen opdracht is en dat zij er geen tijd meer in gaat stoppen (productie 20 van [eiseres]).

2.29.

De door [eiseres] ingeschakelde advocaat heeft bij brief van 2 december 2019 (productie 23 van [eiseres]) [gedaagde] gesommeerd de overeenkomst met [eiseres] alsnog stipt na te komen, waarop de advocaat van [gedaagde] bij brief van 3 december 2019 (productie 24 van [eiseres]) afwijzend heeft gereageerd.

2.30.

In een schrijven van 15 januari 2020 (productie 25 van [eiseres]) heeft de advocaat namens [eiseres] vastgesteld dat [gedaagde] de overeenkomst niet gestand wil doen en is [gedaagde] gesommeerd de aanneemsom minus de besparingen, vermeerderd met de kosten van juridische bijstand en handelsrente, aan [eiseres] te voldoen. Aan deze sommatie heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – primair een verklaring voor recht dat een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand is gekomen met veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 312.718,00, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten van € 3.368,02 en de wettelijke handelsrente vanaf 3 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair tot betaling van het positieve contractsbelang groot € 337.500,00, althans het negatieve contractsbelang, nader op te maken bij staat, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten groot € 3.462,50 en de wettelijke handelrente vanaf 19 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met zowel primair als subsidiair veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente indien die kosten niet binnen veertien dagen na datum vonnis zijn voldaan.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Is er een overeenkomst tot stand gekomen?

4.1.

De kernvraag die partijen verdeeld houdt, is of er al sprake was van een overeenkomst. [eiseres] stelt dat dat het geval is aangezien [gedaagde] de offerte voor die opdracht op 5 november 2019 voor akkoord heeft ondertekend, partijen technische specificaties over het werk hadden uitgewisseld en het eens waren over de werkwijze, het montageschema, de aanvang en oplevering van het werk. Partijen hadden afgesproken dat [eiseres] in de week van 2 december 2019 zou starten met de werkvoorbereiding in Berlijn en [eiseres] kondigde aan dat zij de benodigde materialen moest gaan inkopen en het personeel moest gaan inplannen. [eiseres] stelt voorts dat [gedaagde] bij het ondertekenen van de offerte geen voorbehoud heeft gemaakt; er is sprake van aanbod en aanvaarding ten aanzien van het hele werk. De offerte bevat alle essentialia van de opdracht.

[gedaagde] daarentegen stelt dat zij met het ondertekenen van de offerte slechts heeft ingestemd met de prijsopgaaf van [eiseres], maar dat er geen overeenstemming bestond over de wijze van uitvoering van het werk en dat zij ook nooit heeft ingestemd met de werkomschrijving. Die werkomschrijving heeft [gedaagde], zo stelt zij, ook nooit ondertekend, terwijl dat wel door [eiseres] uitdrukkelijk werd verzocht. Toen bleek dat [eiseres] niet tot een acceptabel werkplan kon komen, omdat zij niet beschikte over de juiste machines om de schroeffunderingen van buiten de bouwpunt aan te brengen en het werk ook niet op tijd leek te kunnen gaan opleveren, heeft de opdrachtgever van [gedaagde] besloten zelf die schroeffunderingen te gaan aanbrengen. [gedaagde] kon toen dus niet aan [eiseres] (als onderaannemer) daartoe opdracht verstrekken.

4.2.

De rechtbank komt op grond van de door partijen aan hun stellingen ten grondslag gelegde feiten, zoals hiervoor bij de nummers 2.1 tot en met 2.27 weergegeven, tot de conclusie dat er sprake is van een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] over de levering en de montage van de schroeffunderingen door [eiseres] ten behoeve van de 135 door [gedaagde] op het project Tropical Islands te Berlijn te bouwen chalets. Daartoe is het volgende doorslaggevend.

4.3.

De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat de door haar op 5 november 2019 ondertekende offerte slechts haar instemming inhield met de prijs voor het werk en niet een akkoord was op het door [eiseres] te verrichten montagewerk. In de eerste plaats zijn er in de stukken geen aanwijzingen te vinden dat partijen, tijdens hun onderhandelingen en besprekingen om tot overeenstemming te komen, dit door [gedaagde] gestelde onderscheid aanhielden. Weliswaar wijst [gedaagde] er op dat [eiseres] zelf heeft aangedrongen op het accorderen van de werkomschrijving, maar dat was een door [eiseres] verlangde formaliteit om de overeenstemming vast te leggen en het uitblijven van die ondertekening staat er op zich niet aan in de weg dat partijen over die werkomschrijving al wel overeenstemming hadden bereikt. Zo schrijft [eiseres] (in de persoon van [naam 1]) in reactie op de ondertekening van de offerte door [gedaagde] dat zij hoopt op een mooie en langdurige samenwerking (zie hiervoor bij 2.17). In die betreffende e-mail verzoekt [naam 1] [gedaagde] om de “werkomschrijving nog even [te] accorderen” en “dat mag ook in reactie op de vanmiddag gestuurde mail waarin deze was bijgevoegd”, aldus [naam 1]. Het woordgebruik (“nog even”) wijst op een formaliteit die [eiseres] van haar contractspartijen verlangt. De rechtbank ziet er geen aanwijzingen in dat [eiseres] en/of [gedaagde] de wilsovereenstemming over de opdracht voor het werk van die ondertekeningen zouden laten afhangen. Het valt in dat verband ook op dat in de e-mails die hiervoor zijn aangehaald, [eiseres] weliswaar schrijft dat zowel [gedaagde] als zij deze stukken dienen te ondertekenen, maar dat [eiseres] zelf noch de offerte noch de werkomschrijving lijkt te hebben ondertekend. Althans, de rechtbank is niet bekend met een door [eiseres] ondertekende versie van deze stukken.

4.4.

Uit de feiten blijkt ook niet dat [gedaagde] op enigerlei wijze een voorbehoud maakte waaruit [eiseres] zou moeten afleiden dat de instemming van [gedaagde] met de offerte nog niet zou betekenen dat het werk ook aan [eiseres] zou worden gegund. De diverse e-mails tussen partijen wijzen juist in de andere richting. Zo is tijdens een bespreking over het werk op 6 oktober 2016 op het kantoor van [gedaagde] overeengekomen dat [eiseres] begin december 2019 met haar werkzaamheden zou beginnen. [gedaagde] heeft in die bespreking aangedrongen op een spoedige prijsaanbieding. Die prijsaanbieding volgt op 28 oktober 2019, waarbij [eiseres] nogmaals vraagt om technische gegevens over de hoogte van de schroeffunderingspalen omdat zij het materiaal op tijd moet kunnen gaan bestellen. Ook in latere e-mails (alle hiervoor bij de feiten aangehaald) wisselen partijen technische informatie uit over onder andere de precieze positie van de funderingspalen. Op 1 november 2019 zijn partijen tijdens een bespreking de aanvang van het werk overeengekomen, te weten: 9 december 2019. [gedaagde] stemde tijdens die bespreking niet in met de offerte van [eiseres] voor het werk en vroeg om een aangepaste offerte. Op 4 en 5 november 2019 overleggen partijen over de mogelijkheden om de schroeffunderingen, al dan niet deels, niet op de voor [eiseres] gebruikelijke wijze te monteren, met een hydraulische machine die in de bouwput zou staan, maar vanaf buiten de bouwput. Partijen onderkenden dat het gebruik van een hydraulische machine een probleem zou kunnen zijn vanwege het risico dat daarmee schade zou kunnen worden toegebracht aan de mogelijk reeds aanwezige kabels en leidingen in de bouwput. Uit het feit dat partijen het daarover hadden, volgt dat [gedaagde] zich ervan bewust is geweest dat [eiseres] het werk zou uitvoeren in de bouwput met een hydraulische machine. Voor delen van het werk waar al “infrastructuur” (kabels/leidingen) lag zochten partijen, vooral [eiseres], naar een oplossing. Uit de vragen die [eiseres] daarover aan [gedaagde] stelde, volgt dat geen van beide partijen op dat moment precies wist of en zo ja, waar er al bekabeling en leidingen in de bouwput waren aangebracht. Uit een e-mail van 5 november 2019 (zie 2.15), waarbij [eiseres] de definitieve offerte (opnieuw) als bijlage had gevoegd, werd een oplossing voorgesteld voor het deel van de bouwput waarin die infrastructuur reeds was aangebracht. Uit die e-mail blijkt eveneens dat het werk zo zou worden uitgevoerd dat de schroeffunderingen zoveel mogelijk zouden worden aangebracht voordat (door derden) de kabels en leidingen zouden worden aangelegd. Uitgangspunt was dus dat het werk in de bouwput zou worden uitgevoerd, derhalve met een hydraulische machine, tenzij dat niet mogelijk was omdat er al infrastructuur aanwezig was. En zo is het werk ook aan [gedaagde] geoffreerd. In de door [gedaagde] ondertekende offerte (2.14) staat dat montage in de bouwput zal plaatsvinden en dat die bouwput dus droog moet zijn en toegankelijk voor [eiseres]. Tussen haakjes staat daarbij vermeld “talud”. In de toelichtende e-mail bij de offerte (zie bij 2.15) wordt door [eiseres] “een aangepast voorstel qua montage” gegeven, waarmee [eiseres] vóór zou kunnen blijven op “de infra partij” die de kabels/leidingen in de bouwput zou gaan aanleggen. Bij die e-mail zat, naast de offerte, ook de werkomschrijving, zo blijkt uit productie 6 van [gedaagde] en haar stellingen daarover bij 2.8 in de conclusie van antwoord. In de werkomschrijving wordt meer in detail informatie gegeven over de aanvangsdatum van de werkzaamheden (week 50), de te volgen werkwijze, het schema van plaatsing van de 135 funderingen, de beoogde datum van oplevering (voor ca. april 2020) en welke externe voorbereidingen er moeten plaatsvinden. Bij dat laatste staat onder andere dat er een inrij talud moet worden aangebracht aan de kopse zijde van de bouwput met een maximale hellingshoek van 20%. Ook is in de werkomschrijving opgenomen dat “de opdracht” uiterlijk 5 november 2019 dient te zijn gegeven “i.v.m. levertijd en projectvoorbereiding”.

4.5.

De offerte die [gedaagde] heeft ondertekend, en de daarbij gevoegde werkomschrijving, betreffen derhalve niet enkel een prijsopgave of -indicatie, maar daarin is het hele werk beschreven, zowel wat betreft planning (aanvang/oplevering), de benodigde materialen, de wijze van uitvoering (o.a. montageschema, manuren), de randvoorwaarden, et cetera. Ook is aangegeven dat, mede gelet op de nog korte tijd die voor de aanvang resteerde en het materiaal dat moest worden besteld, de opdracht uiterlijk op 5 november 2019 diende te zijn gegeven. Gelet daarop heeft [gedaagde] moeten begrijpen, en overigens mocht [eiseres] daar gerechtvaardigd op vertrouwen, dat met het ondertekenen van de offerte zij [eiseres] opdracht gaf voor het werk zoals door [eiseres] beschreven in de offerte en uitgewerkt in de werkomschrijving. Er is derhalve sprake van aanbod en aanvaarding ten aanzien van zowel de levering als de montage van de schroeffunderingen voor de 135 chalets. De kwestie van het al of niet (deels) vanaf buiten de bouwput aanbrengen van de schroeffunderingen doet aan die overeenstemming niet af, omdat partijen van die mogelijke complicatie wisten en daar rekening mee hebben gehouden of hebben kunnen houden op het moment dat [gedaagde] de offerte heeft ondertekend. Indien [gedaagde] op dat punt een voorbehoud had willen maken, bijvoorbeeld omdat zij daarover nog had willen overleggen met haar opdrachtgever, dan had zij dat moeten doen. Dat is echter niet gebeurd.

4.6.

[gedaagde] stelt nog dat na 5 november 2019 is gebleken van gewijzigde uitgangspunten en een door [eiseres] aangegeven vertraging in de uitvoeringstermijn waardoor [gedaagde] niet langer met [eiseres] in zee wilde gaan. Die stellingen zijn echter gebaseerd op de veronderstelling dat partijen nog geen akkoord hadden over de opdracht, althans niet over de wijze van uitvoering van het werk, in het bijzonder over de vraag of het aanbrengen van de schroeffunderingen in of vanaf buiten de bouwput zou moeten plaatsvinden. Zoals hiervoor is geoordeeld, viel dat onderwerp binnen hetgeen partijen waren overeengekomen, wat overigens niet uitsluit dat [gedaagde], mogelijk onder druk van haar opdrachtgever, daarover nadien twijfels heeft gekregen. Van gewijzigde uitgangspunten is dus geen sprake; de te volgen werkwijze was vastgelegd en overeengekomen in de offerte en werkomschrijving. Dat er sprake zou zijn van vertraging in de uitvoeringstermijn - wat overigens niet van invloed is op de vraag of partijen overeenstemming hebben bereikt of niet - is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Mogelijk berust die veronderstelling van [gedaagde] op een verkeerde lezing van de e-mail van 11 november 2019 van [eiseres] (zie bij 2.21), die als onderwerp heeft “aangepast montageschema”. In die e-mail schrijft [naam 1] van [eiseres] aan [gedaagde] dat het hem, na wat puzzelen, toch is gelukt om een kraan op de locatie in Berlijn te hebben in week 51. Met die kraan, die maar beperkt beschikbaar was omdat [eiseres] haar op andere werken moest inzetten, konden de schroeffunderingen wel vanaf buiten de bouwput worden aangebracht. Het ging dus om een voorstel ter oplossing van een probleem waarvan partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst al bewust zijn geweest, namelijk dat er hier en daar gefundeerd zou moeten worden op plaatsen waar al kabels/leidingen waren aangebracht. Na week 51, schrijft [naam 1], kon die kraan nogmaals ingezet worden in week 3 van 2020 zodat er dan weer 12 chalets zouden kunnen worden gefundeerd op een plaats “waar de kabels/leidingen al in de put liggen”. Met deze e-mail gaf [eiseres] aan dat zij in ieder geval gedurende twee weken voor de delen in de bouwput waar (mogelijk) al kabels/leidingen lagen, een oplossing had, zij het wel tegen een meerprijs voor de kraan en het transport daarvan naar Berlijn. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat er dus sprake was van een (mogelijke) complicatie ten aanzien van de overeengekomen wijze waarop de schroeffunderingspalen zouden worden aangebracht en dat, ook gelet op de tijdsdruk, was besloten om dat zoveel mogelijk in het werk op te lossen. Dat daar enige onzekerheid over kon bestaan, maakt niet dat er nog geen opdracht was. Dat [gedaagde] in de loop van november 2019 mogelijk bedenkingen kreeg over de door [eiseres] voorgestelde oplossingen en in overleg is getreden met haar opdrachtgever en dat die vervolgens besloot om de schroeffunderingspalen zelf te gaan aanbrengen, bevrijdt [gedaagde] niet van de aan [eiseres] gegeven opdracht.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Opzegging opdracht, gevolgen

4.8.

[eiseres] heeft terecht uit het e-mailbericht van [gedaagde] van 19 november 2019 (zie bij 2.26), waarin [gedaagde] aangeeft dat zij aan [eiseres] geen opdracht zal geven, afgeleid dat [gedaagde] daarmee de op 5 november 2019 aan [eiseres] gegeven opdracht heeft opgezegd. Op grond van artikel 7:764 lid 1 BW heeft [gedaagde] als opdrachtgever de bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen, maar dat betekent wel dat [gedaagde] aan [eiseres] de voor het gehele werk geldende prijs verschuldigd is, verminderd met de besparingen die voor [eiseres] uit de opzegging voortvloeien (artikel 7:764 lid 2 BW).

4.9.

De tussen partijen overeengekomen prijs voor het werk bedraagt € 337.500,00 (exclusief btw). Dit is gebaseerd op de prijs per chaletfundering, € 2.500,00 (exclusief btw), waarmee [gedaagde] heeft ingestemd, maal het aantal chalets, 135.

4.10.

[eiseres] heeft de uit de opzegging voor haar voortvloeiende besparingen berekend op € 30.875,00 (exclusief btw), bestaande uit geannuleerde inhuur van derden en zzp’ers, geannuleerd transport en nog niet bestelde kikkerplaten. [eiseres] heeft daarbij gesteld dat de schroeffunderingen, in totaal 2025 stuks, specifiek voor dit werk zijn ingekocht en niet (eenvoudig) elders kunnen worden gebruikt en dus door haar moeten worden opgeslagen. Deze stelling is echter onvoldoende onderbouwd, zoals door [gedaagde] terecht is aangevoerd. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres] niet eens heeft aangetoond dat zij specifiek voor dit project materialen heeft ingekocht. Daar ontbreekt ieder bewijs van. Bovendien vermeldt [eiseres] op haar website dat zij haar producten betrekt van vijf topleveranciers en dat zij snel uit voorraad kan leveren, aldus nog steeds [gedaagde]. Uit door [eiseres] overgelegde foto’s leidt [gedaagde] af dat [eiseres] de voor dit project benodigde schroeffunderingen al geheel of deels op voorraad had en niet apart heeft ingekocht. [gedaagde] stelt bovendien dat [eiseres] de (eventueel) bestelde schroeffunderingen nog had kunnen afbestellen of retourneren. Ook heeft [gedaagde] de door [eiseres] gestelde inkoopprijs van dit type schroeffunderingen onderbouwd betwist.

4.11.

Gelet op dit verweer van [gedaagde] zal [eiseres] moeten aantonen dat zij de 2025 schroeffunderingen specifiek voor dit project heeft moeten inkopen, tegen welke prijs dit is gebeurd en of zij die aankoopsom daadwerkelijk heeft voldaan en, voor zover het voorgaande vast komt te staan, wat de resterende waarde is van deze schroeffunderingen. Wat dat laatste betreft gaat de rechtbank, wegens ontbreken van enige onderbouwing, voorshands niet mee in de stelling van [eiseres] dat het hier bedoelde type schroeffundering specifiek voor dit werk geschikt is en dat het niet of niet eenvoudig voor andere werken zou zijn te gebruiken of dat die funderingsschroeven in de (bouw-)markt geen resterende waarde zouden vertegenwoordigen. Ook dient [eiseres] te reageren op de stelling van [gedaagde] dat de bestelling nog afbesteld of geretourneerd had kunnen worden. De bij akte door [eiseres] overgelegde producties (32 tot en met 34) bieden onvoldoende houvast voor de beantwoording van al deze vragen. De waarde van de schroeffunderingen, zo die al specifiek voor dit project werden ingekocht, zal een besparing voor [eiseres] vormen die in mindering dient te worden gebracht op de voor het werk geldende prijs.

4.12.

Ook de overige door [eiseres] gestelde besparingen missen onderbouwing en zijn door [gedaagde] betwist, in de zin dat die besparingen volgens [gedaagde] onrealistisch laag zijn begroot. Bovendien zijn door [gedaagde] allerlei besparingen aangevoerd die door [eiseres] niet worden genoemd maar die, gelet ook op de offerte en de daar genoemde onderdelen op grond waarvan de aanneemsom is bepaald, niet onaannemelijk zijn. Dit betreft besparing op (niet) in te zetten personeel. De stelling van [eiseres] dat zij de montageploeg niet kon onderbrengen bij een ander project is onvoldoende om de bespaarde kosten van arbeid buiten beschouwing te laten. [eiseres] verwijst naar een als productie 29 overgelegd excel-uitdraai waaruit zou blijken dat die montageploeg stil heeft moeten zitten, maar dat is geen bewijs van die stelling, zoals uit het verweer van [gedaagde] (vanaf 3.30 in de conclusie van antwoord) volgt. [gedaagde] berekent hiervoor een besparing van € 221.065,00. Ook de berekening van de bespaarde kosten vanwege het afzeggen van derden die zouden worden ingezet en de kosten van het niet inzetten van machines is, zoals [gedaagde] stelt, niet goed te volgen (conclusie van antwoord vanaf 3.34).

4.13.

Uitgangspunt voor de berekening van de door [eiseres] door de opzegging van de opdracht bespaarde kosten dient te zijn alle in de offerte opgenomen bedragen voor arbeid, machines, materialen e.d., waarop de aanneemsom is berekend. Alles wat niet is ingekocht, ingezet en/of uitgevoerd is potentieel een besparing, behoudens voor zover [eiseres] stelt en bewijst dat de betreffende kostenpost na de opzegging niet kon worden vermeden. Dit met inachtneming van hetgeen hiervoor bij de overwegingen 4.10 tot en met 4.12 is opgemerkt over de eventuele restwaarde van materialen en alternatieven voor kostenbesparing. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld, bij akte, de door haar ten gevolge van de opzegging van de opdracht bespaarde kosten (nogmaals) te berekenen en onderbouwen, een en ander met inachtneming van hetgeen daarover bij 4.10 tot en met 4.12 is overwogen. [gedaagde] zal bij antwoordakte mogen reageren.

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 september 2020 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 4.13, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.

pb/mk