Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4353

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
05.118730.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland veroordeelt een man tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en legt aan hem de tbs-maatregel met dwang op vanwege het bedreigen met de dood van zijn ex-partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05.118730.20, 05.232836.19 (tul) en 05.161531.19 (tul)

Datum uitspraak : 27 augustus 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem te Arnhem.

raadsman: mr. H. de Boer, advocaat te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
13 augustus 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2020, te Ruurlo, in de gemeente Berkelland , en/of te Barchem, in de gemeente Lochem, in elk geval in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte genoemde [slachtoffer 1] dreigend (telefonisch) toegevoegd de woorden: "Als je nog ene keer praat met de politie, oh meid, je gaat eraan" en/of "Als je het nog een keer over flikt om de politie te bellen, dan ben je aan de beurt jij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2020, althans in de maand april 2020, te Ruurlo, in de gemeente Berkelland, en/of te Barchem, in de gemeente Lochem, en/of in de gemeente Winterswijk, in elk geval in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte -in een telefoongesprek, gevoerd met een persoon, genaamd [slachtoffer 2] - dreigend gezegd de woorden: "Al is het het laatste wat ik doe, dat is haar de strot afsnijden. Laatste wat ik dan doe, dan gaat ze eraan, dan gaat ze er echt aan" en/of " [slachtoffer 2] één ding, één belofte maak ik je.

Als zij mij aangeeft bij de politie deze keer, [slachtoffer 2] het kan 5 jaar duren, het kan 10 jaar duren, het kan 12 jaar duren, ze gaat eraan, ze gaat eraan echt. Dat beloof ik je, dat beloof ik je echt, dat zweer ik op mijn graf" en/of "Als ik de politie aan de deur krijg zo ohoh. [slachtoffer 2] ik beloof het je, dat beloof ik je [slachtoffer 2] . Ze vinden haar nooit weer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke voornoemde bedreigende uitlating(en) ter kennis is (zijn) gekomen van

genoemde [slachtoffer 1] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 27-28;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2020.

De rechtbank acht feit 1 op basis van de aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 29;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , p. 32;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 39-40;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2020.

De rechtbank acht feit 2 op basis van de aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2020, te Ruurlo, in de gemeente Berkelland, en/of te Barchem, in de gemeente Lochem, in elk geval in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte genoemde [slachtoffer 1] dreigend (telefonisch) toegevoegd de woorden: "Als je nog ene keer praat met de politie, oh meid, je gaat eraan" en/of "Als je het nog een keer over flikt om de politie te bellen, dan ben je aan de beurt jij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2020, althans in de maand april 2020, te Ruurlo, in de gemeente Berkelland, en/of te Barchem, in de gemeente Lochem, en/of in de gemeente Winterswijk, in elk geval in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte -in een telefoongesprek, gevoerd met een persoon, genaamd [slachtoffer 2] - dreigend gezegd de woorden: "Al is het het laatste wat ik doe, dat is haar de strot afsnijden. Laatste wat ik dan doe, dan gaat ze eraan, dan gaat ze er echt aan" en/of " [slachtoffer 2] één ding, één belofte maak ik je.

Als zij mij aangeeft bij de politie deze keer, [slachtoffer 2] het kan 5 jaar duren, het kan 10 jaar duren, het kan 12 jaar duren, ze gaat eraan, ze gaat eraan echt. Dat beloof ik je, dat beloof ik je echt, dat zweer ik op mijn graf" en/of "Als ik de politie aan de deur krijg zo ohoh. [slachtoffer 2] ik beloof het je, dat beloof ik je [slachtoffer 2] . Ze vinden haar nooit weer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke voornoemde bedreigende uitlating(en) ter kennis is (zijn) gekomen van

genoemde [slachtoffer 1] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2, telkens:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging gevorderd. Daarbij heeft hij gesteld dat vanwege de ernst van de bedreiging sprake is van een in duur ongemaximeerde maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, uitgaande van de richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld, verdachte zijn straf reeds heeft uitgezeten. Het opleggen van een tbs-maatregel is niet proportioneel gelet op de aard van de strafbare feiten, het wettelijk strafmaximum, de genoemde richtlijn, de omstandigheden waaronder de feiten zijn ontstaan, de kans op recidive en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 22 juli 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 11 augustus 2020;

- een multidisciplinair rapport van drs. [naam] , GZ-psycholoog, gedateerd 4 augustus 2020 en van drs. [naam] , psychiater, gedateerd 31 juli 2020.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zijn ex-partner via verschillende wegen bedreigd met de dood. Hij heeft haar telefonisch bedreigd en hij heeft haar bedreigd via zijn begeleider. De bedreigende teksten die verdachte heeft geuit, vindt de rechtbank zeer ernstig. Daar komt bij dat verdachte de bedreigingen bewust, willens en wetens, heeft geuit, omdat hij op die manier iets gedaan wilde krijgen. Uit de aangifte van zijn ex-partner en haar verklaring ter terechtzitting volgt dat zij erg bang is geworden van de bedreigingen en dat zij inmiddels al een tijd in voortdurende angst leeft. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Verdachte is in één jaar tijd twee keer eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten richting zijn ex-partner.

De vraag is vervolgens welke straf en/of maatregel aan verdachte dient te worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, mede gelet op de recidive, een gevangenisstraf rechtvaardigt. Anders dan de officier van justitie, vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend. De rechtbank combineert die vrijheidsstraf met een maatregel.

Uit het psychiatrisch onderzoek is namelijk naar voren gekomen dat bij verdachte sprake is van een vermijdende en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis en van een aanpassingsstoornis met gemengd depressieve en angstige stemming. Ook uit het psychologisch onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte lijdt aan een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis en een aanpassingsstoornis. Zowel de psychiater als de psycholoog heeft geconcludeerd dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Daarom adviseren zij het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Wat door of namens verdachte is aangevoerd ten aanzien van het psychologisch en het psychiatrisch onderzoek geeft de rechtbank geen aanleiding om anders te denken over de aannames en conclusies van de psychiater en psycholoog.

De psychiater heeft gesteld dat de kans op recidive matig tot hoog is, aangezien verdachte nu herhaaldelijk in detentie is gekomen na het overschrijden van het contactverbod met zijn ex-partner, weinig blijk geeft van zelfinzicht, aanhoudend gefrustreerd blijft over het uitblijvende contact en op diverse onderdelen van de Stalking Risk Profile scoort. Ook de psycholoog heeft het risico op recidive in gewelddadig gedrag als matig tot hoog ingeschat. Verdachte heeft nog de hoop op hereniging met zijn ex-partner, waardoor het niet ondenkbaar is dat hij weer zal proberen contact met haar te zoeken. Eerdere contacten met politie en justitie hebben hem er niet van weerhouden om voorwaarden te overtreden. Daarnaast is het zorgelijk dat verdachte weinig zicht heeft op de problematische kanten van zijn functioneren. Hij signaleert bij zichzelf niet wanneer hij vervalt in risicovolle patronen. Zijn persoonlijkheidsproblematiek komt met name onder druk meer op de voorgrond te staan. In situaties waarin hij het gevoel heeft de controle te verliezen, dreigt dan opnieuw het risico van overspoelen door gevoelens en heftige doorbraken van woede.

Om het recidivegevaar te beperken, achten de deskundigen een intensieve klinische behandeling noodzakelijk. De verwachting is dat een ambulante behandeling onvoldoende effect zal hebben. De geadviseerde behandeling zou volgens de deskundigen kunnen plaatsvinden in het kader van een deels voorwaardelijke straf of in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Een behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden biedt meer stok achter de deur om behandeling daadwerkelijk te laten plaatsvinden, waardoor verdachte in ieder geval niet onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Daar tegenover staat dat de druk van de behandeling de rigiditeit van verdachte zou kunnen versterken.

De reclassering heeft gesteld dat het recidiverisico hoog is. Eén van de grote risicofactoren betreft het ontbreken van enig probleeminzicht en zelfreflectie. Verdachte laat zich niet beïnvloeden door de aanwezige hulpverleningsinstanties en houdt vast aan zijn eigen beeld van het probleem en zijn eigen oplossingen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken en het gedrag van verdachte te veranderen en adviseert dan ook negatief over de tbs-maatregel met voorwaarden. Verdachte is immers van mening dat hij geen behandeling nodig heeft.

Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat een klinische behandeling noodzakelijk is om herhaling te voorkomen. De ernst van de persoonlijkheidsproblematiek en de herhaalde noodzaak tot justitieoptreden jegens verdachte vanwege zijn grensoverschrijdend handelen ter zake de verbroken partnerrelatie, rechtvaardigen een dergelijk ingrijpende aanpak. De vraag is vervolgens in welk kader deze behandeling dient te worden opgelegd.

Uit de rapporten blijkt onvoldoende dat verdachte intrinsiek is gemotiveerd om zich te laten behandelen; integendeel. Ook ter terechtzitting heeft verdachte meermaals aangegeven dat bij hem geen sprake is van een stoornis, dat hij dus ook geen behandeling nodig heeft en dan ook niet zal meewerken aan een behandeling. Verdachte is bij die opstelling gebleven ook toen hem werd voorgehouden dat dwangverpleging dan een mogelijkheid zou zijn.

Een behandeling kan verbonden worden aan een voorwaardelijke gevangenisstraf of aan een voorwaardelijke tbs-maatregel. Vanwege het gebrek aan zelfinzicht en motivatie zal de kans van slagen van een behandeling in een voorwaardelijk kader echter klein zijn. Bij de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, komt verdachte na het uitzitten van dat strafdeel onbehandeld weer vrij. Dat acht de rechtbank niet wenselijk, gelet op het recidiverisico zonder behandeling. Een klinische behandeling als onderdeel van een tbs met voorwaarden acht de rechtbank niet zinvol omdat verdachte niet aan behandeling wil meewerken.

Een klinische behandeling in een voorwaardelijk kader is dan ook een gepasseerd station.

Gelet op wat hiervoor is beschreven, is de rechtbank van oordeel dat de geadviseerde noodzakelijke behandeling de meeste kans van slagen heeft in het kader van de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege (dwangverpleging). Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan en vanwege de reële kans op herhaling en de ernst van de bewezen verklaarde bedreigingen vereist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de verpleging. De rechtbank heeft daarbij gelet op de hiervoor genoemde adviezen en rapporten en op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals bedoeld in artikel 37a lid 4 Wetboek van Strafrecht en zoals hiervoor omschreven, en acht oplegging van deze maatregel proportioneel. De rechtbank zal de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dan ook opleggen.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, oordeelt de rechtbank dat de bewezen verklaarde feiten geen misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling is beperkt tot de maximale duur van vier jaren. De bedreigingen zijn namelijk niet voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag.

7a. De beoordeling van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

De vorderingen van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 05.232836.19 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van twee weken gevangenisstraf die door de politierechter te Gelderland op 9 oktober 2019 voorwaardelijk is opgelegd.

Voorts heeft de officier van justitie om afwijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 05.161531.19 gevraagd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van beide vorderingen verzocht de proeftijd te verlengen met één jaar, dan wel om tenuitvoerlegging en omzetting in een taakstraf.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordelingen niet opportuun is, gelet op de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank wijst beide vorderingen dan ook af. Voor verlenging van de proeftijd ziet zij in verband daarmee evenmin aanleiding.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

De beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

wijst af de vordering met parketnummer 05.232836.19 van de officier van justitie van 22 juli 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Gelderland van 9 oktober 2019 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

wijst af de vordering met parketnummer 05.161531.19 van de officier van justitie van 22 juli 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Gelderland van 1 oktober 2019 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en
mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2020.

Mr. Doon en mr. Baauw zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020192202, gesloten op 2 mei 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.