Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4330

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3049
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling ESF 2014-2020

De Subsidieregeling houdt in dat het project moet leiden tot een advies met implementatieplan. Dat betekent dat het advies met implementatieplan bij de afronding van het project aanwezig en gereed moet zijn. Het door eiseres bij de einddeclaratie overgelegde rapport is daarom het rapport waarvan beoordeeld moet worden of het aan de eisen van de Subsidieregeling voldoet. Dit rapport kan niet als een advies met implementatieplan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2020

in de zaak tussen

Leertouwer B.V., te Barneveld, eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.L. van der Horst),

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te 's-Gravenhage, verweerder

(gemachtigde: mr. M.B. Gschwind).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie voor [het project] op € 0 vastgesteld.

Bij besluit van 26 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de rechtbank hebben zowel verweerder als eiseres kort voor de zitting de bijlagen bij de einddeclaratie van 24 april 2018 overgelegd. Eiseres heeft ook overgelegd ‘de geredigeerde versie’ van het rapport Preventief Medisch Onderzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Namens eiseres is verschenen [naam A] , collega van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft een subsidieaanvraag voor het project ingediend. Bij besluit van 14 maart 2017 heeft verweerder op grond van de Subsidieregeling ESF 2014-2020 (de Subsidieregeling) een subsidie van maximaal € 6.250 verleend voor het project.

De van belang zijnde bepalingen uit de Subsidieregeling zijn in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 0, welk besluit in bezwaar gehandhaafd is. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het project niet heeft geleid tot een advies met implementatieplan.

3. Bij de einddeclaratie heeft eiseres een rapport Preventief Medisch Onderzoek (het rapport) overgelegd, opgesteld door Perspectief, met nummer 2016EUSF201890. Uit het rapport blijkt dat door werknemers van eiseres vragenlijsten zijn ingevuld, en dat bij de werknemers een aantal medische tests zijn gedaan. Het rapport bestaat uit een Inleiding, Samenvatting, Verslaglegging medisch onderzoek, en 3 bijlagen, te weten PMO Basis, PMO Kantoor en PMO Fysiek. In elk van de bijlagen zijn verbeteraspecten opgenomen.

3.1.

Eiseres heeft het volgende aangevoerd.

Eiseres heeft bij de beroepsgronden en bij mail van 16 juli 2020 een versie van het rapport overgelegd, die in de onderwerpregel van de mail wordt aangeduide als ‘de geredigeerde versie’. Het rapport houdt een advies met implementatieplan in.

Aan individuele werknemers zijn (leefstijl)adviezen gegeven. Vanwege privacy zijn die adviezen niet in het rapport opgenomen.

3.2.

Op grond van artikel B10, derde lid, aanhef en onder c van de Subsidieregeling moet bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie het advies met implementatieplan worden overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de subsidievaststelling terecht beoordeeld of het rapport met nummer 2016EUSF201890, dat bij de einddeclaratie is overgelegd, aan de eisen van de Subsidieregeling voldoet. De Subsidieregeling houdt in dat het project moet leiden tot een advies met implementatieplan. Dat betekent dat het advies met implementatieplan bij de afronding van het project aanwezig en gereed moet zijn. Het door eiseres bij de einddeclaratie overgelegde rapport is daarom het rapport waarvan beoordeeld moet worden of het aan de eisen van de Subsidieregeling voldoet.

De pas in beroep overgelegde ‘geredigeerde versie’ is kennelijk pas later opgesteld, althans gesteld noch gebleken is dat deze versie al bestond op het moment van de einddeclaratie. Dat betekent dat deze versie van het rapport buiten beschouwing moet blijven.1

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het rapport niet als een advies met implementatieplan kan worden aangemerkt. In het rapport zijn weliswaar verbeterpunten genoemd, maar niet is bijvoorbeeld aangegeven welke verbeterpunten volgens de adviseur door eiseres aangepakt zouden moeten/kunnen worden, en op welke wijze dat uitgevoerd zou kunnen worden. De stelling van eiseres dat aan individuele werknemers (leefstijl)adviezen zijn gegeven maakt dat niet anders. De beroepsgrond treft geen doel.

4. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de adviseur, die het rapport heeft opgesteld, een groot aantal gelijksoortige rapporten heeft opgesteld voor andere bedrijven, en dat verweerder zich niet eerder op het standpunt gesteld dat zo’n rapport onvoldoende was.

4.1.

De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft weliswaar het standpunt ingenomen dat in andere gevallen een gelijksoortig rapport voldoende was, maar zij heeft dit standpunt niet onderbouwd door bijvoorbeeld concrete gevallen te noemen en stukken over te leggen. De beroepsgrond treft geen doel.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ‘ten overvloede’ op het standpunt gesteld dat de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de administratie onvoldoende is, en dat sprake is van discrepanties in de aangeleverde informatie. Ter zitting is gebleken dat verweerder dit heeft opgenomen om aan te geven dat, als het rapport voldoende zou zijn geweest, er nog andere discussiepunten zouden zijn, maar dat dit waarschijnlijk niet zou hebben geleid tot een nihilstelling van de subsidie, maar tot een lagere vaststelling.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de beroepsgronden tegen dit standpunt thans te beoordelen.

6. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van E.T.H. van het Hof, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 augustus 2020

griffier

De rechter is buiten staat om deze uitspraak te tekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Subsidieregeling ESF 2014-2020

Artikel 15. Administratievoorschriften

1. De subsidieontvanger houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gemaakte kosten en gerealiseerde opbrengsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder voor zover van toepassing een deelnemersadministratie, en een financiële administratie waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken.

2. De volledige administratie is per project voor controle beschikbaar op één voor de subsidieontvanger vrij toegankelijke locatie.

3. De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

4. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de gerealiseerde opbrengsten en de wijze waarop deze kosten en opbrengsten aan het project worden toegerekend.

5. De deelnemersadministratie bevat het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project, geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de individuele deelnemer zelf en de verrichte activiteiten en behaalde resultaten per individuele deelnemer.

6. Subsidieontvanger verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde instanties desgevraagd informatie over de projecten die voor monitoring en evaluatiedoeleinden gebruikt kunnen worden.

Artikel 18. Einddeclaratie en subsidievaststelling

1. De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek tot vaststelling van de subsidie in bij de minister. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd. De subsidieontvanger verstrekt bij de einddeclaratie het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project.

Artikel B4. Doel

1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de bevordering van duurzame inzetbaarheid van werkenden door:

a. het verkrijgen van advies met een implementatieplan; of

b. het verkrijgen van begeleiding bij de implementatie van een advies, waaronder het in dialoog met de werkenden aanpassen van de organisatie van het werk.

2. Een project als bedoeld in het eerste lid is gericht op:

a. het bevorderen van gezond en veilig werken, waaronder een gezondere leefstijl, het terugdringen van werkstress en ongewenst gedrag in de werksfeer;

b. het bevorderen van een leercultuur voor werkenden, waaronder het erkennen van niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden;

c. het stimuleren van interne mobiliteit van werkenden, het anticiperen op individuele ambities en ontwikkelmogelijkheden en het begeleiden van werknemers naar ondernemerschap; of

d. het bevorderen van een flexibele werkcultuur, waaronder het invoeren van flexibel arbeidstijdenmanagement.

Artikel B6. Specifieke eisen

Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

a. Het project past binnen het in artikel B4 omschreven doel, een toelichting bevat op de relevantie voor de aanvrager en een advies met implementatieplan oplevert of een verslag van de implementatie van een advies gericht op een van de thema’s of activiteiten uit artikel B4;

Artikel B10. Einddeclaratie en subsidievaststelling

1. In afwijking van artikel 18, eerste lid, dient de subsidieontvanger binnen zes weken na beëindiging van het project, een verzoek tot vaststelling in bij de minister.

2. Het maximale subsidiepercentage bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt vastgesteld op 0% indien bij het indienen, dan wel na het controleren van de einddeclaratie respectievelijk na overig onderzoek door daartoe bevoegde instanties, blijkt dat minder dan € 12.000,– aan subsidiabele kosten is gerealiseerd.

3. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt opgenomen:

a. een vermelding van het aantal actief betrokken werknemers en zelfstandigen zonder personeel;

b. het door de adviseur investeringsprioriteit B opgestelde advies met implementatieplan of een verslag van de begeleiding van de implementatie van een advies;

c. de bijlage met berekening van de subsidiabele kosten, de factuur of facturen van de adviseur investeringsprioriteit B met urenspecificatie op dagniveau en de bijbehorende algemeen aanvaarde betalingsbewijzen.

4. In het advies of het verslag, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt vermeld:

a. het projectnummer, de naam van het bedrijf en het bedrijfslogo;

b. de naam van de adviseur investeringsprioriteit B;

c. de aanleiding voor de subsidieaanvraag;

d. op welk thema of activiteit het project gericht is geweest;

e. welke activiteiten in het kader van het project zijn uitgevoerd en voor welke doelgroep;

f. op welke wijze de activiteiten hebben plaatsgevonden voor welke doelgroep en welke instrumenten zijn ingezet;

g. de inhoudelijke opbrengsten en conclusies van het project en in hoeverre de beoogde doelstellingen zijn bereikt op het gebied van duurzame inzetbaarheid van de betrokken werkenden;

h. op welke wijze werkenden geïnformeerd en betrokken zijn geweest bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project;

i. op welke wijze de organisatie het advies ter bevordering van de duurzame inzetbaarheid van werkenden kan implementeren, dan wel vorm is gegeven aan de begeleiding bij de implementatie, en een toelichting op de relevantie voor de aanvrager;

j. met welke partijen binnen of buiten de organisatie is samengewerkt.

5. De minister kan de subsidieontvanger in het kader van de vaststelling van de subsidie verplichten de contactgegevens te verstrekken van twee werknemers die actief betrokken zijn bij het project en bereid zijn informatie te verstrekken aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties voor controle en evaluatiedoeleinden.

6. In afwijking van artikel 18, eerste lid, is er geen sprake van deelnemers aan het project als bedoeld in Bijlage I van Verordening 1304/2013.

7. De minister beslist, in afwijking van artikel 18, vijfde lid, binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling.

1 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2333, r.o. 7.