Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4324

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
20-216
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

530 Sv verzoek voor WAHVzaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

WAHVnummer: 8087378 \ BR VERZ 19-384 \ 894-ER;

8087405 \ BR VERZ 19-385 \ 894-ER;

8087421 \ BR VERZ 19-386 \ 894-ER

Rechtbanknummer : 20-216, 20-217 en 20-218

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 21 april 2020 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, ex artikel 530 Wetboek van Strafvordering, van:

naam: [verzoeker] , hierna: verzoeker,

geboren op : [geboortedag] 1945

adres : [adres]

,

in deze woonplaats kiezende te ’s-Hertogenbosch aan de Havensingel 8 (5211TX) ten kantore van zijn advocaat mr. M.A. Prins, Kuijpers & Nillesen.

De procedure

Het verzoekschrift strekt tot verkrijging van een vergoeding voor de door verzoeker betaalde kosten van rechtsbijstand in drie door de kantonrechter te Nijmegen behandelde WAHV-procedures tot een bedrag van € 2.547,08, vermeerderd met de proceskosten van € 280,- dan wel € 550,-.

Het openbaar ministerie heeft geadviseerd verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren nu het betreft een Wahv procedure, die niet onder het bereik van art 530 Sv valt.

In verband met de Coronaperikelen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens verzoeker is niet meer gereageerd op het advies van het openbaar ministerie.

De beoordeling

Aan verzoeker zijn in 2019 drie boetes opgelegd vanwege overtredingen die waren gepleegd met een auto waarvan het kenteken op zijn naam stond. Hij heeft hiertegen beroep ingesteld bij de officier van justitie en uiteindelijk bij de kantonrechter ex artikel 9 Wahv.

De kantonrechter in deze rechtbank heeft bij beslissingen van 3 maart 2020 in alle zaken aannemelijk geacht dat de overtredingen waren gepleegd tegen de wil van verzoeker als kentekenhouder (namelijk door een joyrider) en dat verzoeker dit niet had kunnen voorkomen. In alle zaken is het beroep gegrond geacht, is de beslissing waarvan beroep alsmede de initiële beslissing vernietigd en de terugbetaling van de gestelde zekerheid gelast. Daarbij is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Daarom was overigens in de beroepschriften niet verzocht, voor zover vereist.

Artikel 13 Wahv bepaalt: “De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.” Vervolgens zijn de artikelen 7:15 leden 2 t/m 4 en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid Awb van overeenkomstige toepassing verklaard.

Art. 7.28 Awb tweede lid luidt: “De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is.”

En het vierde lid: “4 Het verzoek wordt gedaan voordat het beroepsorgaan op het beroep heeft beslist. Het beroepsorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het beroep.”

Uit dit samenstel van bepalingen kan het volgende worden afgeleid:

- degene die beroep instelt tegen een ingevolge de Wahv opgelegde sanctie, dient daarbij te verzoeken om een kostenveroordeling;

- dat verzoek moet worden gedaan voordat op het beroep wordt beslist;

- dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een procespartij te veroordelen in de proceskosten van de andere partij.

Hieruit volgt dat de regeling van artikel 530 Sv, die geschreven is voor strafzaken, niet kan worden ingeroepen voor het verkrijgen van een kostenvergoeding voor een procedure ingevolge de Wahv. Een advocaat van een gerenommeerd kantoor als het onderhavige had dat mogen en moeten weten.

De beslissing

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn op artikel 530 Sv gegrond verzoek.

Weigert iedere proceskostenveroordeling ten gunste van verzoeker.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. F.J.H. Hovens, in tegenwoordigheid van E.A. Clever, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 5 augustus 2020.

De griffier is buiten staat te ondertekenen